Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2888

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
FT RK 19/180
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord / fictieve weigering / schuldeiser onvindbaar.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/568002 / FT RK 19/180

vonnis van 25 maart 2019


in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

tegen

[verweerder], laatstelijk bekend gevestigd te Gouda,

verweerder.

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als ‘[verzoekster]’ en verweerder als ‘[verweerder]’.

1 De procedure

1.1

Op 6 februari 2019 heeft [verzoekster] tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) (“dwangakkoord”).

1.2

Ter terechtzitting van 11 maart 2019 is [verzoekster] hierover gehoord, alsmede haar schuldhulpverlener[A] f en haar budgetbeheerder bij Kwintes,[B]m.

1.3

Namens [verweerder] is niemand verschenen, hoewel deze schuldeiser daartoe behoorlijk is opgeroepen.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[verzoekster] heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 137.956,46 aan twaalf schuldeisers.

2.2

De vordering van [verweerder] op [verzoekster] bedraagt € 65.265,88, zijnde 47,3% van de totale schuldenlast.

2.3

Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekster] een maandelijks inkomen heeft uit een Wajong-uitkering van € 1.009,41 en dat voor haar een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.022,81, zodat onder de huidige omstandigheden maandelijks – afgezien van een klein bedrag aan af te dragen vakantiegeld – geen bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is. Vanwege de bewindvoerdersvergoeding kan onder de huidige omstandigheden sowieso in de schuldsanering niets worden gespaard.

2.4

Namens [verzoekster] is bij brief van 2 juli 2018 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan de (concurrente) schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 1,3% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.5

De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1

[verzoekster] stelt dat [verweerder] in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die zij heeft aangeboden. Zij heeft een Wajong-uitkering en volgens het UWV geen arbeidsvermogen. Zij heeft het maximale aangeboden aan haar schuldeisers. De elf andere schuldeisers hebben wel ingestemd met de aangeboden schuldregeling. [verweerder] heeft niet gereageerd op het voorstel; diverse brieven zijn retour gekomen. Ook verschillende andere pogingen om in contact te komen zijn mislukt, [verweerder] is onvindbaar.

3.2

Van [verweerder] is geen informatie ontvangen. De oproep van de rechtbank is ook retour gekomen.

4 De beoordeling

4.1

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan dan ook slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling die ertoe zal leiden dat door de schuldeisers afstand moet worden gedaan van een deel van een vordering. Een verzoek om weigerachtige schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen zal slechts kunnen worden toegewezen als de desbetreffende schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Daarbij wordt in aanmerking genomen enerzijds de onevenredigheid tussen – in dit geval uitsluitend – het belang van [verweerder] bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van [verzoekster] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt.

4.2

Bij de belangenafweging ex artikel 287a Fw zoals hiervoor bedoeld, zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.):

- is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);

- is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

- is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;

- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;

- wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;

- hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

- staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeiser.

4.3

Ter zitting is voldoende komen vast te staan dat het aanbod dat namens [verzoekster] is gedaan het maximaal haalbare is. Zij ontvangt inkomen uit een Wajong-uitkering. Blijkens een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 22 september 2017 heeft zij duurzaam geen arbeidsmogelijkheden. Er is geen aanleiding (geweest) voor een herkeuring. Niet gebleken is dat haar situatie binnenkort zal verbeteren. Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de overgelegde stukken stelt de rechtbank vast dat het buitengerechtelijk akkoord dat nu voorligt – vergeleken met de wettelijke schuldsaneringsregeling – in verband met de kosten die samenhangen met de wettelijke schuldsaneringsregeling al op grond van de huidige inkomsten tot een gunstiger resultaat voor de schuldeisers leidt.

Mocht [verzoekster] toch kunnen gaan werken én daarmee afloscapaciteit genereren, dan geldt in de eerste plaats dat ook dan niet aannemelijk is dat die inkomsten dermate hoog zullen zijn dat, na aftrek van de boedelkosten, meer zal overblijven dan wat nu met een prognoseakkoord wordt aangeboden. In de tweede plaats geldt in dat geval dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat controle op de maximale inbreng van haar afdrachten is gewaarborgd. Hierbij is van belang dat het in dit geval gaat om een prognoseakkoord. De rechtbank gaat er bij haar beslissing vanuit dat bij de uitvoering van het prognoseakkoord zal worden gehandeld overeenkomstig de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK), en dat er dus op zal worden toegezien dat [verzoekster] gedurende de looptijd van het prognoseakkoord aantoonbare inspanningen verricht om haar inkomsten te vergroten en te behouden, dat zal worden gecontroleerd of zij de eventuele aflossingscapaciteit volledig inbrengt, dat periodiek de hoogte van het vtlb (en dus de aflossingscapaciteit) zal worden bepaald en dat de schuldeisers geïnformeerd zullen worden.

4.4

Het belang van de andere schuldeisers is, evenals het belang van [verweerder] , gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan. Het belang van [verzoekster] is gelegen in het feit dat zij buiten het wettelijk traject haar schulden kan regelen, wat in overeenstemming is met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.

4.5

Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verweerder] – niettegenstaande zijn aanzienlijke vordering en niet geringe aandeel in de totale schuldenlast – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoekster] en van de andere schuldeisers die door die weigering worden geschaad. In dit verband overweegt de rechtbank dat wordt uitgegaan van een fictieve weigering, omdat [verweerder] in het geheel niet heeft gereageerd en overigens onvindbaar is. Blijkens de dossierstukken en de toelichting ter zitting door de schuldhulpverlener van [verzoekster] is het onmogelijk gebleken een recent adres te vinden of telefonisch contact te krijgen.

In dit verband heeft de schuldhulpverlener onder meer op internet en in het handelsregister gezocht. Gebleken is dat het laatst bekende adres van [verweerder] hetzelfde adres is waarop [bedrijf] is ingeschreven in het handelsregister. Een vordering van [verweerder] is evenwel – desgevraagd – niet bekend bij [bedrijf] . Inmiddels zijn ook [bedrijf] en diens diverse vestigingen inmiddels uitgeschreven uit het handelsregister.

Nu [verweerder] ook niet ter zitting is verschenen om haar standpunt te bepleiten, is dus geen verweer bekend waarmee bij de belangenafweging als vermeld bij rechtsoverwegingen 4.2 t/m 4.4 rekening moet worden gehouden.

4.6

De primair verzochte dwangregeling zal, gelet op al het voorgaande, worden toegewezen.

4.7

[verzoekster] heeft ook een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend.

Zij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard, nu zij geen belang meer heeft bij dat verzoek.

.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

beveelt [verweerder] in te stemmen met de onder 2.4 bedoelde schuldregeling;

5.2

verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Gewezen door mr. R.G.C. Veneman, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2019 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen de schuldeisers die het verzoek betrof gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.