Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3170

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
AWB 19 / 159
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, beëindiging van relatie, 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/159

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 december 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 4 maart 2019 en op 11 maart 2019 verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens ter zitting aanwezig was M. Iqachaura, tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft met ingang van 29 november 2013 een verblijfsvergunning gekregen voor verblijf bij zijn echtgenote mevrouw [naam 2] (referente). Op 18 september 2018 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 5 december 2017 ingetrokken. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning terecht is ingetrokken omdat eiser niet meer aan de beperking van zijn verblijfsvergunning voldoet. De feitelijke samenwoning en het feitelijke huwelijk tussen eiser en referente zijn sinds 5 december 2017 geëindigd, want sinds die dag staat referente niet meer op hetzelfde adres als eiser ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP). Daar komt bij dat referente op 22 maart 2018 schriftelijk heeft verklaard dat zij voornemens is van eiser te scheiden.

Nu het huwelijk van eiser met referente feitelijk is geëindigd, heeft eiser geen familie- of gezinsleven meer in Nederland. Verweerder beaamt dat eiser beschermenswaardig privéleven heeft in Nederland. Eisers banden met Nederland zijn echter niet zodanig, dat intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM.1

3. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de bijzondere situatie waardoor de feitelijke samenwoning is verbroken. Referente is opgenomen in een zorginstelling vanwege haar psychische problematiek. De verbreking van de samenwoning is van tijdelijke aard, en is verbroken door een overmachtssituatie. Eiser betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hij is immers nog altijd met referente getrouwd en heeft niet van haar vernomen dat ze wil scheiden. Niet te veel gewicht kan worden toegekend aan de schriftelijke uiting van referente van 22 maart 2018. Referente staat immers onder bewind vanwege haar psychische problemen en is niet in staat haar wil te uiten.

Daarnaast stelt eiser dat hij gedurende zijn vijfjarige verblijf in Nederland is geworteld. Het stopzetten van eisers verblijf is daarom in strijd met zijn recht op privéleven zoals gegarandeerd in artikel 8 van het EVRM. Ter onderbouwing van zijn worteling heeft hij diverse verklaringen van familieleden, collega’s, vrienden en kennissen overgelegd.

4. In het verweerschrift van 4 maart 2019 heeft verweerder een verklaring van de advocaat van referente overgelegd. Op 3 oktober 2018 heeft deze verweerder verzocht om een afschrift van de huwelijksakte van eiser en referente, omdat zij een echtscheidingsprocedure wil starten. Hieruit maakt verweerder op dat referente nog altijd voornemens is van eiser te scheiden.

In het verweerschrift van 11 maart 2019 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde verklaringen van eisers netwerk niet kunnen leiden tot een andere uitkomst van de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM. De overgelegde verklaringen zijn immers niet afkomstig van objectief verifieerbare bronnen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Ingevolge artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

Op grond van artikel 3.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet de vreemdeling aan de vereisten voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij gezinsleden indien de vreemdeling en de referent samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Volgens paragraaf 3.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) worden de volgende voorwaarden hiervoor gesteld:

  • -

    De referent en de vreemdeling wonen feitelijk samen;

  • -

    De referent en de vreemdeling voeren naar buiten toe hetzelfde adres; en

  • -

    De referent en de vreemdeling zijn ingeschreven op hetzelfde adres in de BRP.

Volgens paragraaf 3.1.5 van de Vc neemt verweerder aan dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk tussen de vreemdeling en de referent feitelijk of juridisch is verbroken.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser met ingang van 5 december 2017 niet meer aan de beperking van zijn verblijfsvergunning voldoet. Anders dan eiser stelt heeft verweerder terecht gesteld dat de relatie niet door een tijdelijke overmachtssituatie is verbroken. Referente heeft immers ondubbelzinnig verklaard dat zij niet meer met eiser wil samenwonen, en niet meer met eiser getrouwd wil zijn. Dat de directe aanleiding voor de verbreking van de feitelijke samenwoning de opname van referente was, heeft het standpunt van verweerder niet hoeven veranderen.

7. Dat referente niet bekwaam zou zijn om haar eigen wil te uiten, wordt niet door de rechtbank gevolgd. Eiser heeft deze stelling immers niet nader onderbouwd. Dat referente is opgenomen vanwege haar psychische problemen betekent nog niet dat zij handelingsonbekwaam is, noch dat zij haar wil niet kan uiten. Daarnaast is tijdens de zitting naar voren gekomen dat eiser geen contact met referente heeft gezocht sinds haar opname in een zorginstelling in 2017. Het had op de weg van eiser gelegen om zich ervan te vergewissen dat referente niet voornemens is van eiser te scheiden. Dat eiser geen contact met referente heeft gehad omdat zij door haar familie wordt afgeschermd, is geenszins onderbouwd.

8. Niet in geschil is dat eiser in Nederland een beschermenswaardig privéleven heeft, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens2 (EHRM) volgt dat verweerder bij de beoordeling van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging dient te maken tussen enerzijds de eerbiediging van eisers recht op privéleven en anderzijds het algemeen Nederlands belang om een restrictief toelatingsbeleid te voeren. Daarbij moet verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.

9. Anders dan verweerder stelt heeft eiser met de getekende verklaringen wel aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland banden heeft met familieleden, vrienden, geloofsgenoten en zijn (voormalige) werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder desondanks deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen banden heeft in Nederland die dermate bijzonder zijn, dat ze de gebruikelijke banden overstijgen. Daarnaast zijn eisers banden beperkt, omdat hij pas sinds 2013 in Nederland verblijft. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

10. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

2 Arresten van het EHRM Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09 en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09