Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7378
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning voor verblijf bij moeder afgewezen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging wat betreft verzoeksters privéleven in haar nadeel uitvalt. Beroep ongegrond, vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/7378; AWB 19/496

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], verzoekster, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.H.E. Wanrooij),

tegen

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor “verblijf bij moeder, mevrouw [referente] (referente)” afgewezen. Daarbij heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat zij Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 24 december 2018 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is verschenen referente. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Verzoekster heeft van 19 februari 2002 tot 19 februari 2003 een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Daarna is verzoekster teruggekeerd naar Suriname. Op 15 juni 2018 heeft verzoekster een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend met als doel verblijf bij haar moeder.

3. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat zij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De uitzetting van verzoekster is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is ook niet onevenredig hard.

4. Verzoekster voert aan dat haar uitzetting uit Nederland onrechtmatig is. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van voortgezet verblijf, omdat zij van 19 februari 2002 tot 19 februari 2003 een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad. Omdat verzoekster dagelijks getuige was van ruzie tussen haar ouders is ze teruggekeerd naar Suriname, waar ze in de woning van haar vader verbleef. Verder heeft verzoekster gesteld dat haar aanvraag toegewezen dient te worden, omdat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verzoekster heeft een morele zorgplicht jegens haar moeder en overige familieleden. Volgens verzoekster is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen haar en haar moeder. Verder betoogt verzoekster dat het gezinsleven niet in Suriname kan worden uitgeoefend, omdat haar moeder in Nederland arbeidsverplichtingen heeft en haar overige familieleden legaal in Nederland verblijven.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van voortgezet verblijf. Daartoe is redengevend dat verzoekster na verloop van de verblijfsvergunning, die gold van 19 februari 2002 tot 19 februari 2003, Nederland heeft verlaten en haar hoofdverblijf heeft verplaatst. Daarnaast is onderhavige aanvraag niet binnen een redelijke termijn van 2 jaar ingediend. Voor eiseres geldt derhalve het mvv-vereiste.

5.2

Niet in geschil is dat verzoekster privéleven uitoefent in Nederland. Evenmin is in geschil dat verzoekster niet beschikt over een geldige mvv.

5.3

Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt van het vereiste van een mvv vrijgesteld de vreemdeling wiens uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

5.4

Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1417), volgt uit onder meer de arresten van het EHRM van 17 februari 2009, Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907, paragraaf 45, en van 12 januari 2010, A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606, paragraaf 32, dat voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen sprake moet zijn van 'more than normal emotional ties', tenzij de meerderjarige kinderen jongvolwassen zijn en nog geen eigen gezin hebben gesticht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden gesteld dat in het geval van verzoekster en haar moeder geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Verzoekster heeft voor haar komst naar Nederland 16 jaar zelfstandig gewoond in Suriname, niet valt in te zien waarom zij daar niet weer kan wonen. Dat de vader van verzoekster zijn woning heeft verkocht (om hem direct weer door te verkopen omdat hij geld nodig had) en verzoekster daarom die woning moest verlaten maakt dat niet anders. Van een volwassen vrouw kan verwacht worden dat ze zelfstandig voor huisvestiging kan zorgen. Verder heeft verzoekster niet aangetoond dat zij voor haar komst naar Nederland op enige wijze afhankelijk was van referente. Uit de verklaring van eiseres dat zij financieel werd onderhouden door referente volgt niet dat zij niet zelfstandig kan functioneren en beslissingen kan nemen en in haar eigen onderhoud kan voorzien. Ook is niet gebleken dat verzoekster wegens medische omstandigheden afhankelijk is van de zorg van haar moeder. Niet valt in te zien waarom de morele steun tussen verzoekster en haar moeder niet op afstand zou kunnen worden verleend, zoals de afgelopen 16 jaar.

Dat eiseres ook zorg besteedt aan het gezin van haar tante is voor de beoordeling gelet op het toetsingscriterium (r.o. 5.4) niet relevant – nog daargelaten dat zij deze zorg en de noodzaak daartoe niet objectief heeft onderbouwd.

5.5

Zoals volgt uit de jurisprudentie van het EHRM (Onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99) en de Afdeling (Onder meer de uitspraak 13 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527) moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven een ‘fair balance’ worden gevonden tussen het belang van eiser enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

5.6

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging wat betreft verzoeksters privéleven in haar nadeel uitvalt. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat verzoekster Nederland is ingereisd met een visum voor kort verblijf. Zij heeft daarna een verblijfsvergunning aangevraagd, waardoor ze oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het visum voor kort verblijf. De omstandigheden dat verzoekster tijdens haar rechtmatige verblijf in Nederland heeft gewerkt en lid is van een Surinaamse kerkelijke gemeenschap leiden er niet toe dat haar banden met Nederland zo sterk zijn, dat zij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Zeker niet nu de arbeidsperiode – ruim zestien jaar geleden - maar anderhalve maand betrof en verzoekster haar geloof ook in Suriname kan belijden.

Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoekster nog privéleven in Suriname heeft of dat in ieder geval weer kan opbouwen. Zij heeft immers het grootste deel van haar leven, 33 jaar, in Suriname gewoond en is bekend met de taal en cultuur. Van verzoekster, een volwassen vrouw, mag dan ook verwacht worden dat zij zich zelfstandig weet te handhaven en zelf voor huisvesting zorgt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van objectieve en subjectieve belemmeringen om het privéleven in Suriname uit te oefenen. De beroepsgronden slagen dus niet.

5.7

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding hoeft te worden gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

5.8

De Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) is niet van toepassing omdat deze richtlijn is geïmplementeerd in het door verweerder gehanteerde beleid en omdat met de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM door verweerder invulling is gegeven aan de verplichtingen die hieruit voortvloeien.

6. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb ongegrond verklaard.

7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond.

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.