Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2891

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
C/09/19/77 R en C/09/19/78 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In minnelijk traject uitgegaan van een te lage belastingschuld.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummers: C/09/19/77 R en C/09/19/78 R

uitspraakdatum : 25 maart 2019

[verzoekers],

beiden wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoekers,

hebben verzoekschriften met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De verzoekschriften voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

De verzoekers zijn gehoord ter terechtzitting van 11 maart 2019.

De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Gebleken is dat verzoekers in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden. Van een grond voor afwijzing van de verzoeken is niet gebleken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient vooraf te worden gegaan door een poging tot het tot stand brengen van een buitengerechtelijke schuldregeling. Een dergelijke buitengerechtelijke schuldregeling dient op correcte wijze te worden uitgevoerd en daarbij dient uiteraard te worden uitgegaan van correcte gegevens. Uit de stukken blijkt dat bij de buitengerechtelijke schuldregeling van verzoekers is uitgegaan van een te lage belastingschuld (€ 28.280,51 in plaats van € 52.681,-). Dit maakt dat in het buitengerechtelijke schuldregelingstraject is uitgegaan van een te lage schuldenlast, hetgeen tot gevolg heeft dat de inkomsten van verzoekers (voor zover voor verdeling vatbaar) zullen moeten worden verdeeld over een fors hogere schuldenlast en derhalve dat er op voorhand van moet worden uitgegaan dat de aangeboden percentages niet haalbaar zijn. In het buitengerechtelijke schuldregelingstraject is de schuldeisers dus namens verzoekers een voorstel gedaan waarvan duidelijk was, althans kon zijn, dat dit niet kan worden gerealiseerd. Dat voorstel is derhalve op onvoldoende deskundige wijze uitgevoerd en getoetst en daarmee is de buitengerechtelijke schuldregeling onvoldoende correct uitgevoerd. De rechtbank zal hier met betrekking tot het onderhavige verzoek echter geen gevolgen aan verbinden. Dit omdat een correct uitgevoerd buitengerechtelijke schuldregelingstraject tot een lager betalingsvoorstel zou hebben geleid en het ervoor kan worden gehouden dat de schuldeisers die niet hebben ingestemd moet het gedane – hogere – voorstel evenmin zouden hebben ingestemd met een lager voorstel. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank – en uiteraard ook verzoekers indien zij de uitvoering daarvan aan derden toevertrouwen – erop moet kunnen vertrouwen dat een buitengerechtelijke schuldregeling op correcte en voldoende deskundige wijze is uitgevoerd.

De rechtbank onderkent dat bij een aantal schulden vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de goede trouw van verzoekers ten aanzien van het ontstaan van die schulden. Dit geldt met name voor de belastingschulden (€ 52.681,- in totaal). Een aanzienlijk deel van deze schulden is ouder dan vijf jaar. Er is volgens verzoekers geen sprake meer van ambtshalve belastingaanslagen.

De wijze waarop de terugbetalingsverplichting van huurtoeslag over 2016 en 2017 is ontstaan, is ter zitting voldoende duidelijk toegelicht en daarop is een deel afbetaald. De belastingdienst heeft ingestemd met het voorstel dat in het minnelijk traject is gedaan. Verzoekers hebben, behoudens de vermelde belastingschulden over 2016 en 2017, vanaf eind 2014 geen nieuwe schulden laten ontstaan. Dit alles maakt dat de rechtbank verzoekers het voordeel van de twijfel zal gunnen en voldoende aannemelijk acht dat verzoekers ook ten aanzien van de binnen de vijfjaarstermijn ontstane belastingschulden te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank zal daarom de verzoeken toewijzen.

Verzoekers dienen zich ervan bewust te zijn dat hun hiermee een kans wordt geboden om een oplossing te bereiken voor hun penibele schuldensituatie. Van hen kan en moet worden verwacht dat zij alle verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien stipt, correct en uit eigen beweging nakomen. Indien verzoekers daarbij hulp nodig hebben, is het hun eigen verantwoordelijkheid om die hulp te verkrijgen en te behouden.

De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker sub 1]

geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] (Turkije),

en

[verzoeker sub 2]

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] (Turkije),

beiden wonende te [adres], [postcode en woonplaats];

- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdinsolventieprocedure is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO);

- benoemt tot rechter-commissaris mr. D. Nobel,

en tot bewindvoerder mr. P.A. Loeff (Advocatenkantoor Loeff),

correspondentieadres: postbus 9, 3330 AA Zwijndrecht;

- stelt vast dat alle reeds gelegde beslagen komen te vervallen;

- kent aan de bewindvoerder voor de duur van de schuldsaneringsregeling een voorschot toe op het salaris ter hoogte van het bedrag als bedoeld in artikel 320,

lid 6 van de Faillissementswet en vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen gedurende een termijn van 13 maanden.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2019 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.