Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3060

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
NL19.131
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin, Zwitserland, Eritrese asielzoeker, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.131


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Zwiers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.132, plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is van gestelde Eritrese nationaliteit. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] . Op 12 april 2017 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiser op 14 juli 2015 een verzoek om internationale bescherming in Zwitserland heeft ingediend. Op basis van een door de Zwitserse autoriteiten aanvaard terugnameverzoek is eiser op 2 oktober 2017 door Nederland overgedragen aan Zwitserland. Op 27 maart 2018 is eiser in Zwitserland opnieuw toegelaten tot de asielprocedure.

2. Op 17 oktober 2018 heeft eiser in Nederland een herhaald asielverzoek ingediend. Verweerder heeft de Zwitserse autoriteiten op 29 oktober 2018 opnieuw gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening1. Zwitserland heeft dit verzoek op 30 oktober 2018 aanvaard. Verweerder heeft vervolgens de herhaalde aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is.

3. Eiser verzet zich tegen overdracht omdat hij bij terugkeer naar Zwitserland het risico loopt op indirect refoulement. Eiser voert aan dat hij Eritrea illegaal heeft verlaten, wat betekent dat hij in Nederland voor een asielvergunning in aanmerking zou komen.

Het Zwitserse beleid is echter anders: de Zwitserse autoriteiten hebben eisers asielaanvraag afgewezen. Gelet hierop kan ten aanzien van Zwitserland niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

4. De rechtbank is van oordeel dat Zwitserland zich met het expliciete claimakkoord heeft verplicht om eisers asielverzoek inhoudelijk te behandelen. Dit volgt uit artikel 18 van de Dublinverordening. Nu ook op Zwitserland de verplichtingen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM2 en de verschillende richtlijnen voor asielzoekers rust, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat bij overdracht van eiser aan Zwitserland geen sprake is van (indirect) refoulement. Bovendien blijkt uit de uitspraak van het Zwitserse Bundesverwaltungsgericht van 17 augustus 2017 dat Eritrese asielzoekers niet naar Eritrea kunnen worden uitgezet3.

5. Verder overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van Eritrese asielzoekers, niet maakt dat moet worden geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Zwitserland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgegaan. Eiser heeft in Zwitserland een effectief rechtsmiddel en niet gebleken is dat eiser gepoogd heeft beroep in te stellen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Bij ongegrondverklaring van zijn beroep had hij verder een klacht kunnen indienen bij het EHRM4. Voor zover daadwerkelijk uitzetting naar Eritrea zou dreigen, had de weg van de voorlopige maatregel (interim measure) kunnen worden gevolgd. Nu Zwitserland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag heeft aanvaard, staat deze rechtsgang (opnieuw) voor eiser open.

6. Het beroep op humanitaire aspecten faalt eveneens, omdat dit niet is onderbouwd.

7. Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 7 februari 2019.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Rechtsoverweging 19 van de uitspraak van 17 augustus 2017 van het BVG, nummer D-2311/2016

4 Europees Hof voor de Rechten van de Mens