Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3116

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
NL19.2128
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag Afghanistan, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.2128


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).


Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.2129, plaatsgevonden op 21 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.

2. Eiser heeft op 14 november 2015 een eerste asielaanvraag ingediend.

Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 juli 2016 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 21 november 2016 van de rechtbank Den Haag, zittinghoudende te Arnhem, ongegrond verklaard. Er is tegen de uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

3. Op 8 januari 2018 heeft eiser onderhavige, tweede asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft eiser de volgende documenten overgelegd om zijn Afghaanse nationaliteit te onderbouwen:

- een verklaring van de Afghaanse ambassade van 14 september 2017;

- een verklaring van de Afghaanse ambassade van 21 september 2017;

- een brief van de gemeente Dronten van 26 oktober 2016.

4. Verweerder heeft de volgende elementen uit het asielrelaas van eiser relevant geacht:

1. Eiser heeft verklaard Mohsen [eiser] te zijn, geboren op [geboortedatum] 2000, de Afghaanse nationaliteit te hebben en tot de Hazara bevolkingsgroep te horen;

2. Eiser heeft verklaard dat hij op tweejarige leeftijd met zijn ouders vanuit Afghanistan naar Iran is gevlucht, omdat de Taliban oorlog voerden in Afghanistan. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet welke problemen zijn ouders hebben ondervonden in Afghanistan en wie erbij betrokken waren;

3. Eiser heeft verklaard dat hij Iran heeft verlaten, omdat zijn vader werd gezocht door de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat de Iraanse autoriteiten zijn vader naar Syrië wilden sturen om aldaar te vechten. Volgens eiser zijn dientengevolge gegevens en foto’s van hem en zijn familie bekend bij de Iraanse autoriteiten, waardoor hij niet terug kan naar Iran.

De verklaringen van eiser over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst worden door verweerder geloofwaardig geacht. Ook worden de verklaringen van eiser over de vlucht van zijn ouders uit Afghanistan geloofwaardig geacht. Gelet op de Afghaanse nationaliteit van eiser, heeft verweerder enkel getoetst aan Afghanistan. De gestelde problemen van eiser in Iran zijn derhalve niet in de beoordeling meegenomen.

5. Verweerder heeft de herhaalde asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn Hazara achtergrond te vrezen heeft voor vervolging in Afghanistan.

6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Nu zijn nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht heeft ten onrechte geen herbeoordeling plaatsgevonden van de situatie ten tijde van de eerste asielaanvraag van eiser. Verweerder gaat ten onrechte uit van een ex-nunc toets. Eiser verwijst hierbij naar artikel 40, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Bij een geloofwaardige herkomst zou eiser op grond van het toenmalige beleid een verblijfsvergunning hebben gekregen. Dan wel vanwege zijn minderjarigheid, dan wel op grond van het toenmalige beleid over Afghanistan. Verder merkt eiser op dat de datum van indiening van de aanvraag bepalend zou moeten zijn voor de beoordeling van zijn leeftijd. Ten tijde van de herhaalde aanvraag was eiser nog minderjarig. Subsidiair stelt eiser dat hij ondanks zijn leeftijd van 19 jaar als minderjarige moet worden beschouwd.

In de aanvullende beroepsgronden stelt eiser dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser inmiddels een dusdanig verslechterde situatie is ontstaan in Afghanistan, dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van 17 februari 2009 van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de zaak Meki Elgafaji (ECLI:EU:C:2009:94; hiema: het arrest Elgafaji) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:241).

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915 en ECLI:NL:RVS:2018:979) volgt dat, hoewel de veiligheidssituatie in sommige provincies zorgelijker is dan in andere, in Afghanistan geen sprake is van een situatie waarbij een burger die in het geheel niet verbonden is met één van de strijdende partijen louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op een bedreiging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw.

Het is gelet op deze stand van zaken in Afghanistan aan eiser om aannemelijk te maken dat er voor hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin rechtvaardigen. Hierin is eiser niet geslaagd, nu hij heeft verklaard dat hij in Afghanistan geen persoonlijke problemen heeft ondervonden. Uit niets blijkt dat eiser zelf problemen heeft ondervonden vanwege zijn Hazara achtergrond. Dat de ouders van eiser zijn gevlucht vanwege hun Hazara achtergrond maakt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat hij tot de Hazara bevolkingsgroep behoort. De algehele situatie in Afghanistan is immers niet zodanig dat vreemdelingen die behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Daarbij komt dat uit het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van juni 2018 blijkt dat Bamyan, de provincie waaruit eiser afkomstig is, een relatief veilige provincie is waar voornamelijk Hazara’s wonen. Eiser is daarom niet afkomstig uit een gebied waar de Hazara’s een etnische en/of religieuze minderheid zijn die ernstige problemen ondervinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in samenhang bezien met vorenstaande, deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser op grond van zijn persoonlijke situatie dan wel individuele asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loop op ernstige schade. De enkele feit dat eiser een alleenstaande jonge man is, is daartoe onvoldoende.

7.2

De stelling van de gemachtigde van eiser ter zitting dat verweerder een gebied moet aanwijzen waarnaar eiser kan terugkeren, zodat de gemachtigde daarop zijn beroepsgronden kan inrichten, kan niet worden gevolgd. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser terug kan keren naar Afghanistan, het is dan vervolgens aan eiser om uit te leggen waarom dat niet kan, hetgeen in dit geval onvoldoende is gebeurd.

7.3

De stelling van eiser dat hij reeds een asielvergunning had moet krijgen op basis van het beleid dat gold ten tijde van zijn eerste aanvraag, omdat zijn nationaliteit, identiteit en herkomst nu wel geloofwaardig worden geacht, slaagt niet. De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat uit artikel 40, eerste lid, van de Procedurerichtlijn niet volgt dat verweerder bij nieuwe elementen bij de herhaalde aanvraag gebonden is toetsen aan het beleid dat gold ten tijde van de eerste aanvraag. Artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn, bevat bovendien de verplichting voor de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken tot een volledig en ex-nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat een beroep op het beleid voor alleenstaande minderjarigen eiser niet meer toekomt, omdat hij inmiddels meerderjarig is. De rechtbank ziet voorts geen redenen om eiser als minderjarige aan te merken. Ook het beroep op het toenmalige beleid over Afghanistan slaagt gelet op de ex-nunc toets niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.