Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2914

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
C/09/546990 / HA RK 18-52
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

RWN; VZ niet in bezit van NL nationaliteit. Naar Dominicaans recht geen sprake van wettig kind, want niet staande huwelijk geboren, geen wettiging want niet erkend voor huwelijk en bij erkenning na huwelijk was kind al meerderjarig. geen bezit van staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 18-52

Zaaknummer: C/09/546990

Datum beschikking: 2 januari 2019

Beschikking op het op 25 januari 2018 ingekomen verzoekschrift van:

[X] ,

verzoekster,

wonende te [woonplaats 1] (Dominicaanse Republiek),

advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Klis.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    de brief van 4 mei 2018 van de zijde van de IND, met bijlagen;

  • -

    de conclusie van de officier van justitie van 2 oktober 2018;

  • -

    de fax van 26 november 2018 van de zijde van verzoekster, met bijlage.

Op 27 november 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster bijgestaan door haar advocaat, alsmede
mr. J.A.M. van der Klis namens de IND. Een vriendin en de broer van verzoekster waren eveneens aanwezig. Omdat verzoekster de Nederlandse taal niet beheerst, heeft de vriendin van verzoekster ter zitting voor verzoekster vertaald. Van de zijde van verzoekster is ter zitting een nader stuk overgelegd, te weten een schriftelijke verklaring van verzoekster.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt ertoe vast te stellen dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. De officier van justitie heeft medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • -

    Volgens een overgelegde (vertaalde) kopie van een geboorte akte, opgenomen in het Register voor Tardieve geboorte aangiften Blad No. [nr.] , Akte No. [nr.] jaar 1989 is verzoekster geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) uit [naam] (hierna ook: de moeder), die op dat moment ongehuwd was.

  • -

    De moeder is geboren op [geboortedag] 1946 te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek). Zij had toen, en ook ten tijde van de geboorte van verzoekster, de Dominicaanse nationaliteit.

  • -

    Verzoekster verkreeg daardoor bij haar geboorte ook de Dominicaanse nationaliteit.

  • -

    Op [huwelijksdag] 1988 is de moeder op Curaçao getrouwd met [naam echtgenoot moeder] , geboren op [huwelijksdag] 1944 te Curaçao (hierna: de man). Op deze trouwakte staat vermeld dat zij gehuwd geweest is met [andere naam dan echtgenoot moeder] . De man had vanaf 1949 de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Uit voornoemde kopie van de geboorteakte is op te maken dat op 10 januari 1989 door [naam aangeefster] , aangeduid als “La Abuela Materna” (grootmoeder van moederzijde) de tardieve aangifte van de geboorte van verzoekster is gedaan. Op voormelde geboorteakte is de man vermeld als vader. Achter zijn naam staat dat hij gehuwd is.

  • -

    De man heeft verzoekster op 23 februari 1989 te Curaçao erkend. Op dat moment was verzoekster meerderjarig.

  • -

    De man is op [dag van overlijden] 2005 te [plaats van overlijden] overleden.

  • -

    De moeder heeft door de bevestiging van een optieverklaring op 27 juli 2011 het Nederlanderschap verkregen. Verzoekster heeft niet in deze verkrijging gedeeld.

  • -

    De moeder is overleden op [dag van overlijden] 2017 te [plaats van overlijden] .

  • -

    Op 19 september 2017 heeft verzoekster bij de Nederlandse ambassade te Santo Domingo (Dominicaanse Republiek) een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit zou bezitten. Bij beschikking van 1 mei 2018 is het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Beoordeling

In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

Verzoekster stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven en naar de rechtbank begrijpt, het volgende aan. Primair stelt verzoekster dat zij zowel naar Dominicaans als naar Nederlands recht het wettig kind van de man is, door het huwelijk van de moeder en de man, dan wel door de erkenning van verzoekster door de man, met als gevolg dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De familierechtelijke betrekking tussen de man en verzoekster staat vast en is op één lijn te stellen met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen een vader en zijn wettig kind. Subsidiair doet verzoekster een beroep op de figuur van ‘bezit van staat’ naar zowel Dominicaans als Nederlands recht. De wijze waarop verzoekster aan het maatschappelijke verkeer deelneemt duidt er – naar zijn uiterlijke vorm – op dat zij in een familierechtelijke betrekking staat ten opzichte van de man. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij de man altijd als haar vader heeft gezien en hij haar altijd als zijn dochter. Voorts heeft zij gesteld dat zij altijd zijn achternaam heeft gedragen en dat zij ook met hem in gezinsverband heeft geleefd. Het is overigens, zo stelt verzoekster tot slot, aan verweerder om aan te tonen dat de door verzoekster overgelegde geboorteakte niet juist zou zijn opgemaakt.

De IND stelt zich op het standpunt dat de geboorteakte niet in Nederland kan worden erkend, nu aan het opmaken daarvan kennelijk geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Als al sprake zou zijn van een juist opgemaakte geboorteakte, dan nog is niet vast komen te staan dat er ten tijde van de geboorte van verzoekster sprake was van een familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de man. Verzoekster kan niet als wettig kind van de man worden aangemerkt op grond van het gesloten huwelijk, omdat het huwelijk tussen de moeder en de man pas na de geboorte van verzoekster en ten tijde van haar meerderjarigheid is gesloten. Op grond van de erkenning door de man van verzoekster kan er wel een familierechtelijke betrekking zijn ontstaan tussen de man en verzoekster. Echter, de erkenning van verzoekster door de man heeft plaatsgevonden nadat zij meerderjarig is geworden, waardoor deze niet heeft geleid tot verkrijging van het Nederlanderschap door verzoekster. Een beroep op de figuur van ‘bezit van staat’ tot slot kan evenmin slagen nu deze rechtsfiguur is bedoeld voor de situatie dat er géén juridisch vaderschap is. Dat is hier niet het geval, de man heeft verzoekster erkend. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het wel mogelijk is hier een beroep op te doen, dan heeft te gelden dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Verzoekster heeft op geen enkele wijze aangetoond dat zij als dochter van de man door het leven ging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tot 1 januari 1985 – en derhalve op het moment van de geboorte van verzoekster - was de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) van kracht. Ingevolge artikel 1, sub a WNI zijn Nederlanders door geboorte het wettig of gewettigd of door de vader erkend kind, waarvan tijdens de geboorte de vader de staat van Nederlander bezit.

Vast staat dat de man ten tijde van de geboorte van verzoekster Nederlander was. Naar Dominicaans recht is de vader van een kind dat staande een huwelijk is geboren, de echtgenoot van de moeder. Verzoekster is niet staande huwelijk geboren. Verzoekster was bij de geboorte dus geen wettig kind van de man, zodat zij niet op grond van artikel 1 onder a WNI bij de geboorte het Nederlanderschap verkreeg.

De vraag is of verzoekster, zoals zij stelt, door wettiging (door het huwelijk tussen de moeder en de man in 1988) of door erkenning (door de man in 1989) in familierechtelijke betrekking tot de man is komen te staan en op die grond het Nederlanderschap heeft verkregen.

Naar Dominicaans recht kunnen onwettige kinderen worden gewettigd door het huwelijk van de ouders. Als voorwaarde geldt daarbij wel dat de ouders het kind reeds voor het huwelijk volgens de geldende regels hebben erkend of zullen erkennen. Een erkenning van verzoekster door de man vóór het huwelijk heeft niet plaatsgevonden. Met de erkenning door de man van verzoekster in 1989 is wel een familierechtelijke betrekking ontstaan. Deze leidt echter evenmin tot de conclusie dat verzoekster het Nederlanderschap heeft verkregen. Op het moment van de erkenning gold de op 1 januari 1985 in werking getreden Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Uit artikel 4, lid 1, RWN zoals dit toen luidde en voor zover hier van belang, volgt immers dat Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend. Vast staat dat verzoekster ten tijde van de erkenning niet meer minderjarig was.

Vervolgens moet worden beoordeeld of, zoals verzoekster stelt, er door ‘bezit van staat’ op een eerder moment dan het moment van de erkenning door de man van verzoekster in 1989 een familierechtelijke betrekking tussen hen is ontstaan.

De omstandigheden waaronder iemand zich op ‘bezit van staat’ kan beroepen zijn naar Dominicaans recht en Nederlands recht in essentie gelijk. Bezit van staat doet zich voor indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, er naar zijn uiterlijke vorm op duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat ten opzichte van een ander. Het bewijs van ‘bezit van staat’ kan bijvoorbeeld worden geleverd door het dragen van de familienaam, doordat de vader het kind altijd als het zijne heeft behandeld, het als zodanig heeft opgevoed en in zijn onderhoud heeft voorzien en doordat het kind door de maatschappij en/of nabestaanden als kind van de vader erkend is.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekster haar stellingen, dat is voldaan aan de voorwaarden om bezit van staat in te roepen, onvoldoende heeft onderbouwd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verzoekster geen enkel document heeft overgelegd waaruit blijkt dat de wijze waarop zij aan het maatschappelijk verkeer heeft deelgenomen, er naar zijn uiterlijke vorm op duidde dat zij al eerder dan 1989 in een familiebetrekking stond tot de man. Verzoekster heeft slechts een paspoort overgelegd, afgegeven in 2017 waaruit blijkt dat zij de naam van de man ‘Mambre’ draagt. Naar het oordeel van de rechtbank wijzen de omstandigheden zoals deze naar voren komen uit de gedingstukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, waaronder de verklaring van verzoekster zelf, juist op het tegendeel, namelijk dat:

· verzoekster door anderen dan de man en de moeder is opgevoed, namelijk door [naam aangeefster] , een tante;

· de (tardieve) aangifte van de geboorte van verzoekster niet door de man of de moeder is gedaan;

· verzoekster pas ‘aan het einde van de jaren 1980’ voor het eerst met de man in gezinsverband heeft samengewoond.

Verzoekster heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat zij, naar zijn uiterlijke vorm, al vóór 1989 in familierechtelijke betrekking stond tot de man. Reeds hierom heeft zij niet op grond van bezit van staat het Nederlanderschap verkregen.

De rechtbank zal om deze reden de stelling van de IND, dat in gevallen waarin – zoals in deze zaak – juridisch vaderschap op andere wijze is ontstaan, niet met succes een beroep kan worden gedaan op de figuur van ‘bezit van staat’, onbesproken laten.

Nu niet is gebleken dat er naar Dominicaans recht een familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de man is ontstaan op grond waarvan verzoekster het Nederlanderschap heeft verkregen, kan in het midden worden gelaten of (overigens) van de juistheid van de in de Dominicaanse Republiek opgemaakte geboorteakte kan worden uitgegaan. e rechtbank zal daar niet verder op ingaan.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, J.M. Vink en
J.T.W. van Ravenstein, bijgestaan door mr. M. Molenaar als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 januari 2019.