Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3132

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
NL19.4085
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.4085


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.4086, plaatsgevonden op 19 maart 2019. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit Eurodac is gebleken dat eiser op

28 september 2012 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder op aan Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De Duitse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 12 februari 2019.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat Duitsland in strijd handelt met het interstatelijke vertrouwensbeginsel en hij bij overdracht het risico loopt het slachtoffer te worden van indirect refoulement.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure. Van belang is dat eiser bij overdracht aan Duitsland een herhaalde asielaanvraag moet indienen, waardoor hij geen aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het “Country rapport – Germany” van Asylum Information Database (AIDA) van november 2015, het “Country report – Germany – 2017 Update” van AIDA van 30 maart 2018 en het artikel ‘Vetes, chaos en zwendel. Wat is er mis bij de Duitse migratiedienst?’ van Trouw van 24 mei 2018.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Duitsland is aangesloten bij het EVRM en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (Vluchtelingenverdrag). In beginsel mag verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Duitsland zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Duitsland niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen ingevolge het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens hem niet na zal komen en dat bij zijn terugkeer een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Met verwijzing naar voornoemde rapporten van AIDA en het Trouw artikel heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland. In de rapportages en het krantenartikel worden weliswaar enkele aandachtspunten genoemd, maar hieruit blijkt niet dat er op grote schaal sprake is van gebrekkige besluitvorming, opvang of zorg. Evenmin bieden de AIDA-rapport en het Trouw artikel grond voor het oordeel dat eiser bij voorkomende problemen zich niet zou kunnen beklagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten.

4.3

Eisers stelling dat Duitsland handelt in strijd met zijn Verdragsverplichtingen omdat bij een herhaalde asielprocedure in het geheel geen aanspraak gemaakt kan worden op gefinancierde rechtsbijstand, kan niet worden gevolgd. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan.

4.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat, indien en voor zover Duitsland zich niet zou houden aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn, verweerder onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak K.R.S. t. het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (zaaknummer 32733/08, JV 2009/41), terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten of de geëigende instanties.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.