Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3152

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
NL19.1179
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris heeft een asielaanvraag van een vreemdeling uit Irak niet in behandeling te nemen, omdat hij Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk acht voor de behandeling daarvan. De vreemdeling stelt dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan dan wel dat nader onderzoek van de zijde van verweerder geïndiceerd is.

De rechtbank overweegt dat voor zover er thans informatie is ingebracht die niet uitdrukkelijk is meegewogen door de Afdeling in haar recente uitspraken, zoals de uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) en waarin nieuwe relevante feiten en omstandigheden naar voren komen, zoals bepaalde delen en bijlagen van de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland van 24 januari 2019 en 28 februari 2019, blijkt daaruit niet van dermate aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat op grond daarvan niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn verder geen sterke aanwijzingen dat er in Italië dergelijke tekortkomingen zijn, die maken dat de bewijslast (volledig) naar verweerder verschuift, althans waardoor verweerder op grond van zijn onderzoeks- en samenwerkingsplicht gehouden is meer onderzoek te verrichten (zoals het verrichten van onderzoeken in Italië of bij de Italiaanse consul) dan hij heeft gedaan.

Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde medische stukken, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Italië (zonder aanvullende garanties) voor hem een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zou inhouden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.1179


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 31 januari 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en is gesloten op de zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 februari 2019.

Bij brief van 6 februari 2019 zijn partijen bericht dat gebleken is dat het nodig is om het vooronderzoek te hervatten, dat de rechtbank het vooronderzoek heropent en dat de zaak is verwezen naar een meervoudige kamer voor verdere behandeling van het beroep.

Bij uitspraak van 7 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder verboden eiser uit te zetten totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepszaak.

Bij brief van 19 februari 2019 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiser bericht dat de behandeling van de beroepszaken met kenmerken NL19.1106, NL19.1110 en NL19.1179 op 7 maart 2019 door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, met vooraf verkregen instemming van eisers, gelijktijdig behandeld zullen worden, met uitzondering van de persoonlijke omstandigheden. In hetzelfde bericht is medegedeeld, dat de meervoudige kamer in ieder geval de door eisers in de verschillende beroepszaken ingebrachte informatie en het verweerschrift van 31 januari 2019 in de onderhavige beroepszaak, bij de behandeling en beoordeling van alle drie de zaken zal betrekken. De door eisers ingebrachte informatie heeft de rechtbank thans weergegeven in de aangehechte bijlage A die daarmee onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

De rechtbank heeft eiser uiterlijk tot donderdag 28 februari 2019 in de gelegenheid gesteld om een reactie te doen toekomen met betrekking tot het verweerschrift van 31 januari 2019, ingebracht in de onderhavige beroepszaak.

Bij brief van 28 februari 2019 is door de gemachtigde van eiser de gevraagde reactie gegeven en is verzocht om aanhouding van de behandeling van de beroepszaak op 7 maart 2019 in verband met een nieuw te verschijnen rapport van het ‘Asylum Information Database’ (AIDA), eind maart 2019. De rechtbank heeft bericht dat dit verzoek ter zitting zal worden besproken en dat de behandeling van het beroep vooralsnog niet zal worden uitgesteld.

De gemachtigden van eisers in de andere twee beroepszaken hebben op 28 februari 2019 gereageerd op het verweerschrift van 31 januari 2019, dat is ingebracht in de onderhavige zaak.

In Bijlage B, die gehecht is aan deze uitspraak en daarmee onderdeel uitmaakt van deze uitspraak, is een overzicht gegeven van de informatie die in de reacties in de reacties van eiser en in de zaak met kenmerk NL19.1110, naar voren is gebracht, voor zover het om nieuwe informatie gaat die niet eerder is ingebracht en niet al is weergegeven in en bijgevoegd bij de brieven van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 24 januari en 28 februari 2019.

Bij brief van 28 februari 2019 heeft de rechtbank verweerder een aantal vragen gesteld.

Verweerder heeft bij brief van 28 februari 2019 daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is mevrouw [naam 1] (documentalist en expert landeninformatie bij VWN) op verzoek van eisers verschenen. Als tolk is mevrouw D. Achmed verschenen.

De rechtbank heeft met vooraf verkregen toestemming van eisers in alle drie de beroepszaken, de zaken gelijktijdig behandeld met uitzondering van de persoonlijke omstandigheden, die de rechtbank in elke zaak afzonderlijk heeft behandeld. De gemachtigden van eisers hebben tezamen een pleitnota ingebracht en voorgehouden. De informatie die daarin is genoemd, is weergegeven in Bijlage C die is gehecht aan deze uitspraak en maakt daarmee onderdeel uit van deze uitspraak. Ter zitting is door de gemachtigden van eisers gesteld dat hetgeen zij (afzonderlijk) naar voren brengen en hebben gebracht in de verschillende zaken, over en weer als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

Het onderzoek is ter zitting van 7 maart 2019 gesloten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien, zoals door eisers is verzocht, het onderzoek te schorsen in afwachting van een waarschijnlijk eind maart 2019 nieuw te verschijnen AIDA rapport omdat eisers geen concrete aanwijzingen hebben kunnen geven over de (te verwachten) inhoud en conclusies van dit rapport.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening), is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert, ter zitting nader toegelicht, samengevat het volgende aan. Gelet op de door eiser ingebrachte informatie (onder meer rapporten, nieuwsberichten en mailberichten) kan niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan ten aanzien van Italië vanwege structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure. Eiser heeft met deze informatie onderbouwd dat ernstig moet worden gevreesd dat het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië tekortschiet, waardoor eiser een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Deze systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen blijken onder meer uit de sluiting van grote opvangcentra, zoals CARA Castelnuovo en de dreigende sluiting van andere centra, terwijl niet duidelijk is of er genoeg opvangcapaciteit is voor alle asielzoekers die in Italië nog in de asielprocedure zitten. Uit de ingebrachte informatie kan worden afgeleid dat de Italiaanse autoriteiten van plan zijn om het aantal CAS-opvangcentra te halveren en de centra die overblijven minder geld te geven. Als gevolg van de sluitingen van centra is de verwachting dat niet alle asielzoekers meer onderdak kunnen verkrijgen, terwijl zij daar wel recht op hebben. Van de asielzoekers die in 2016 en 2017 asiel hebben aangevraagd in Italië zit waarschijnlijk nog steeds een groot aantal in opvangcentra te wachten op hun beslissing, zodat niet gezegd kan worden dat de daling van instroom van asielzoekers in 2018 de druk op de centra zal verminderen. Verder stelt eiser dat uit de overgelegde informatie blijkt dat de leefomstandigheden in de zogenaamde CAS-locaties zeer slecht zijn, mede gelet op de druk die is ontstaan wegens de grote toestroom van asielzoekers en andere vreemdelingen naar Italië. Daarbij komt dat de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers in Italië beperkt is. Van belang is volgens eiser verder dat het decreet ook beperkingen oplegt aan het asielstelsel, nu de humanitaire beschermingsstatus, de belangrijkste vorm van bescherming in Italië qua aantal statusverleningen, is afgeschaft. De informatie die is ingebracht betreft (ook) nieuwe informatie van ná het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018 (het decreet) en van ná de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), zodat niet meer kan worden uitgegaan van de situatie zoals die door de Afdeling in voornoemde uitspraak is beoordeeld. Het vermoeden dat grondrechten van een asielzoeker worden geëerbiedigd in Italië is hiermee door eiser weerlegd.

Voorts stelt eiser dat verweerder, gelet op de informatie die bekend is, niet onkundig kan zijn van fundamentele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Om die reden lag het op de weg van verweerder om op zijn minst zelf een inschatting te maken van de risico’s en met eiser samen actief alle informatie te verzamelen die relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag. Dit geldt temeer wanneer verweerder gemakkelijker toegang heeft tot bepaalde informatie.

Deze onderzoeksplicht, die ook volgt uit de samenwerkingsverplichting die in asielzaken geldt, wordt niet pas geactiveerd als een asielzoeker het vermoeden dat een lidstaat de op hem rustende verplichtingen naleeft, heeft weerlegd. Eiser verwijst hiertoe onder meer naar de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (EHRM) van 21 januari 2011, JV 2011/68, M.S.S. tegen België en Griekenland, en van 4 november 2014, 29217/12, JV 2014/384, Tarakhel tegen Zwitserland en een uitspraak van het Hof van Justitie de Europese Unie van 22 november 2012, C-277/11, JV 2013/8, M.M. tegen Ierland. Verweerder heeft niet voldaan aan deze onderzoeksplicht.

Voorts verdraagt de stelling van verweerder dat eiser bij voorkomende problemen dient te klagen bij de Italiaanse autoriteiten, zich niet met de aard van de tekortkomingen.

De overdracht van eiser (zonder nader onderzoek) is concluderend in strijd met de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest.

3.1

Verweerder erkent dat de situatie van Dublinclaimanten en overige asielzoekers in Italië zorgelijk is, maar uit de voorhanden zijnde informatie volgt niet dat in Italië systematische tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verweerder verwijst hiertoe naar de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:130 en ECLI:NL:RVS:2019:129), 17 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:134), 28 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:218), 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4310) en 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131). Nagenoeg alle door eiser ingebrachte stukken dateren van vóór deze uitspraken van de Afdeling. Gezien de zeer recente oordelen in de voornoemde uitspraken van de Afdeling dat verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië, omdat niet gebleken is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen, leiden die stukken niet tot een andere conclusie. Deze stukken zijn immers daadwerkelijk al bij voornoemde jurisprudentie van de Afdeling betrokken of zien op hetzelfde tijdsbestek en betreffen rapporten over vergelijkbare gebeurtenissen. Voor zover recentere informatie is ingebracht, die dateert van na deze uitspraken, blijkt daaruit niet een wezenlijke andere situatie dan welke reeds bekend was. Met die recentere informatie zijn de gestelde structurele tekortkomingen nog immer niet aannemelijk gemaakt. Derhalve ligt het volgens verweerder niet op zijn weg om tegenbewijs te leveren. Verweerder heeft ter zitting daartoe nog betoogd dat hij aan de op hem rustende onderzoeksplicht heeft voldaan, omdat hij alle ingebrachte stukken van eiser heeft betrokken bij zijn beoordeling en daarmee ook zelf een risico inschatting heeft gemaakt in het kader van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Een verdergaande onderzoeksplicht rust niet op verweerder gelet op de inhoud van de door eiser ingebrachte informatie.

Verder heeft verweerder er op gewezen dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties. Niet gebleken is dat dat niet mogelijk is.

De beoordeling van de rechtbank

Inleiding

4. De rechtbank neemt in aanmerking de stukken die zijn ingebracht door eiser, zoals weergegeven in bijlagen A, B en C, die zoals eerder gemeld deel uitmaken van deze uitspraak. Voor zover er stukken zijn ingebracht door eiser die niet op voormelde bijlagen staan vermeld, stelt de rechtbank vast dat deze stukken van dezelfde strekking en/of aard zijn en daarmee voldoende zijn betrokken bij de beoordeling van het beroep.

4.1

Verder stelt de rechtbank vast dat als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt in beginsel op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

4.2

Voorts neemt de rechtbank de volgende overweging uit het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland als uitgangspunt:

“106. Artikel 4 van het Handvest moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten, daaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties, een asielzoeker niet aan de „verantwoordelijke lidstaat” in de zin van verordening nr. 343/2003 mogen overdragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de fundamentele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in deze lidstaat ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van deze bepaling.”

Ten aanzien van de algemene omstandigheden

5. De eerste rechtsvraag die door de rechtbank zal worden beantwoord is of reeds op basis van de ingebrachte stukken en informatie, alsmede naar voren gebrachte stellingen door eiser aannemelijk is gemaakt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

5.1

In relatie tot de voormelde rechtsvraag stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat verweerder heeft gewezen op de recente uitspraken van de Afdeling, waarin is bepaald dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat een groot deel van de informatie die thans door eiser is ingebracht uitdrukkelijk is meegewogen door de Afdeling in die uitspraken dan wel dat het informatie betreft die dateert van voor die uitspraken of informatie over vergelijkbare gebeurtenissen, zodat die informatie geen wezenlijk ander beeld schept van de situatie zoals die is beoordeeld door de Afdeling. Zo zijn de gevolgen en omzetting van het decreet naar wet uitvoerig aan bod gekomen in de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018.

5.2

Voor zover er thans informatie is ingebracht die niet uitdrukkelijk is meegewogen door de Afdeling en waarin nieuwe relevante feiten en omstandigheden naar voren komen, zoals bepaalde delen en bijlagen van de brieven van VWN van 24 januari 2019 en 28 februari 2019, blijkt daaruit (ook bezien in het licht van alle overige informatie), naar het oordeel van de rechtbank, niet van dermate aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat op grond daarvan het voornoemde risico bij terugkeer kan worden aangenomen. Dit oordeel motiveert de rechtbank als volgt.

5.2.1

Zoals ter zitting ook is vastgesteld, kan uit de ingebrachte stukken worden opgemaakt dat in totaal vier Italiaanse opvangcentra of opvanglocaties zijn gesloten: twee CARA (collectieve opvangcentra), een hotel en een tentenkamp. Er is geen informatie beschikbaar over vreemdelingen waarvan de opvang is beëindigd en hoeveel vreemdelingen zijn overgeplaatst naar andere locaties, de reden(en) daarvoor en evenmin waarnaartoe vreemdelingen zijn overgeplaatst. Uit de stukken kan verder niet worden opgemaakt dat de vreemdelingen waarvan de opvang is beëindigd, recht hebben op opvang op grond van wet- en regelgeving. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat uit het decreet volgt dat de humanitaire bescherming, (een tweejarige vergunning die wordt verleend aan vreemdelingen die niet in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus), is afgeschaft en dat deze vreemdelingen niet meer in aanmerking komen voor de opvang. Voorts is met partijen ter zitting vastgesteld dat als gevolg van het decreet eiser na overdracht in een CAS-locatie zal worden geplaatst, indien hij wordt geplaatst in de opvang. Uit de overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 19 december 2018 maakt de rechtbank voorts op dat het aantal gearriveerde asielzoekers in 2018 fors verminderd is ten opzichte van 2017 en 2016. De daling betreft ongeveer 160.000 ten opzichte van 2016 en 100.000 ten opzichte van 2017. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal asielaanvragen die in behandeling waren in 2016, 2017, 2018, hoeveel daarvan zijn afgedaan en hoeveel daarvan nog in behandeling zijn.

5.2.2

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 december 2018 geoordeeld dat in die zaak niet aannemelijk is gemaakt dat, doordat meer vreemdelingen een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties vanwege de beperking van opvang in de SPRAR, structurele tekortkomingen zullen ontstaan in de opvangomstandigheden die voor Dublinclaimanten een risico op een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM met zich brengt. Met de verwijzing naar de sluiting van de vier opvanglocaties of centra die hebben plaatsgevonden ná die uitspraak, is in het licht van de hiervoor onder 5.2.1 weergegeven vaststellingen, nog immer niet aannemelijk gemaakt dat de druk op de CAS-opvang dan wel algemene opvanglocaties zodanig is verhoogd dat een dergelijk risico thans wel aan de orde is. Het aantal sluitingen is immers beperkt, indachtig het totaal aantal ingestroomde asielzoekers in 2016, 2017 en 2018 en de forse daling van instroom in 2018. Daarmee kan de sluiting van deze opvanglocaties en centra naar het zich laat aanzien enkel beperkte gevolgen teweegbrengen voor de andere locaties. De vraag hoeveel asielaanvragen thans nog in behandeling zijn, is daarmee, anders dan is betoogd door eiser, naar het oordeel van de rechtbank niet van belang.

5.2.3

Voor zover is gesteld dat de CAS-locaties gehalveerd zullen worden, blijkt dit niet voldoende uit de ingebrachte stukken. Zo volgt uit het artikel ‘Italy’s asylum reception system crumbles’ van Devex van 12 december 2018 enkel dat een anonieme advocaat heeft verklaard dat hij verwacht dat het aantal opvangcentra zal worden gehalveerd en dat de rest minder geld zal krijgen. Verder staat er dat het ministerie dit bericht niet heeft bevestigd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om van de juistheid van deze informatie uit te kunnen gaan.

Overigens is, indien van de juistheid van die informatie dient te worden uitgegaan, nog immer niet gebleken dat de sluitingen niet gerechtvaardigd zijn op grond van wet- en regelgeving en de verandering van de feitelijke situatie, bijvoorbeeld wegens de fors lagere instroom en beëindiging van recht op opvang van een deel van de vreemdelingen. Daarvoor vindt de rechtbank steun in de door eiser overgelegde e-mailwisseling die heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019 tussen [naam 2] , ELENA coördinator, en een medewerker van VWN, waarin op de vraag: ‘Do you know about the reasons behind the closing of the CAS-locations for asylum seekers?’ door de ELENA coördinator is geantwoord: ‘The drastic reduction in afflux of asylum seekers is causing the closure of many CAS.’ Ter ondersteuning verwijst de ELENA coördinator als bron naar een site waarop de statistieken te vinden zijn. Verder is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat de vreemdelingen van wie de opvang thans is beëindigd, vreemdelingen zijn die recht hebben opvang.

5.3

Ten aanzien van de stelling van eiser dat als een Dublinclaimant de opvang eenmaal heeft verlaten, er geen recht meer bestaat op opvang en de verwijzing naar de hiervoor genoemde e-mailwisseling tussen de ELENA coördinator en een medewerker van VWN, overweegt de rechtbank in aanvulling op het voorgaande nog als volgt.

VWN stelt de volgende vraag aan de ELENA coördinator:

“Do you know what happens to Dublin returnees when being transferred back to Italy? Do they need to (re-)apply for asylum and if so, how long will the process take? Will they receive reception, medical care and legal assistance in the meantime?”

De ELENA coördinator antwoordt als volgt:

“4. The situation of dublined asylum seekers may vary a lot on their return. Depending on the stage of their application when they left and when they come back, the time occurred and so on they may need to apply, reapply, or ask to reopen the case.

Their right to reception depends on the circumstance of their previous sojour. As a general notation, if the asylum seeker left the reception centre where (s)he was hosted to leave the country, (s)he will not be entithed to asylum seekers reception facilities . If (s)he left before appliyng and so has never got reception (s)He will be entitled”

De rechtbank stelt vast dat uit het voormelde antwoord van de ELENA coördinator ter beantwoording van deze vraag niet blijkt welke bronnen door haar zijn geraadpleegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze informatie om die reden niet de waarde worden gehecht die eiser eraan gehecht wenst te zien, in de zin dat eisers stelling dat als een Dublinclaimant de opvang heeft verlaten hij/zij geen recht meer heeft op opvang, daarmee onvoldoende is onderbouwd.

5.4

Voor zover eiser heeft betoogd dat de CAS-locaties thans niet voldoen aan de minimumnormen, zoals voldoende capaciteit en hygiëne, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 19 december 2018, geoordeeld dat de opvangomstandigheden in Italië (derhalve ook de omstandigheden in CAS-locaties) geen zodanige structurele gebreken vertonen dat een risico op een behandeling in strijd met 3 van het EVRM dreigt voor Dublinclaimanten in het bijzonder. Daarbij heeft de Afdeling onder meer betrokken het artikel “New Italian law adds to unofficial clampdown on aid to asylum seekers” van Integrated Regional Information Networks (IRIN) van 7 december 2018, waaruit volgt dat niet-gouvernementele organisaties stellen dat er een patroon van schendingen van rechten van migranten in CAS-locaties is en dat het decreet de crisis zal versterken. Eiser heeft thans nieuwe informatie ingebracht, te weten e-mailwisselingen van 25 en 28 februari 2019 tussen [naam 3] , medeopsteller van het monitoringsrapport van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SRC) van 12 december 2018, en de Nederlandse advocaat mr. [naam 4] , waarin [naam 3] melding maakt van het feit dat de CAS-locaties relevante regels ten aanzien van de capaciteit en hygiëne niet respecteren. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze nieuwe informatie geen wezenlijk ander beeld dan de rapporten en berichten die de Afdeling al heeft beoordeeld, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 19 december 2018, waaruit reeds naar voren kwam dat de leefomstandigheden op CAS-locaties tekortkomingen kennen. Deze informatie brengt de rechtbank dan ook niet tot een andere conclusie.

5.5

Met betrekking tot eisers stelling dat als gevolg van het decreet asielzoekers voortaan alleen nog toegang krijgen tot gezondheidszorg in hun opvangcentrum, hetgeen betekent dat asielzoekers geen toegang meer hebben tot gespecialiseerde zorg in een ziekenhuis, overweegt de rechtbank als volgt. Niet is in geschil tussen partijen, naar de rechtbank begrijpt uit de ingenomen standpunten, dat vreemdelingen die recht hebben op opvang in Italië, in ieder geval recht hebben op toegang tot basale zorg op de locatie zelf en bij voorkomende gevallen op spoedeisende zorg/hulp in een ziekenhuis buiten de opvanglocatie. Deze mate van toegang tot zorg brengt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van vreemdelingen in de opvang die medische zorg behoeven, geen reëel risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling.

5.6

Met betrekking tot eisers beroep op het monitoringsrapport van de DRC en de SRC van 12 december 2018 stelt de rechtbank vast dat dit ziet op de situatie van kwetsbare vreemdelingen met speciale opvangbehoeften die in het kader van de Dublinverordening aan Italië zijn overdragen. Van belang is dat dit rapport een vervolg is op een eerder rapport van deze organisaties. Over dat eerdere rapport heeft de Afdeling in haar uitspraak van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971) geoordeeld dat dit geen volledig beeld geeft van de situatie in Italië. Daartoe heeft de Afdeling onder andere overwogen dat dit rapport verslag doet van een beperkt aantal gevallen en daarbij niet vermeldt of meer gevallen bekend zijn dan de in het rapport genoemde, dat een algemeen inzicht in aantallen gezinnen met minderjarige kinderen die al dan niet succesvol aan Italië zijn overgedragen ontbreekt en dat niet is vermeld of Zwitserland en Denemarken in de beschreven gevallen hebben voldaan aan hun verplichting om Italië voorafgaand aan de overdracht volledig te informeren over de specifieke behoeften van de betrokkenen (zie meer de recente beslissing van het EHRM van 7 juni 2018 H. en anderen tegen Zwitserland, 67981/16). Naar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande ook voor het door eiser genoemde vervolgrapport. Daar komt nog bij dat het rapport veelal uitgaat van de verklaringen van de vreemdelingen, zonder dat gebleken is dat de opvanglocaties zijn bezocht en ook niet of de Italiaanse autoriteiten of medische hulpverleners zijn benaderd voor verificatie van de verhalen. Als gevolg hiervan geeft het rapport geen (volledig) objectief beeld. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat uit dit rapport, los en evenmin in samenhang bezien met alle andere stukken, ook niet kan worden opgemaakt dat ten aanzien van Italië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en asielprocedure.

5.7

Ten aanzien van de verwijzing van eiser naar meerdere uitspraken van buitenlandse rechters, constateert de rechtbank dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 december 2018 de door eiser genoemde uitspraak van het Tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg van 10 juli 2018 heeft betrokken. Nu de overige uitspraken van buitenlandse rechters, zoals van het Franse Tribunal van 21 oktober 2018, van eenzelfde strekking zijn, brengen die uitspraken de rechtbank niet tot een andere conclusie, zoals hiervoor overwogen.

6. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit en het daarna gevoerde (schriftelijke en mondelinge) verweer van verweerder, in het licht bezien van de door eiser ingebrachte informatie, is de rechtbank, anders dan door eiser is betoogd, daarnaast van oordeel dat verweerder bij de door hem verrichte beoordeling niet is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht en verplichting tot samenwerking met de asielzoeker. Op basis van de beschikbare informatie is, zoals is toegelicht door verweerder ter zitting, beoordeeld of ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er geen sterke aanwijzingen zijn dat er in Italië na overdracht sprake is van een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling, die maken dat de bewijslast (volledig) naar verweerder verschuift, althans waardoor verweerder op grond van zijn onderzoeks- en samenwerkingsplicht gehouden is meer onderzoek te verrichten (zoals het verrichten van onderzoeken in Italië of bij de Italiaanse consul) dan hij heeft gedaan.

7. Verweerder heeft zich, gelet op alle voorgaande overwegingen, ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië (bijvoorbeeld vanwege discriminatie) kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties en dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden

8. Eiser heeft voorts naar voren gebracht dat hij vanwege zijn medische problematiek, te weten zijn handicap aan zijn rechterbeen, doofheid aan het linkeroor en zijn psychische problemen, als kwetsbaar aangemerkt dient te worden op grond van artikel 21 van de Opvangrichtlijn, de Werkinstructie 2015/8 en het arrest Tarakhel. In dat arrest is verwezen naar het arrest Popov tegen Frankrijk van 19 januari 2012 (ECLI:CE:ECHR:2012:0119JUD003947207), waarin aansluiting is gezocht bij de definitie van kwetsbare personen in Richtlijn 2003/9 van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten. In artikel 21 van deze Richtlijn is uitputtend bepaald dat met kwetsbare personen wordt gedoeld op minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan. Verweerder dient, gelet op eisers kwetsbaarheid, aanvullende garanties te verkrijgen alvorens hem over te dragen aan Italië.

8.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de handicap aan het rechterbeen door eiser voldoende is onderbouwd en dat vast staat dat eiser kwetsbaar is. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij extra kwetsbaar is en daarom speciale opvang- en zorgbehoeftes heeft en deze na zijn overdracht aan Italië niet zal kunnen krijgen. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van de betrokkenen in het arrest Tarakhel. Daarbij is van belang dat verweerder conform artikel 32 van de Dublinverordening Italië informeert over eisers medische omstandigheden, zodat ervan kan worden uitgegaan dat in diens zorg- en opvangbehoefte zal worden voorzien. Verweerder betwist dat eiser een kwetsbaar persoon is wegens zijn gestelde gehoor- en psychische problemen.

8.2

De rechtbank overweegt als volgt.

8.2.1

Eiser heeft geen (medische) gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde doofheid, zodat verweerder ten aanzien daarvan terecht heeft gesteld dat eiser die doofheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de gestelde psychische problemen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser lijdt aan een psychische aandoening dan wel daarvoor onder specialistische behandeling staat. De enkele doorverwijzing naar de GGZ en eisers stellingen dat er een intake heeft plaatsgevonden en een vervolgafspraak is gepland, acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel. Verweerder heeft in deze omstandigheden dan ook geen kwetsbaarheid hoeven aannemen.

8.2.2

Met betrekking tot zijn lichamelijke handicap heeft eiser toegelicht, en blijkt verder uit de nadere onderbouwing die hij zelf heeft gegeven op de zitting van 1 februari 2019, dat hij polio had toen hij jong was. Hierdoor is hij aan zijn rechterbeen verlamd geraakt als gevolg waarvan dit been minder ontwikkeld is (beenlengte verschil tussen twee benen is 6 centimeter). Toen hij jong was kon hij lopen, maar door een latere mishandeling en trauma opgelopen aan datzelfde been door een bombardement, kon hij niet meer goed lopen en is zijn been dunner geworden. Een orthopeed is speciale schoenen voor hem aan het (laten) vervaardigen. Op 2 april 2019 heeft hij een vervolgafspraak bij de orthopeed.

8.2.3

Niet in geschil is tussen partijen dat hij voormelde handicap heeft en dat hij daarom in ieder geval als een kwetsbaar persoon dient te worden aangemerkt. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806 en 11 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1258 volgt dat het arrest Tarakhel, anders dan is betoogd door verweerder, ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen dan een gezin met minderjarige kinderen, indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon mede van belang kunnen zijn. In dat geval zijn aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig om een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM uit te sluiten. Uit artikel 21 Opvangrichtlijn, waarnaar in het arrest Tarakhel is verwezen, blijkt ook dat personen met een handicap aangemerkt dienen te worden als kwetsbaar.

8.2.4.

De vraag die voorligt is of eiser, gelet op zijn specifieke handicap, aannemelijk heeft gemaakt dat aanvullende garanties in zijn geval geïndiceerd zijn, zoals het geval was in het Tarakhel arrest. Daarbij is van belang dat weliswaar aanleiding is gezien door de orthopeed om een ondersteunende beenbeugel en nieuw orthopedisch schoeisel te vervaardigen, doch niet is gesteld noch gebleken dat hij met zijn huidige voorzieningen niet in staat is om te lopen. Dat hij beperkingen kent in zijn mobiliteit (onder meer vanwege zijn huidige schoeisel, met name de beugel bij de knie, die niet goed past en daardoor ook pijn veroorzaakt) maakt, hoe vervelend ook voor eiser, niet dat verweerder hem als extra kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel had dienen aan te merken.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de door hem overgelegde stukken, noch door eerdere ervaringen in Italië aannemelijk heeft gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in dat land geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Verweerder heeft voorts met de overeenkomstig artikel 32 van de Dublinverordening voorgestelde werkwijze bij de overdracht van vreemdelingen met bijzondere behoeften voldoende gewaarborgd dat eiser ook na zijn overdracht de door hem benodigde voorzieningen zal ontvangen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ervan worden uitgegaan dat de Italiaanse autoriteiten verweerder zullen melden wanneer zij niet kunnen voorzien in de door de vreemdeling benodigde voorzieningen (zie de uitspraken van de Afdeling van 16 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:73 en 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:129).

8.2.5

Gelet hierop zijn, naar het oordeel van de rechtbank, in het geval van eiser geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig om een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM uit te sluiten. De enkele omstandigheid dat het UK Upper Tribunal in zijn uitspraak van 4 december 2018, JR/3753/2017 anders heeft overwogen, is voor de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen.

8.2.6

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de overgelegde medische stukken niet is gebleken dat de gezondheidstoestand van eiser dermate slecht is dat ernstig moet worden gevreesd dat overdracht voor hem een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest zou inhouden (zie arrest C.K. tegen Slovenië van 16 februari 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:127 en de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:560).

Ten aanzien van de algemene en persoonlijke omstandigheden

9. Dit alles brengt de rechtbank tot de eindconclusie dat de beroepsgronden niet slagen en dat verweerder de asielaanvraag van eiser derhalve terecht niet in behandeling heeft genomen, op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken door mr. S. Ok, voorzitter, en mr. W.B. Klaus en mr. L.M. Kos, leden, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier, op 28 maart 2019.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Bijlage A:

1. en 1.1. brief van VWN van 24 januari 2019 met bijlagen

2. e-mailbericht van 23 januari 2019 van Italiaanse advocaat aan VWN

3. artikel IRIN News: ‘New Italian law adds to unofficial clapdown on aid to asylum seekers’ van 7 december 2018;

4. artikel Devex: ‘Italy's asylum reception system crumbles’ van 12 december 2018;

5. nieuwsartikel Euronews: ‘Italy's second biggest reception centre for asylum seekers closed amid protest’ van 23 januari 2019;

6. nieuwsartikel The Guardian:’Italy evicts more thans 500 people from refugee centre’ van 23 januari 2019;

7. deel ESI rapport ‘The Italian Magnet’ van 13 maart 2018;

8. rapport Amnesty International 2016/2017 – ‘The state of the World's Human Rights – Italy’, van 22 februari 2017.

Bijlage B

1. Nederlandse vertaling van Italiaans nieuwsartikel van 26 oktober 2018 ‘Molte persone in condizioni di fragilità, non potendo accedere al sistema Sprar, saranno inserite in centri di accoglienza che non prevedono misure adeguate alla presa in carico delle specifiche vulnerabilità’;

2. brief van VWN van 28 februari 2019 met bijlagen;

3. monitoringsrapport van de DRC en de SRC van 12 december 2018;

4. US Departement Of State (USDOS) van 28 juni en 20 april 2018;

5. Freedom House rapport van 5 april 2018;

6. AIDA rapport van 21 maart 2018;

7. ESI rapport van 13 maart 2018;

8. rapport Amnesty International 2017/2018 – The state of the World's Human Rights – Italy, 22 februari 2018;

9. Medecins Sans Frontieres (MSF) van 8 februari 2018;

10. Human Rights Watch (HRW) van 18 januari 2018;

11. Refugee Data Project van 21 – 24 augustus 2018;

12. nieuwsartikel Public Radio International (PRI) van 1 februari 2019, ‘After ‘Salvini decree’ evictions, refugees in Italy face an uncertain future’

13. nieuwsartikel Il Fatto Quotidiano van 7 februari 2019, ‘Catania, al via lo sgombero del Cara di Mineo: trasferiti i primi 44 migranti. Sindaco: “Stato non lasci qui le macerie’,

14. nieuwsartikel ANSA van 8 februari 2019, ‘First migrants transferred from Sicily’s CARA di Mineo reception center’;

15. nieuwsartikel ANSA van 12 februari 2019, ‘Salvini announces closure of another reception center in northern Italy’;

16. nieuwsartikel Il Sole 24 ORE van 10 februari 2019, ‘Migranti: ecco le cifre dell’accoglienza in Italia’, deels in het Engels vertaald via www.deepl.com.

Bijlage C

1. nieuwsartikel Icona News van 6 maart 2019, ‘E’ iniziato lo sgombero della baraccopoli di San Ferdinando in Calabria’;

2. nieuwsartikel The Guardian van 28 februari 2019, ‘Italy's intelligence agency warns of rise in racist attacks’.