Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2919

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
NL19.3873
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging vrije termijn, gevaar voor openbare orde, prejudiciële vraag van de ABRvS

art. 6, eerste lid, onder e, Schengengrenscode, art. 12 Vw

De ABRvS heeft op 6 juni 2018 prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de kwestie of het beëindigen van de vrije termijn op grond van gevaar voor de openbare orde gemotiveerd kan worden met het enkele argument dat de vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd. Bij diverse andere unierechtelijke bepalingen is voor het aannemen van een bedreiging van de openbare orde immers vereist dat gemotiveerd wordt dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging. De ABRvS heeft als voorlopig oordeel gegeven dat deze nadere motivering ten aanzien van art. 6 SGC / art. 12 Vw niet is vereist (ECLI:NL:RVS:2018:1737). De prejudiciële vragen zijn nog niet beantwoord. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, volgt de ABRvS in haar voorlopige oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.3873


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Berben).


Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van één jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3908, plaatsgevonden op 4 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Cici. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Niet in geschil is dat eiser een geldig Albanees biometrisch paspoort heeft en daarom is vrijgesteld van de visumplicht. Ook is niet in geschil dat uit eisers paspoort blijkt dat hij korter dan negentig dagen in de Europese Unie verblijft.

2. Op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), is het aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Deze voorwaarde is ontleend aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder e, van de Schengengrenscode (SGC).1

3. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eisers vrije termijn van rechtswege is geëindigd, zodra hij werd verdacht van een strafbaar feit. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Verder heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, omdat er een risico bestaat dat hij zich aan toezicht zal onttrekken.

4. Eiser voert aan dat verweerder niet enkel op grond van een verdenking van een strafbaar feit heeft kunnen aannemen dat hij een gevaar is voor de openbare orde. Verweerder had behoren te motiveren waarom er ten aanzien van eiser sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek. Volgens eiser heeft verweerder daarom vrije termijn niet kunnen beëindigen en beschikt hij derhalve nog over rechtmatig verblijf. Hieruit vloert voort dat verweerder aan eiser geen terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Subsidiair verzoekt eiser aan de rechtbank om de behandeling van de beroepszaak aan te houden, in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over de motivering van het begrip “openbare orde” uit artikel 6, eerste lid, onder e, van de SGC aan het Hof van Justitie heeft gesteld2. Eiser voert in dit verband aan dat de gevolgen van het onderhavige besluit voor hem verstrekkender zijn dan de gevolgen van het besluit in de zaak die bij de ABRvS voorligt. Anders dan bij eiser het geval is, is in de zaak bij de ABRvS namelijk wel een vertrektermijn gegeven.

5. De rechtbank stelt vast dat de prejudiciële vragen van de ABRvS nog niet zijn beantwoord. De ABRvS heeft in de verwijzingsuitspraak een voorlopig oordeel gegeven in rechtsoverweging 6.1. en verder. Samengevat oordeelt de ABRvS dat het beëindigen van het verblijf in de vrije termijn een minder ingrijpende maatregel is dan andere maatregelen die gebaseerd zijn op unierechtelijke bepalingen die verband houden met het begrip “openbare orde”. Ook oordeelt de ABRvS dat de staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge heeft bij de vaststelling dat het verblijf in de vrije termijn is geëindigd, hetgeen ertoe leidt dat met een beperkte motivering van “gevaar voor de openbare orde” kan worden volstaan. Hoewel het een voorlopig oordeel betreft van de ABRvS, ziet de rechtbank vooralsnog voldoende aanknopingspunten om van dit oordeel uit te gaan. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat verweerder gehouden was om ten aanzien van hem uitgebreider te motiveren waarom de vrije termijn op grond van het gevaar voor de openbare orde is geëindigd. Het argument dat voor hem de gevolgen verstrekkender zijn dan de gevolgen voor de vreemdeling in de zaak die voorligt bij de ABRvS treft geen doel. Anders dan in laatstgenoemde zaak het geval is, is aan eiser de vertrektermijn niet onthouden op de grond dat hij een gevaar is voor de openbare orde, maar op grond dat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.

6. In het terugkeerbesluit heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

7. Eiser voert aan dat hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten worden gegeven. Het is onredelijk dat hij niet de gelegenheid heeft gekregen de politierechterzitting van 26 februari 2019 af te wachten en daarna te vertrekken. Eiser beschikte immers over een retourticket voor 27 februari 2019. Voor zover er een vals of vervalst document bij eiser is aangetroffen, staat niet vast dat hij daar gebruik van heeft gemaakt. Eiser is daar nog niet voor veroordeeld. Eiser heeft zijn geldige Albanese paspoort gebruikt om in te reizen. Verder kan de afwezigheid van een vaste woon-of verblijfplaats hem niet worden aangerekend, aangezien dit geen voorwaarde is op grond van artikel 12 van de Vw. Bovendien heeft hij een vaste verblijfplaats bij zijn oom.

8. De rechtbank overweegt dat inmiddels is gebleken dat eiser is veroordeeld voor het gebruikmaken van een valse Griekse identiteitskaart. Al om deze reden heeft verweerder de gronden onder 3g en 4e juist toegepast. Verder overweegt de rechtbank dat, nu is vastgesteld dat eisers vrije termijn is geëindigd, voor hem wel de verplichting geldt te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank overweegt dat eiser in het verhoor van 15 februari 2019 heeft verklaard dat hij niet bij zijn oom gaat inwonen, maar dat het bedrijf waarvoor hij zou gaan werken ervoor zou zorgen dat hij een woning krijgt. Bovendien heeft eiser geen naam of adres genoemd van zijn oom. De grond onder 4c is daarom ook juist. Uit deze omstandigheden blijkt in dit geval voldoende dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet verplicht was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eisers retourticket van 27 februari 2019 een vlucht betrof naar Griekenland. Omdat eiser de Europese Unie moet verlaten, kan uit dit vliegticket dus niet worden afgeleid dat hij van plan is daar gevolg aan te geven. In de enkele omstandigheid dat eiser een politierechterzitting wilde bijwonen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien hem een vertrektermijn te bieden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert tot slot aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien, omdat eiser nog in zijn vrije termijn zat.

10. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid. Naar het oordeel van de rechtbank zijn verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij naar Nederland kwam om te werken maar terug kan naar Albanië, hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien. De rechtbank verwijst daarbij naar het hiervoor weergegeven oordeel dat eisers vrije termijn van rechtswege is geëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van S. Brussaard, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 19 maart 2019.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) 2016/399 van 16 maart 2016, ter vervanging van Verordening (EG) 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006.

2 ABRvS van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1737.