Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:3042

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
NL19.2051
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk. Zienswijze niet onderkend. Toepassing artikel 6:22 Awb. Claimakkoord. Verantwoordelijkheid Franse autoriteiten. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.2051


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL19.2052, plaatsgevonden op 28 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.S. Hathie-Akkal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te bezitten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Naar aanleiding van een registratie in het Eurodac-systeem van een eerdere asielaanvraag in Duitsland heeft verweerder de Duitse autoriteiten aangeschreven. Die hebben meegedeeld dat zij de autoriteiten van Frankrijk verantwoordelijk achten voor eisers asielaanvraag. De autoriteiten van Frankrijk hebben uiteindelijk een terugnameverzoek geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiser voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte zijn zienswijze niet heeft onderkend. Eiser heeft onderbouwd dat hij op 14 januari 2019 een zienswijze aangetekend per post heeft verzonden naar het door verweerder bij het voornemen opgegeven postbusadres. Eiser heeft ook onderbouwd dat deze zienswijze door PostNL aan hem retour is gezonden omdat de betreffende postbus zou zijn opgeheven.

5. Gelet hierop ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de zienswijze niet is ontvangen. Daarin is verweerder niet geslaagd door desgevraagd ter zitting te verklaren niet met zekerheid te kunnen zeggen of het op het voornemen opgenomen postbusadres nog in gebruik is.

6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid voor zover eisers zienswijze daarbij niet is betrokken. Dit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt echter vast dat eiser de argumenten die hij in de zienswijze naar voren had willen brengen eerder in zijn gehoor heeft geuit en dat verweerder deze al bij het opstellen van het voornemen heeft betrokken. Eiser is dan ook door het gebrek in het besluit niet benadeeld. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser dit ter zitting ook bevestigd. De rechtbank passeert daarom dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

7. Verder betwist eiser dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Daarbij wijst hij erop dat er bij het terugnameverzoek aan de autoriteiten van Frankrijk geen bewijs is gevoegd dat hij daadwerkelijk in Frankrijk heeft verbleven en dat er geen sprake is van een Eurodac-registratie van een eerdere asielaanvraag in Frankrijk.

8. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan niet in weerwil van het door de autoriteiten van Frankrijk afgegeven claimakkoord aannemelijk is gemaakt dat zij niet voor eisers asielaanvraag verantwoordelijk zijn.

9. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de behandeling van zijn asielaanvraag niet aan zich heeft getrokken. Eiser stelt dat in Frankrijk sprake is van een tekort aan opvangplaatsen voor asielzoekers, zodat het onzeker is of hij daadwerkelijk (opnieuw) zal worden toegelaten tot de asielprocedure in Frankrijk en daarbij opvangvoorzieningen zal genieten. Eiser wijst hierbij op het rapport ‘Country Report: France, 2017 Update’ van AIDA van februari 2018, in het bijzonder pagina 17.

10. Ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit brengt met zich dat slechts van overdracht zou moeten worden afgezien als sprake zou zijn van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat daarvan in Frankrijk geen sprake is. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser hierover indien nodig in Frankrijk dient te klagen en dat niet aannemelijk is dat dit voor hem niet mogelijk is nu hij daartoe eerder geen pogingen heeft ondernomen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Omdat toepassing is gegeven aan artikel 6:22 van de Awb moet verweerder worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting ter waarde van € 512,- per punt en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ongegrond;

 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.024,- (duizendvierentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.