Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3134

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
NL19.5239
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak Dublin Spanje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.5239


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Jankie),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.5805, plaatsgevonden op 19 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Berhe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit EU-vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiger van Spanje te Addis Abeba, Ethiopië in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, welke geldig was van 7 augustus 2018 tot 7 september 2018. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder op 14 februari 2019 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 25 februari 2019 aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, omdat hij aan Duitsland overdragen wil worden. Hij voert daartoe aan dat hij na zijn aankomst in Spanje gelijk is doorgereisd naar Duitsland, waar hij asiel heeft aangevraagd. Spanje dient als transit te worden beschouwd. Eiser wil bovendien naar Duitsland, omdat zijn vriendin en minderjarige kind daar verblijven. In het kader van de artikelen 9 tot 11 van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) is Duitsland het meest aangewezen land om eiser aan over te dragen. Verder voert eiser aan dat in Spanje sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure. Eiser verwijst daartoe naar de volgende stukken:

- US Department of State: Country Report on Human Rights Practices 2018 –Spain, van 13 maart 2019, en;

- het artikel ‘Only one in four asylum requests are being accepted in Spain’ uit de Spaanse krant El Pais van 13 februari 2019.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is de lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, wanneer die lidstaat een vreemdeling één of meer visa heeft verstrekt die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, en hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

4.2

Niet in geschil is dat eiser op 9 augustus 2018 met gebruik van een Schengenvisum, verstrekt door de Spaanse autoriteiten, het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en dat eiser het grondgebied van de lidstaten nadien niet heeft verlaten. Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De Spaanse autoriteiten hebben het verzoek tot overname op 25 februari 2019 ook geaccepteerd. De stelling van eiser dat Spanje enkel als transit heeft gediend en daarom niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, doet aan vorenstaande niet af. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat zijn vriendin en minderjarige kind in Duitsland verblijven, niet leidt tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat eiser enig verzoek tot gezinshereniging in Duitsland heeft ingediend. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zijn vriendin al vijf jaar niet heeft gezien en gesproken. Hij heeft enkel via anderen gehoord dat zijn vriendin in München woont. Een beroep op de artikelen 9 tot 11 van de Dublinverordening slaagt dan ook niet.

4.3

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van mag uitgaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Spanje sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Spanje zijn verdragsverplichtingen ingevolge het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens hem niet na zal komen en dat bij zijn terugkeer een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De enkele verwijzing naar de onder 3. genoemde stukken is daartoe onvoldoende.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier, op 19 maart 2019.

griffier rechter

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.