Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3093

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6694
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo hangende bezwaar, geen sprake van gezinsleven tussen verzoeker en referente. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij de biologische vader is van zijn gestelde dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/6694

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),

tegen

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2019 (het primaire besluit] heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’, afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting aanwezig mevrouw [referente] (referente). Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening, nu hij niet rechtmatig meer in Nederland verblijft en uit Nederland kan worden verwijderd.

3. Bij de beoordeling acht de voorzieningenrechter van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 9 mei 2018 heeft verzoeker onderhavige aanvraag ingediend met als doel verblijf bij zijn gestelde partner, mevrouw [referente].

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder heeft de uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het EVRM geacht, omdat verzoeker het familieleven met zijn gestelde partner en kind niet heeft aangetoond en niet is gebleken van een privéleven van verzoeker in Nederland.

6. Verzoeker kan zich niet verenigen met het primaire besluit en stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet op grond van artikel 8 van het EVRM is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Tussen verzoeker en zijn partner en kind is sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De partner van eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft voldoende middelen van bestaan.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.1

Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat geen sprake is van gezinsleven tussen verzoeker en referente. Verweerder heeft daartoe mogen overwegen dat verzoeker en referente elkaar in december 2017 online hebben leren kennen. Op 18 januari 2018 hebben zij elkaar voor het eerst ontmoet. Vervolgens hebben zij de relatie online en via WhatsApp onderhouden. Op basis van deze informatie en de door verzoeker overgelegde stukken - nog daargelaten dat deze niet afkomstig zijn van objectieve bronnen - heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een partnerrelatie die wordt ingevuld op een wijze vergelijkbaar met een huwelijk. Niet is gebleken dat verzoeker en referente samenwonen, een gezamenlijk huishouden voeren of wederzijds (financieel) van elkaar afhankelijk zijn.

7.2

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij de biologische vader is van zijn gestelde dochter. Verzoeker heeft ten aanzien van de relatie met zijn gestelde dochter geen officiële familierechtelijke documenten overgelegd. Hij heeft enkel aangegeven dat hij bezig is met een erkenningsprocedure, maar dat schiet volgens hem niet op want de moeder, [moeder], doet moeilijk met het geven van toestemming voor de erkenning. Verweerder heeft daarom terecht overwogen dat geen sprake is van bewijsnood. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat op grond van het door verzoeker overgelegde DNA rapport van 30 maart 2018, dat is opgesteld door DNA Diagnostics Center, niet kan worden aangenomen dat [A] de biologische dochter is van verzoeker. Hiertoe is redengevend dat een DNA-onderzoek moet zijn verricht door een laboratorium dat geaccrediteerd is voor het verrichten van een DNA verwantschapsonderzoek bij de Nederlandse Raad voor Accreditatie. De gedachte achter een dergelijke accreditatie is dat wordt gewaarborgd dat de totstandkoming van een DNA-verwantschapsprocedure voldoende inzichtelijk is. DNA Diagnostics Center staat bij de Nederlandse Raad voor Accreditatie niet op de lijst als geaccrediteerd laboratorium. Uit de stukken die in dit verband zijn overgelegd en ook uit de toelichting die ter zitting door de gemachtigde van eiser is gegeven, blijkt onvoldoende duidelijk hoe de identificatie van eiser en zijn gestelde dochter vóór afname van het DNA-materiaal heeft plaatsgevonden en blijkt ook niet hoe de verzending van het materiaal heeft plaatsgevonden. Dit maakt dat de totstandkoming van deze DNA‑verwantschapsprocedure niet inzichtelijk is. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan het overgelegde DNA‑onderzoek van DNA Diagnostics Center niet de waarde kan worden gehecht die eiseres eraan gehecht wenst te zien. De stelling ter zitting van de gemachtigde van verzoeker dat DNA Diagnostics Center wel geaccrediteerd is, is niet onderbouwd en kan niet tot een ander oordeel leiden.

7.3

Verzoeker heeft verder op geen enkele wijze onderbouwd dat er sprake is van privéleven in Nederland. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat de uitzetting van verzoeker niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

8. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van de overgelegde gegevens het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

9. Gelet op het voorgaande, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.