Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3056

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
NL18.25085
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen kwetsbaar persoon, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.25085

V-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Zwiers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.25086, plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is van gestelde Nigeriaanse nationaliteit. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 16 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.

2. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser op 10 april 2009 en 2 april 2013 een verzoek om internationale bescherming in Italië heeft ingediend. Nederland heeft dan ook bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening1 staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek. Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.

3. Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat er sprake zou zijn van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser beroept zich in dat verband op het gezamenlijke rapport "Mutual trust is still not enough" van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council van 12 december 2018.

4. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 19 december 20182 heeft geconcludeerd dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft bij zijn besluitvorming het gezamenlijke rapport “Is mutual trust enough?” van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council van 9 februari 2017 betrokken. Het is daarom de vraag of uit het rapport van 12 december 2018 een wezenlijk ander beeld naar voren komt. De rechtbank is van oordeel dat hiervan niet gebleken is, zodat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het rapport van 12 december 2018 betrekking heeft op kwetsbare asielzoekers en dat niet gebleken is dat eiser een kwetsbaar persoon is.

5. Het beroep op humanitaire aspecten faalt eveneens, omdat dit niet is onderbouwd.

6. Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 7 februari 2019.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 ECLI:NL:RVS:2018:4131