Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
C/09/519216 / HA ZA 16-1122
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WION; Richtlijn CROW 250; verkeersolpvattingen; lokaliseerplicht grondroerder; overleg met netbeheerder over vastleggen van precieze ligging van leiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/519216 / HA ZA 16-1122

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

WESTLAND INFRA NETBEHEER B.V.,

te Poeldijk,

eiseres,

advocaat mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen

[B.V. I] ,

te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Goedhart te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Westland Infra en [B.V. I] (mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 11 juli 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het tussenvonnis van 27 juli 2018, waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2018, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het met hun toestemming buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal van comparitie. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Westland Infra is netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet en de Gaswet met betrekking tot de netten in onder meer Maasland, dat onderdeel uitmaakt van de gemeente Midden-Delfland.

2.2.

[B.V. I] is een aannemingsbedrijf gespecialiseerd in de grond -, weg -, en waterbouw. [B.V. I] heeft in 2014 met de gemeente Midden-Delfland een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de realisatie van vijf betonnen bruggen in een nieuwe woonwijk in Maasland. De overige infrastructuur voor deze nieuwe woonwijk (wegen, leidingen, kabels et cetera) waren al gerealiseerd.

2.3.

Voor het heiwerk voor brug nr. 3, het slaan van acht heipalen op locatie Boskamp thv nr. 51 (hierna: de heiwerkzaamheden), heeft [B.V. I] onderaannemer [B.V.X] ( [B.V.X] ) ingeschakeld. In de watergang waar de heiwerkzaamheden moesten plaatsvinden ligt een lagedruk gasleiding van Westland Infra (hierna: de gasleiding). De gasleiding is gelegen in een gestuurde boring dwars onder de watergang in de vaste bodem. In hetzelfde tracé liggen meerdere gestuurde boringen. De acht heipalen waren in twee rijen van vier heipalen dwars op dit tracé gepland, als fundament van de te bouwen brug over de watergang.

2.4.

Voorafgaand aan de heiwerkzaamheden heeft [B.V. I] een KLIC-melding gedaan. Bij brief van 9 april 2014 van het Kadaster heeft [B.V. I] tekeningen gekregen waarop de theoretische ligging is weergegeven van de gasleiding en van de overige gestuurde boringen in het gebied. Op de themakaart van de gasleiding zijn de contactgegevens van Westland Infra en de toezichthouder vermeld.

2.5.

Om en nabij de locatie waar de heipalen geslagen dienden te worden heeft [B.V. I] gezocht naar de gasleiding, maar deze niet aangetroffen. Op grond van een door [B.V. I] ontvangen revisietekening van de gasleiding van 15 maart 2006 (waarop staat vermeld ‘bovenaanzicht niet op schaal’) heeft [B.V. I] geconcludeerd dat de gasleiding ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden enkele meters diep onder de watergang was gelegen en dat de ligging ter plaatse niet met proefsleuven kon worden bepaald.

2.6.

[B.V. I] heeft aan de hand van de tekeningen in- en uittredepunten van de gasleiding aan weerszijden van de watergang gelokaliseerd door middel van het graven van proefsleuven. De afstand tussen deze proefsleuven bedroeg ongeveer 30 á 40 meter.

2.7.

Op basis van de aangetroffen in - en uittredepunten van de gasleiding en de theoretische ligging van de gasleiding in de KLIC-tekeningen en revisietekeningen heeft [B.V. I] aangenomen dat de gasleiding aanwezig moet zijn in een rechte lijn tussen het aangetroffen in - en uittredepunt. Aan de hand hiervan heeft [B.V. I] een al opgesteld palenplan gewijzigd. In het gewijzigde palenplan is rekening gehouden met de verwachte ligging van de gasleiding en heeft [B.V. I] een marge tussen de heipalen en de verwachte ligging van de gasleiding in acht genomen van 0,75 m.

2.8.

Na het uitvoeren van de heiwerkzaamheden door [B.V.X] op 16 september 2014 heeft de voorman van [B.V. I] een gaslucht geroken en daarvan melding gemaakt.

2.9.

In een schadeformulier van Westland van 17 september 2014 (het schadeformulier van 17 september 2014) staat onder meer:

17/9/14 12:00u: gesproken met dhr [A] - telefonisch - hij laat weten proefsleuven te hebben gemaakt waar volgens tekening de gestuurde boring zich bevindt. Daarmee is in rechte lijn bepaald waar vermoedelijke loop van boring is. Volgens [A] is vooraf door opdrachtgever (gemeente Midden-Delfland) met nutspartijen uitvoerig overleg gepleegd inzake dit werk. Dhr [A] laat weten dat geen van de nutspartijen bereid was aan te duiden waar exact de gestuurde boring zich bevond. Dhr [A] is van mening er alles aan te hebben gedaan om zorgvuldig te werken: KLIC graaf melding, proefsleuven bij de koppen v/d gestuurde boring. (…)

Schade veroorzaakt in namiddag 16/9/2014. Bij aankomst van WI monteurs (op 16/9) gingen de werklui juist weg. Ze waren niet geneigd om even te helpen met het verwijderen van rijplaten etc. Opname op verzoek van [B] (WI) op 17/9/2014. Schade is veroorzaakt bij heiwerk in watergang tbv bouw fundering brug. De gasleiding (gestuurde boring) is in de watergang met heiwerkzaamheden naar beneden gedrukt. Aan beide zijden v/d waterkant is de leiding uit de verbindingsmoffen getrokken zodat aan beide zijden gasuitstroom is veroorzaakt.

2.10.

Bij brief van 18 september 2014 heeft Geko Infraschade, daarbij optredend namens Westland Infra, [B.V. I] aansprakelijk gesteld en onder meer geschreven:

Op 16-9-2014 is geconstateerd dat bij werkzaamheden die onder uw verantwoordelijkheid werden uitgevoerd, schade is ontstaan aan een gasleiding van cliënte. Het gaat om de locatie Maasland Boskamp thv. nr. 51.’

3 Het geschil

3.1.

Westland Infra vordert samengevat - veroordeling van [B.V. I] tot betaling van € 31.632,06, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Aan haar vordering legt Westland Infra ten grondslag dat [B.V. I] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, door bij de werkzaamheden van [B.V. I] schade toe te brengen aan een gasleiding die bij Westland Infra in beheer is. De herstelkosten beliepen in totaal

€ 29.379,78. De schade is aan de schuld van [B.V. I] te wijten omdat [B.V. I] onvoldoende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van schade aan de gasleiding heeft getroffen. Ingevolge de Wet informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) rust op [B.V. I] als grondroerder een lokaliseerplicht om de werkelijk ligging van leidingen in het veld vast te stellen. Deze plicht heeft [B.V. I] geschonden door heipalen te (doen) plaatsen op basis van aannames van de ligging, zonder de precieze ligging van de gasleiding te lokaliseren en zonder in overleg te treden met Westland Infra, althans zonder het palenplan aan Westland Infra voor te leggen. In het uitgevoerde palenplan is onvoldoende afstand ingebouwd tot de op basis van tekeningen aan te nemen theoretische ligging van de gasleiding. [B.V. I] heeft aldus gehandeld in strijd met de Richtlijn zorgvuldig graafproces (publicatie CROW 250) (de Richtlijn).

3.3.

[B.V. I] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Feitelijke toedracht

4.1.

In geschil is óf, zoals Westland Infra stelt, de gasleiding door de heiwerkzaamheden is beschadigd.

4.2.

Westland Infra heeft de feitelijke toedracht als volgt onderbouwd. Op 16 september 2014 heeft [B.V.X] in opdracht van [B.V. I] acht heipalen in de grond geheid. [A] , voorman bij [B.V. I] , heeft daarna ter plaatse een gaslucht geroken en daarvan melding gemaakt. Op 17 september 2014 heeft Westland Infra de locatie onderzocht voor een storingsanalyse, onder meer door de gasleiding in de gestuurde boring open te leggen op de plaats waar deze van onder de watergang weer aan de oppervlakte komt en is aangesloten met mofverbindingen. Westland Infra heeft tijdens deze storingsanalyse foto’s gemaakt, deze foto’s in de procedure overgelegd (productie E26) en van de volgende toelichting voorzien (akte 20 december 2017, nr 15 e.v.). Op de foto’s 1, 2 en 3 is de mofverbinding te zien en is de gasleiding niet (meer) zichtbaar. Op deze foto’s en op foto 4 is de zandomtrek te zien waar voorheen de gasleiding heeft gezeten. Aan de hand van een dwarsprofiel heeft Westland Infra toegelicht dat een heipaal die op de gestuurde boring is geslagen de boring heeft meegenomen en de gasbuis een stuk (‘meters’) de grond heeft ingetrokken. Daarbij is de gasleiding uit de mofverbinding getrokken, aldus Westland Infra.

4.3.

[B.V. I] heeft deze toedracht weersproken. Bij de foto’s is niet vermeld waar en wanneer ze gemaakt zijn. Ook de toelichting van Westland Infra op deze foto’s heeft [B.V. I] betwist. Volgens [B.V. I] zijn ook alternatieve schadeoorzaken mogelijk. De aansluiting van de mof kan ondeugdelijk zijn geweest bijvoorbeeld als gevolg van druk die op de bovenliggende grond is gelegd. Door verdichting van de bovengrond kan het zijn, zoals Westland Infra ook zelf heeft gezegd, dat een gaslek pas later aan het licht komt. In de nieuwbouwwijk zijn eerder tal van bouwactiviteiten verricht die tot de schade aan de gasleiding hebben kunnen leiden. De enkele omstandigheid dat het gaslek werd ontdekt daags na het afronden van de heiwerkzaamheden heeft geen betekenis, aldus [B.V. I] .

4.4.

De rechtbank stelt vast dat het schadebeeld op de foto’s en de toelichting van Westland Infra op dat schadebeeld overeenkomt met het schadebeeld zoals dat daags na de heiwerkzaamheden is omschreven in het schadeformulier van 17 september 2014 (zie 2.8.): de gasleiding is naar beneden gedrukt en uit de mofverbinding geschoten. In dat licht is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan dat de overgelegde foto’s het op 17 september 2014 aangetroffen schadebeeld weergeven. Het enkele verweer van [B.V. I] dat de foto’s niet vermelden waar en wanneer ze gemaakt zijn legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Westland Infra heeft voorts overtuigend toegelicht dat (alleen) een heipaal die op de gasleiding wordt geslagen het beeld op de foto’s kan verklaren, namelijk dat de gasbuis/gasleiding door die kracht een flink stuk de grond in is getrokken en dat daarom op de foto’s van de mofverbinding de gasbuis/ gasleiding niet zichtbaar meer is, maar alleen de zandomtrek waar voorheen de gasleiding heeft gelegen. Die toelichting van Westland Infra heeft [B.V. I] niet met voldoende concrete feiten weerlegd. [B.V. I] betoogt weliswaar dat er alternatieve schadeoorzaken mogelijk zijn, onder meer omdat er in de nieuwbouwwijk tal van bouwactiviteiten zijn verricht, waardoor druk op de gasleiding kan zijn uitgeoefend, maar noemt geen enkele concrete, alternatieve en plausibele omstandigheid die tot een vergelijkbaar schadebeeld op de foto’s zou kunnen leiden: een gasleiding die (meters) uit de mofverbinding is losgeraakt en in de grond is verdwenen.

4.5.

De rechtbank houdt het er daarom voor dat een van de acht heipalen op de gestuurde boring is geslagen, waarbij de gasleiding de grond is ingetrokken als gevolg waarvan schade aan de gasleiding is ontstaan.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat niet kan worden vastgesteld wélke van de acht heipalen de schade heeft veroorzaakt. Dat staat, zoals hierna zal worden toegelicht, niet in de weg aan de beoordeling of [B.V. I] een rechtsnorm heeft geschonden.

geschonden norm

4.7.

Westland Infra verwijt [B.V. I] dat hij zijn zorgplicht als grondroerder op grond van de WION en de daarop gebaseerde Richtlijn heeft verzaakt. [B.V. I] heeft in de voorbereidingsfase fouten gemaakt door - samengevat - (foutieve) aannames te doen over de ligging van de gasleiding op basis van proefsleuven en tekeningen. In de planfase heeft [B.V. I] nagelaten de exacte ligging van de gestuurde boring met daarin de gasleiding te lokaliseren, en daarover contact op te nemen met Westland Infra als netbeheerder, alvorens een palenplan op te stellen en daar uitvoering aan te (doen) geven. Door schending van deze zorgplichten is schade ontstaan waarvoor [B.V. I] aansprakelijk kan worden gehouden, aldus Westland Infra.

4.8.

[B.V. I] stelt daartegen over dat hij aan zijn zorgplicht op grond van de WION heeft voldaan. De Richtlijn is op hem niet van toepassing. [B.V. I] heeft proefsleuven gegraven en mocht op grond van de daarbij aangetroffen in-en uittredepunten van de gasleiding, de KLIC-tekeningen en een revisietekening van de gasleiding, aannames doen over de daadwerkelijke ligging van de gasleiding in het graafprofiel. Hij heeft op grond van die aanname een palenplan opgesteld c.q. gewijzigd, daarbij uitgaand van een marge van 0,75 m van de (aangenomen) ligging van de gasleiding. Van [B.V. I] mocht niet verlangd worden dat hij ter plaatse van de heiwerkzaamheden de gasleiding daadwerkelijk zou lokaliseren, omdat dat niet mogelijk was: de gestuurde boring lag meters diep en kon ter plaatse niet met proefsleuven worden gelokaliseerd. Andere lokalisatiemethodes zijn te vergaand en kostbaar en behoren niet tot de vaste werkwijze van aannemers. Westland Infra heeft bovendien zelf haar plichten als netbeheerder verzaakt door te weigeren medewerking te verlenen bij het aanwijzen van de gasleiding.

4.9.

De rechtbank gaat uit van het volgende toetsingskader.

4.10.

Bij werkzaamheden in de grond (hierna: graafwerkzaamheden) bestaat het gevaar dat schade ontstaat aan in die grond gelegen kabels en leidingen (het net). Zorgplichten om deze schade te voorkomen rusten op degene onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht (hierna: de grondroerder) en op de netbeheerder.

4.11.

De WION strekt ertoe het aantal gevallen van schade aan kabels en leidingen door grondwerkzaamheden te verminderen door de informatie-uitwisseling over de ligging van het net te regelen. De grondroerder dient volgens art. 2 lid 2 WION zijn werkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten. Daartoe dient hij op grond van art. 2 lid 3 WION ten minste ervoor te zorgen dat voor aanvang van de werkzaamheden

  1. een graafmelding is gedaan,

  2. onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie,

  3. op de graaflocatie de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie aanwezig is.

4.12.

In geschil is of [B.V. I] aan de onder 2) genoemde verplichting (hierna de lokalisatieplicht) heeft voldaan en hoe zijn zorgplicht als grondroerder zich verhoudt tot die van Westland Infra als netbeheerder.

4.13.

In de Richtlijn is de lokalisatieplicht van de grondroerder nader omschreven. De Hoge Raad (HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:772) heeft overwogen dat bij gebreke van een concrete wettelijke normering voor de invulling van de zorgplichten in de WION, en daarmee bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid, groot gewicht toe komt aan de Richtlijn, die is vastgesteld door een breed samengesteld, technisch geschoold gezelschap waarin zowel opdrachtgevers, (grotere) grondroerders als beheerders vertegenwoordigd waren en die de weerslag vormt van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent zorgvuldig handelen. Bovendien is het voor de graafpraktijk van belang dat duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de bij graafwerkzaamheden betrokkenen hun zorgplicht moeten naleven. De rechter dient daarom, aldus de Hoge Raad, bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn. Indien hij een daarvan afwijkende invulling van de zorgplicht wil geven, dient hij te motiveren welke omstandigheden rechtvaardigen dat in het concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken.

4.14.

[B.V. I] heeft geen redengevende omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de Richtlijn niet op hem van toepassing zou zijn. In het licht van het oordeel van de Hoge Raad over het belang van de Richtlijn als verkeersopvatting omtrent zorgvuldig handelen zal de rechtbank het handelen van [B.V. I] beoordelen aan de hand van de Richtlijn.

4.15.

De Richtlijn schrijft onder meer aan grondroerders voor:

(blz 21) ‘Ga na of de aangegeven theoretische horizontale ligging van netten kan conflicteren met de geprojecteerde graafwerkzaamheden. Treed altijd in overleg met de netbeheerder, eventueel in de vorm van een vergadering, als bij een eerste beoordeling sprake is van een conflicterende situatie of als, gelet op de voor de theoretische horizontale ligging geldende bandbreedte een conflicterende situatie aannemelijk is.

Bepaal in overleg met de netbeheerder de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie als de theoretische horizontale ligging van een net conflicteert met het geplande ontwerp of de graafwerkzaamheden, en er twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de theoretische horizontale ligging’.

In het tot de Richtlijn behorende handelingsprotocol voor proefsleuven staat onder de kop ‘Wanneer proefsleuven’: (…)

‘2. Bij een verticale grondboring, sondering of het aanbrengen van palen en damwandplanken:

Wanneer de theoretische horizontale ligging van onderdelen van netten zich geheel of gedeeltelijk bevindt: (...)

situatie 4: binnen een horizontale afstand van 1,50 m vanaf de buitendiameter van de geprojecteerde grondboring of sondering, dan wel binnen een horizontale afstand van 1,50 m vanaf de buitenafmetingen van de geprojecteerde paal of damplank (zie bijlage II, figuren 2 en 4).”

Indien de grondroerder de leiding niet met proefsleuven kan lokaliseren wordt in het Handelingsprotocol voorgeschreven:

3 In het geval van een verticale grondboring, sondering of het aanbrengen van palen en damwanden: situatie 7: Wanneer de theoretische horizontale ligging van netonderdelen zich geheel of gedeeltelijk ter plaatse van de diameter of afmetingen, dan wel binnen een horizontale afstand van 1,50 m vanaf de buitendiameter of afmetingen van de geprojecteerde grondboring, sondering, paal of damplank bevindt, maar uit de informatie van de netbeheerder blijkt dat de theoretische horizontale ligging van die netonderdelen zich op meer dan 1,50 m beneden het maaiveld bevindt. In deze gevallen contact opnemen met de netbeheerder over hoe te handelen bij het vaststellen van de precieze ligging. Zie ook het gestelde bij 2’.

Onder 2 is voorgeschreven: ‘Contact opnemen met de betreffende netbeheerder voor overleg hoe te handelen omtrent het vaststellen van de precieze ligging van onderdelen van netten in het tracé en daartoe te treffen voorzorgsmaatregelen. Een en ander om het risico op graafschade te minimaliseren. Afspraken vastleggen’.

4.16.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank, met Westland Infra, af dat [B.V. I] in dit concrete geval - ten einde te voldoen aan zijn lokalisatieplicht naar de precieze ligging van de gasleiding op grond van artikel 2 van de Wion - niet had mogen volstaan met proefsleuven aan weerszijden van de watergang en de daarop gebaseerde aanname dat de feitelijke ligging van de gasleiding overeen zou komen met de theoretische ligging van de gasleiding op de KLIC tekening en de revisietekening, alleen al omdat de proefsleuven niet binnen (maar vele meters buiten) de genoemde marges van 1,5 meter ten opzichte van de geprojecteerde palen zijn gegraven. Anders dan [B.V. I] lijkt te betogen, kan deze fout niet worden ‘gecompenseerd’ door in het palenplan een marge van 0,75 meter tussen de theoretische ligging van de gasleiding en de geprojecteerde heipaal te hanteren. Op dit punt heeft [B.V. I] zijn zorgplicht geschonden.

4.17.

[B.V. I] heeft opgeworpen dat hij op de plek waar de heipalen moesten komen niet met proefsleuven kón lokaliseren, waartegen Westland Infra heeft ingebracht, dat lokalisatie met andere methodes wel degelijk mogelijk was. Wat daarvan zij; de Richtlijn schrijft voor dat als, gelet op de voor de theoretische horizontale ligging geldende bandbreedte een conflicterende situatie aannemelijk is en als lokalisatie ter plaatse met proefsleuven niet mogelijk is, de grondroerder contact dient op te nemen met de netbeheerder voor overleg over het vaststellen van de precieze ligging van de onderdelen en de te treffen voorzorgsmaatregelen en de afspraken met de netbeheerder dient vast te leggen.

4.18.

Westland Infra heeft gemotiveerd onderbouwd dat [B.V. I] niet aan deze verplichting tot overleg heeft gedaan, onder meer aan de hand van de verklaring van de heer [B] (e-mail van 7 november 2017, productie E36). [B.V. I] heeft volgens Westland Infra geen concreet verzoek gedaan aan Westland Infra voor assistentie of overleg, zoals bedoeld in de Richtlijn, over de vaststelling van de precieze ligging van de gasleiding ter plaatse van brug nr. 3. Westland Infra heeft onweersproken gesteld dat [B.V. I] geen contact heeft gezocht met de juiste contactpersoon bij Westland Infra die op de KLIC tekeningen is genoemd. De contacten van personeel van [B.V. I] met personeel van Westland Infra, te weten de heer [C] (die gaat over openbare verlichting) en de heer [D] (projectleider), betroffen niet een concreet verzoek hoe te handelen om de precieze ligging van de gasleiding ter plaatse van brug nr. 3. vast te stellen. De uitnodiging van Civil Support Lisse van 3 juni 2014 aan Westland Infra voor een algemeen nutsoverleg volstaat evenmin omdat het nutsoverleg een algemeen, vrijblijvend overleg in de voorfase was waarbij niet concreet gesproken werd over lokaliseerplichten op de betreffende locatie bij brug 3. In de door [B.V. I] overgelegde e-mail van 22 oktober 2014 van de heer [X] van de gemeente Midden-Delfland valt ook niet te lezen dat [B.V. I] of de gemeente Westland Infra om assistentie hebben verzocht voor lokalisatie van de gasleiding bij brug 3. In het licht van het voorgaande heeft [B.V. I] onvoldoende weersproken dat hij Westland Infra niet heeft benaderd met een concreet verzoek om in overleg met Westland Infra de precieze ligging van de gasleiding bij brug nr. 3 vast te stellen.

4.19.

[B.V. I] stelt nog dat hij in 2014 een voorlopig bruggenplan heeft ingediend, maar ook dat voorlopige bruggenplan is naar het oordeel van de rechtbank geen verzoek om assistentie bij de lokalisatie van de gasleiding bij brug nr. 3. Het voorlopig bruggenplan vermeldt ook geen (coördinatiepunten van geprojecteerde) heipalen.

4.20.

In het licht van de gemotiveerde stellingen van Westland Infra heeft [B.V. I] ook niet toereikend onderbouwd dat hij op andere wijze aan de concrete verplichting heeft voldaan om in overleg met Westland Infra te treden om de precieze ligging van de gasleiding vast te stellen. De verklaring ter comparitie van 5 november 2018 van de heer [E] van [B.V. I] (nrs. 12, 13 en 14 proces-verbaal van 5 november 2018), dat hij bouwtekeningen of een palenplan aan de gemeente heeft gestuurd, die de gemeente zou hebben voorgelegd aan Westland Infra, is niet toereikend voor die conclusie. Dat de tekening met palenplan en datumvermelding 26-09-2016 al eerder, in 2014 was opgesteld en bekend was bij Westland Infra, heeft Westland Infra gemotiveerd betwist. Op deze tekening zijn weliswaar geprojecteerde heipalen weergegeven, maar zonder coördinatiepunten. Ook het overleggen van deze tekening kan niet worden uitgelegd als een concreet verzoek aan Westland Infra voor overleg om de precieze ligging van de gasleiding te lokaliseren, als bedoeld in de Richtlijn. Bij dit oordeel laat de rechtbank meewegen dat [B.V. I] als grondroerder op grond van de Richtlijn de verplichting had om concrete afspraken te maken met Westland Infra over het lokaliseren van de precieze ligging van de gasleiding en om deze afspraken schriftelijk vast te leggen. Daaromtrent heeft [B.V. I] niets concreets gesteld en daarvan is ook niets gebleken.

4.21.

De rechtbank gaat voorbij aan het algemene bewijsaanbod van [B.V. I] dat zij en de gemeente vergeefs geprobeerd hebben Westland Infra bij de werkzaamheden te betrekken, teneinde haar in de gelegenheid te stellen een actieve rol te laten vervullen bij de werkzaamheden, omdat dit bewijsaanbod niet concreet is toegespitst op de kern van de zaak: namelijk of [B.V. I] Westland Infra een concreet verzoek tot overleg heeft gedaan om de precieze ligging van de gasleiding vast te stellen en concrete afspraken daaromtrent vast te leggen.

4.22.

Uit het voorgaande volgt dat [B.V. I] ook op het punt van het verplichte overleg over de aanwijzing van leidingen met de netbeheerder zijn zorgplicht heeft geschonden.

4.23.

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [B.V. I] dat Westland Infra zelf haar zorgplicht op grond van artikel 13 WION heeft geschonden, om, als beheerder van een net met gevaarlijke inhoud, voorzorgsmaatregelen te treffen door ter plaatse de exacte ligging van dat net aan te wijzen. Met Westland Infra is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijsverplichting alleen bestaat voor buisleidingen met een gevaarlijke inhoud. Op grond van artikel 13 WION, in samenhang met artikel 1 Rion (ministeriële regeling onder WION) en artikel 6.1 en 6.4.6. van het Informatiemodel Kabel en leidingen (IMKL), wordt onder buisleidingen met een gevaarlijke inhoud verstaan ‘aardgasleidingen met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 1600kPA (hogedruk transportleidingen vanaf 16.000kPa), waarvan in dit concrete geval met een lagedruk gasleiding geen sprake is.

resumerend

4.24.

De in de WION en de Richtlijnen vastgelegde zorgplichten strekken ertoe schade aan kabels en leidingen te voorkomen. Vast staat dat [B.V. I] in strijd met zijn zorgplichten uit de WION en de Richtlijn heeft gehandeld. [B.V. I] heeft niet op de juiste wijze gelokaliseerd, heeft aannames gedaan over de precieze ligging van de leiding en is zonder het voorgeschreven overleg met Westland Infra en vóórdat de precieze ligging van de gasleiding was vastgesteld begonnen met heiwerkzaamheden met het risico dat de niet-gelokaliseerde gasleiding zou worden beschadigd. Dat risico heeft zich verwezenlijkt.

Westland Infra heeft betoogd dat als [B.V. I] aan zijn zorgplichten zou hebben voldaan de precieze ligging van de gasleiding kon worden en zou zijn gelokaliseerd, omdat hiervoor uiteenlopende technieken bestaan, op grond waarvan een adequaat palenplan met de juiste marges zou zijn vastgesteld, althans dat de gasleiding zou zijn verlegd c.q. buiten werking gesteld en in een nieuwe gestuurde boring gelegd, waardoor schade aan de gasleiding zou zijn voorkomen. De rechtbank volgt Westland Infra hierin, nu [B.V. I] dit niet, althans niet voldoende concreet heeft weersproken.

4.25.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [B.V. I] onrechtmatig jegens Westland Infra heeft gehandeld, en dat hij aansprakelijk is voor de aan die onrechtmatige daad toe te rekenen schade van Westland Infra.

Schade

4.26.

Westland Infra vordert een bedrag van € 29.379,78 uit hoofde van directe schade, de herstelkosten van de beschadigde gasleiding, alsmede € 1.000 voor kosten voor vaststelling van aansprakelijkheid, schade en invordering, toegelicht in een ‘schadeopstelling infraschade d.d. 01-07-2016’ van [Q] met bijlagen (de schadeopstelling). [B.V. I] heeft één kostenpost ter hoogte van € 5.070 (kosten van [Y] voor een gestuurde boring en bijbehorende kosten) erkend, maar de overige posten betwist.

4.27.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag naar het bestaan en de omvang van gevorderde schade, alsmede die naar het causaal verband tussen die schade en het schadeveroorzakende feit, gelden in beginsel de gewone bewijsregels (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR 2009:BH2162, World Online). Het is in eerste instantie aan Westland Infra om feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen dragen dat zij de gestelde schade heeft geleden. Zo nodig zal zij die stellingen ook dienen te bewijzen, maar eerst indien en voor zover [B.V. I] die stellingen voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dit laat onverlet dat de rechter op grond van artikel 6:97 BW bevoegd (en gehouden) is de schade te begroten op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard daarvan en deze te schatten indien de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin hij had verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Aan de hand van deze uitgangspunten zal de rechtbank elk van de door Westland Infra gestelde schadeposten afzonderlijk beoordelen.

Kosten eigen personeel

4.28.

Westland Infra vordert € 2.137,50 aan kosten van eigen personeel voor tijdelijk herstel en € 4.215 aan kosten voor eigen personeel voor definitief herstel. Beide kostenposten heeft Westland Infra onderbouwd aan de hand van een overzicht van gemaakte uren van met naam genoemde personeelsleden, uurtarieven en een uitgeschreven toelichting op de werkzaamheden. [B.V. I] betoogt dat Westland Utrecht de uurtarieven had moeten toelichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [B.V. I] deze uurtarieven aldus niet voldoende weersproken. De rechtbank komen de tarieven marktconform voor. De rechtbank volgt [B.V. I] ook niet in zijn standpunt dat Westland Infra onvoldoende heeft aangetoond dat de door haar opgevoerde kosten van het eigen personeel daadwerkelijk zijn gemaakt, noodzakelijk waren en zijn verricht in het kader van de gestelde schade. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Westland Infra haar vordering voldoende concreet gespecificeerd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de noodzaak tot en de daadwerkelijke uitvoering van die gestelde werkzaamheden voor de gestelde uren door de genoemde personeelsleden. Tegenover de gedetailleerde specificatie van Westland Infra had het op de weg van [B.V. I] gelegen concreet toe te lichten waarom de inzet van het aantal personeelsleden, het functie niveau en het aantal uren buitensporig zou zijn geweest, hetgeen [B.V. I] heeft nagelaten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de stellingen van Westland Infra en komt niet toe aan bewijslevering. De kosten voor het eigen personeel van Westland Infra zijn daarmee toewijsbaar.

Kosten materialen en toeslag van 10 %

4.29.

Westland Infra vordert een bedrag van € 1.307,34 voor materialen. De materiaalkosten zijn per stuk/eenheid benoemd en voorzien van een prijs per eenheid. Westland Infra heeft toegelicht dat deze materialen zijn gebruikt bij het veiligstellen van de situatie ten behoeve van het tijdelijk herstel en ten behoeve van het definitief herstel van de gasleiding. Volgens [B.V. I] is de toelichting te algemeen en ontbreekt een deugdelijke koppeling met het gepretendeerde herstel. Niet is vast te stellen dat de opgevoerde materialen werkelijk zijn gebruikt en dat de opgevoerde prijs per eenheid juist is. Naar het oordeel van de rechtbank had het, gelet op de gedetailleerde specificatie van de materiaallijst van Westland Infra van deze kosten en de toelichting daarop, meer op de weg gelegen van [B.V. I] concreet te maken waarom de opstelling van Westland Infra en de prijs per eenheid niet zou deugen en waarom het niet voor de hand ligt dat de opgesomde materialen benodigd waren voor het herstel, hetgeen [B.V. I] heeft nagelaten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de stellingen van Westland Infra en komt niet toe aan bewijslevering. De gevorderde kosten voor het materiaal zijn toewijsbaar.

4.30.

[B.V. I] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde toeslag van € 130,73 (10%) op de materiaalkosten weersproken met het argument dat Westland Infra die kosten ook zou hebben gehad als de schade zich niet zou hebben voorgedaan. Westland Infra heeft toegelicht dat zij deze vordering grondt op artikel 6:96 lid 2 sub a BW omdat de kosten van het aanhouden van haar magazijn voor een deel kosten zijn die worden gemaakt voor het beperken van haar schade. In productie E22 heeft Westland Infra voorgerekend en gemotiveerd onderbouwd dat het in rekening brengen van een toeslag van 10 %, mede gelet op de totale magazijnkosten, redelijk is en dat de werkelijke kosten voor inkoop en logistiek bij leidingschade bij lange na niet wordt gedekt. Deze opstelling heeft [B.V. I] niet weersproken.

4.31.

Uit onder meer HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713 volgt dat een evenredig deel van de kosten voor het treffen van schadebeperkende maatregelen in rekening kan worden gebracht bij de pleger van een onrechtmatige daad, indien die schadebeperkende maatregelen mede zijn genomen met het oog op voorkoming of beperking van de verwachte schade van een zodanige onrechtmatige daad. Dat geldt ook voor vooraf gemaakte kosten. Gelet op deze maatstaf maakt Westland Infra naar het oordeel van de rechtbank terecht aanspraak op een toeslag voor materiaalkosten. Westland Infra heeft bovendien toereikend onderbouwd dat de door haar gevorderde toeslag van 10 % de redelijkheidstoets uit artikel 6:96 lid 2 BW doorstaat. De gevorderde toeslag zal worden toegewezen.

kosten derden

4.32.

Westland Infra vordert een totaalbedrag van € 18.189,21 voor kosten van derden, waaronder begrepen aannemerskosten voor tijdelijk ( € 2.124,74) en definitief (€ 14.704,47) herstel, expertisekosten (€ 1.105) en opnamekosten [Q] (€ 255). Deze kosten zijn onderbouwd aan de hand van facturen. De kosten voor tijdelijk herstel heeft Westland Infra mede toegelicht aan de hand van een door de projectuitvoerder van Westland Infra op 24 september 2014 voor akkoord getekende notitie voor op 16 september 2014 uitgevoerde werkzaamheden door personeel van aannemer [Aannemer]. De data in de stukken corresponderen met de datum van het schadegeval. In het licht van deze stukken gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van [B.V. I] dat niet is vast te stellen dat het gaat om kosten die verband houden met het schadegeval. De kosten in de factuur aan Westland Energiebeheer B.V. ziet de rechtbank niet terug in het gevorderde bedrag voor tijdelijk herstel en het verweer van [B.V. I] op dit punt wordt daarom gepasseerd. De kosten van derden voor definitief herstel zijn deels door [B.V. I] erkend (kosten [Y]) en voor het overige betwist. De rechtbank heeft, anders dan [B.V. I] , geen aanleiding te twijfelen aan de noodzaak van het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van het herstel. [B.V. I] licht niet toe waarom hij de uren voor de grondwerker, fitter en de minigraver met machinist buitenproportioneel vindt. In het licht van de overgelegde facturen waarin deze uren zijn gespecificeerd, had het op de weg van [B.V. I] gelegen te onderbouwen waarom die uren disproportioneel zijn, hetgeen [B.V. I] heeft nagelaten. De kosten van derden voor herstel zullen worden toegewezen.

consignatiekosten

4.33.

Westland Infra stelt gehouden te zijn continu een pieper- of storingsdienst, van eigen personeel en van personeel van haar huisaannemers, in stand te houden, teneinde op ieder moment een storing te kunnen verhelpen. Daarmee is jaarlijks een bedrag van

€ 203.600 aan kosten gemoeid. Van alle storingen wordt 15% veroorzaakt door schades aan leidingen die door derden worden veroorzaakt. Westland Infra wenst een evenredig deel van de kosten van de storingsdienst (door Westland Infra aangeduid als ‘consignatiekosten’) te verhalen op die veroorzakers van schades. In productie E23 heeft Westland Infra die kosten nader toegelicht door erop te wijzen dat deze zien op het paraat houden van (intern en ingeleend) personeel om uit te rukken bij storingen. [B.V. I] voert aan dat Westland Infra die kosten ook zou hebben gehad als de schade zich niet zou hebben voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten toewijsbaar zijn op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW en maakt daarbij dezelfde afweging zoals omschreven in 4.31.

reparatiegebonden bijkomende kosten

4.34.

Westland Infra vordert ook een bedrag van € 1.050 aan door haar genoemde reparatiegebonden bijkomende kosten. In productie E24 heeft Westland Infra deze kosten nader toegelicht als kosten die rechtstreeks voorvloeien uit de administratieve afhandeling van storingen (twee storingsleiders en een administratief medewerkster). Westland Infra heeft de hoogte van het gevorderde bedrag toegelicht, mede aan de hand van een staffel en uiteengezet waarom het gevorderde bedrag in dit geval een evenredige toerekening is van het jaarlijks bedrag aan reparatiegebonden bijkomende kosten. [B.V. I] heeft een en ander niet, althans niet voldoende weersproken. Ook deze vordering zal worden toegewezen.

kosten voor vaststelling aansprakelijkheid, schade en invordering

4.35.

Westland Infra vordert een bedrag van € 1.000 voor de vaststelling van aansprakelijkheid, schade en invordering op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. Westland Infra heeft de kosten toegelicht in E13 en beroept zich ten aanzien van de eerste redelijkheidstoets op HR 16 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740 (AMEV/ Staat). Voor de begroting van de kosten heeft Westland Infra aansluiting gezocht bij de ‘Staffel BIK in zaken waarin de schuldenaar vóór 1 juli 2012 in verzuim is geraakt of de vordering niet voortvloeit uit een overeenkomst’ als ook het voormalige ‘rapport voorwerk II’. [B.V. I] heeft een en ander niet voldoende weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de vordering aan de dubbele redelijkheidstoets en zal zij deze vordering toewijzen.

conclusie

4.36.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoofdsom van € 31.632,06 zal worden toegewezen. De gevorderde rente zal worden toegewezen, vanaf de dag der dagvaarding. zoals gevorderd.

Proceskosten

4.37.

[B.V. I] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Westland Infra worden begroot op:

- dagvaarding € 82,54

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 2.432,50 (3,5 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 4.444,04

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [B.V. I] om aan Westland Infra te betalen een bedrag van € 31.632,06 (éénendertig duizendzeshonderdtweeëndertig euro en zes eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 2 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [B.V. I] in de proceskosten, aan de zijde van Westland Infra tot op heden begroot op € 4.444,04,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.1

1type: 1328coll: