Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2882

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C/09/554158 / HA RK 18-285
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 17 RWN (gevoegd afgedaan met C/09/554159);toepasselijkheid artikel 5 lid 2 TOS; langdurig verblijf in Suriname na inwerkingrtreding TOS; verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 18-285

Zaaknummer: C/09/554158

Datum beschikking: 21 maart 2019

Beschikking op het op 1 juni 2018 ingekomen verzoekschrift van:

[Y]

verzoeker,

wonende te [woonplaats] , Suriname,

advocaat mr. I.M. Hagg te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen;

- de brief van 4 juli 2018 van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie van 2 oktober 2018;

- de brief van 20 november 2018 van de zijde van verzoeker.

Op 27 november 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld gelijktijdig met het verzoekschrift van zijn echtgenote, [X ] , zaaknummer 09/554159, HA/RK 18-286. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat alsmede zijn echtgenote en

mr. drs. C.J. Cappon namens de IND. Van de zijde van verzoeker is een nader stuk overgelegd.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- de brief van 14 december 2018 van de zijde van de IND;

- de brief van 11 januari 2019 van de zijde van verzoeker, met bijlage.

Verzoek en standpunten van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker met ingang van zijn geboorte, althans [geboortedag] 1952, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- Verzoeker is geboren op [geboortedag] 1952 te [geboorteplaats] , Suriname.

- Verzoeker verkreeg bij geboorte, als kind van Nederlandse ouders, de Nederlandse nationaliteit.

- Verzoeker heeft zich op 11 juni 1969 vanuit Suriname in Nederland gevestigd.

- Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) in werking.

- Verzoeker was op dat moment meerderjarig en woonachtig in Nederland en behield daarom op dat moment op grond van de TOS de Nederlandse nationaliteit.

- In 1977 is verzoeker teruggekeerd naar Suriname.

- Op [huwelijksdatum] 1978 is verzoeker te [huwelijksplaats] , Suriname, gehuwd met [X ]

- Op 13 maart 1978 is verzoeker uitgeschreven uit de Nederlandse basisadministratie wegens vertrek naar Suriname.

Beoordeling

Bij brief van 20 november 2018 heeft verzoeker de grondslag van zijn verzoek gewijzigd. Hierdoor ligt op dit moment alleen nog voor de vraag of verzoeker op grond van artikel 5 tweede lid, TOS zoals die gold van 25 november 1975 tot 1 januari 1986 het Nederlanderschap heeft verloren.

Vast staat dat als artikel 5 tweede lid, TOS van toepassing is, verzoeker door verblijf in Suriname langer dan twee jaar de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en het Nederlanderschap heeft verloren.

Volgens verzoeker dient artikel 5 tweede lid, TOS buiten toepassing gelaten te worden omdat dat artikel is met grondbeginselen van het nationaliteitsrecht zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN) en het Verdrag van Straatsburg ter voorkoming van dubbele nationaliteit. Verzoeker doelt, zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen, op het verbod van willekeur en/of discriminatie.

Om de stellingen van verzoeker te kunnen beoordelen heeft de rechtbank allereerst gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5, tweede lid, TOS. Uit die geschiedenis blijkt dat bij het ontwerpen van de bepaling centraal heeft gestaan - het omstreeks 1975 zowel aan Nederlandse als aan Surinaamse zijde politiek breed gedragen - uitgangspunt dat de remigratie naar Suriname bevorderd diende te worden. Daarmee werd tevens het streven van de toenmalige Surinaamse regering tot uitdrukking gebracht om de bijzondere banden van de Surinamers in Nederland, die bij het intreden van de onafhankelijkheid van Suriname de Surinaamse nationaliteit niet van rechtswege zouden verwerven, met het vaderland te bestendigen. Vanuit deze achtergronden bezien werd het door de verdragsluitende partijen wenselijk geacht om aan de in 1975 in Nederland gevestigde Surinaamse Nederlanders bij terugkeer naar Suriname bijzondere rechten toe te kennen.

De termijn van twee jaar uit het tweede lid van artikel 5 TOS is bedoeld om de betrokkene de gelegenheid te bieden om zonder dat daarvan verlies van het Nederlanderschap het gevolg is, gedurende een beperkte tijd de mogelijkheden tot blijvende vestiging te onderzoeken, aldus de Toelichting bij het Ontwerp van de TOS (Kamerstukken II 1974/75, 13 467, nr. 1, blz. 11).

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank over de toepasselijkheid van artikel 5, tweede lid, TOS als volgt. Nog daargelaten de vraag of de door verzoeker genoemde verdragen (EVN en Verdrag van Straatsburg) temporeel van toepassing zijn en of de door verzoeker ingeroepen juridische standaard (UVRM) bindend en rechtstreeks werkend is – vragen die de rechtbank overigens beide ontkennend beantwoordt – is de rechtbank van oordeel dat artikel 5, tweede lid, TOS niet strijdig is met het verbod van willekeur of discriminatie. Er is in dit artikel immers uitgegaan van neutrale criteria, te weten woon- of verblijfplaats. De verlies- en verkrijgingsbepalingen waren bovendien niet zonder ratio. In geval van statenopvolging mocht niet doorslaggevend zijn de geboorte of het afkomstig zijn uit het grondgebied van de opvolgstaat voor het verkrijgen van de nieuwe nationaliteit, maar er moest sprake zijn van een bijkomend aanknopingspunt, namelijk het hebben van woonplaats dan wel werkelijk verblijf op het grondgebied van de opvolgstaat. Er is daarbij uitgegaan van de remigratiegedachte. Buiten Suriname kon men vanaf de datum van het intreden van de onafhankelijkheid langdurig overwegen of de keuze voor de Surinaamse nationaliteit al dan niet zou worden gemaakt. Wie terugkeerde naar Suriname werd geacht al na twee jaar zodanige banden met het land te hebben heropgebouwd, dat verkrijging van de Surinaamse nationaliteit buiten zin wil om gerechtvaardigd was. Remigratie werd bevorderd en het verkrijgen van een dubbele nationaliteit werd tegengegaan.

Door zijn verblijf in Suriname vanaf 1977, langer dan twee jaar, in welke periode verzoeker de gevolgen van langdurig verblijf in Suriname rustig heeft kunnen overzien, heeft verzoeker op grond van artikel 5 tweede lid TOS de Nederlandse nationaliteit verloren. De rechtbank ziet het langdurig verblijf van verzoeker in Suriname – het land waar hij gehuwd is en waar zijn kinderen zijn geboren – tezamen met zijn aanvraag van een Surinaams paspoort als een wilsuiting van verzoeker tot het hebben van de Surinaamse nationaliteit. Door het verlies van de Nederlandse nationaliteit is verzoeker bovendien niet staatloos geworden, zodat ook in die zin geen sprake is van strijd met de grondbeginselen van nationaliteitsrecht.

Ook de stelling van verzoeker dat verlies van nationaliteit slechts mogelijk is door tussenkomst van een rechter, volgt de rechtbank niet. Dit zou immers leiden tot de - juridisch onhoudbare – consequentie dat elk verlies van nationaliteit van rechtswege strijdig is met de grondbeginselen van nationaliteitsrecht.

De rechtbank beslist, gelet op het voorgaande, als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, J.M. Vink en

J.T.W. van Ravenstein bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2019.