Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:287

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
C/09/550485 / HA ZA 18-362
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stelling A: auto verkocht aan B die mij heeft bedrogen met valse bank-app, Rechtbank veronderstelt vernietiging. C biedt auto (nog op naam van A geregistreerd) aan aan D, die deze koopt. D beschermd tegen onbevoegdheid? Te goeder trouw, 3:86 lid 1 BW?l

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/550485 / HA ZA 18-362

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

[eiser A] , te [plaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. Nederlof te Waalwijk,

tegen

[gedaagde B] , te [plaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. D.T. Mensinga te Naaldwijk.

Partijen zullen hierna [eiser A] en [gedaagde B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 mei 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de ambtshalve beschikking van 19 juni 2018 waarin een datum voor comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties van de zijde van [eiser A] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van de comparitie, gehouden op 19 oktober 2018;

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. [gedaagde B] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en bij brief van 13 november 2018 opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal gemaakt. Het proces-verbaal wordt gelezen met inachtneming van deze opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser A] handelt enkele keren per jaar in uit het buitenland geïmporteerde (schade)auto’s. [gedaagde B] dreef ten tijde van de in het geschil zijnde transactie [handelsnaam gedaagde B] te [plaats 3] , een eenmanszaak die inmiddels is ingebracht in een VOF. [gedaagde B] hield zich bezig met de in- en verkoop van auto’s.

2.2.

[eiser A] heeft medio maart 2017 een schadeauto, namelijk een zwarte Audi A3, gekocht in Duitsland (hierna: “de Auto”). Nadat de Auto is gerepareerd is hij vanaf eind mei 2017 voorzien van een Nederlands kenteken, te weten [nummer] .

2.3.

Op enig moment, maar in ieder geval niet later dan op 13 augustus 2017, heeft [eiser A] de Auto verkocht aan [C] voor een bedrag van € 32.000,-. Voor de schriftelijke koopovereenkomst heeft [C] een adres opgegeven dat achteraf onjuist is gebleken. Tussen [eiser A] en [C] heeft voor het sluiten van de koopovereenkomst en vlak hierna sms- en belcontact plaatsgevonden. De koopsom werd direct op het moment van verkoop overgemaakt middels een betalingsapplicatie op de telefoon van [C] . Hierna is de Auto met de eigendomspapieren, de sleutels en het onderhoudsboekje meegegeven aan [C] . Overeengekomen werd dat [C] de Auto op zijn naam zou laten zetten. Als extra zekerheid voor [eiser A] werd een aanvullend bedrag van € 500,- overgemaakt door [C] , voor het geval dat er door toedoen van [C] boetes op naam van [eiser A] zouden ontstaan voordat de Auto aan [C] was overgeschreven. Dit aanvullende bedrag zou na overschrijving van de Auto door [eiser A] aan [C] worden teruggestort. Achteraf is gebleken dat de betaling van de koopsom en het aanvullende bedrag die door de betalingsapplicatie werd getoond niet werkelijk heeft plaatsgevonden, althans [eiser A] heeft van dit feit bij de politie aangifte gedaan op 14 augustus 2017. Ook is gebleken dat de Auto niet is overgeschreven op naam van [C] .

2.4.

De Auto is vervolgens in het bezit gekomen van [X] , een onderneming van [D] . Deze, inmiddels gestaakte, onderneming hield zich onder meer bezig met het handelen in auto’s. De Auto is niet overgeschreven op naam van [X] de Auto nog steeds op naam van [eiser A] stond.

2.5.

Op 14 augustus 2017 heeft [X] de Auto te koop aangeboden aan [gedaagde B] . Tijdens de onderhandelingen met [X] heeft [gedaagde B] bij bestudering van de autopapieren geconstateerd dat de auto niet op naam stond van [X] , maar op naam van [eiser A] . Op vragen hieromtrent antwoordde [D] aan [gedaagde B] dat [eiser A] een klant van hem was en dat de Auto werd verkocht in opdracht van [eiser A] . Eveneens tijdens de onderhandeling heeft [gedaagde B] de registratie van de Auto bij de RDW gecontroleerd en geconstateerd dat de auto niet als gestolen stond aangemerkt.

2.6.

Na enige onderhandeling is tussen [X] en [gedaagde B] mondelinge overeenstemming bereikt en is de auto aan [gedaagde B] verkocht voor een bedrag van € 22.500,-. Hiervoor is een factuur opgesteld en het bedrag is dezelfde dag contant voldaan, waarna de Auto is overgeschreven op naam van [gedaagde B] en aan hem is geleverd.

2.7.

[eiser A] heeft met betrekking tot de verkoop van de Auto tussen hem en [C] op 14 augustus 2017 bij de politie aangifte gedaan van fraude. Als gevolg van de aangifte van [eiser A] is de Auto in het openbare register van de RDW op 15 augustus 2017 als gestolen aangemerkt. Op 15 augustus 2018 is de Auto, die zich op dat moment bevond in het bezit van [gedaagde B] , in verband met het strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen door de Politie Eenheid Den Haag.

2.8.

[eiser A] heeft op 16 januari 2018 conservatoir beslag gelegd op de Auto. Deze bevond zich als gevolg van het strafrechtelijk beslag op dat moment op het terrein van Domeinen Roerende Zaken te Bleiswijk, en bevond zich daar ten tijde van de comparitie nog steeds.

2.9.

Op 24 januari 2018 heeft [eiser A] middels het hem bekende telefoonnummer aan [C] een sms-bericht gestuurd met de volgende inhoud (hierna: “de Vernietigingsverklaring”):

“Geachte heer, hierbij vernietig ik de koopovereenkomst ten aanzien van de Audi A3 met kenteken [nummer] buitengerechtelijk op grond van artikel 3:44 BW. U heeft mij bedrogen door net te doen alsof u de koopsom had overgemaakt, terwijl dat niet het geval is geweest.”

2.10.

Op dit bericht is niet gereageerd door [C] .

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiser A] vordert samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de Auto;

  2. [gedaagde B] te veroordelen tot afgifte van de Auto, voor zover [gedaagde B] de Auto in bezit heeft, op straffe van een dwangsom,

met veroordeling van [gedaagde B] in de kosten van de procedure, de beslagkosten en de nakosten.

3.2.

[eiser A] legt hieraan ten grondslag dat:

  • -

    de overeenkomst tussen hem en [C] is vernietigd;

  • -

    hij aldus eigenaar is gebleven van de Auto en op grond van artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgifte kan vorderen;

  • -

    [gedaagde B] zich niet op derdenbescherming van artikel 3:86 e.v. BW kan beroepen.

In reconventie

3.3.

[gedaagde B] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de Auto;

  2. een verklaring voor recht dat [eiser A] jegens [gedaagde B] aansprakelijk is wegens het ten onrechte gelegde conservatoire beslag en de geleden schade dient te vergoeden;

  3. opheffing van het conservatoire beslag op de Auto, dan wel veroordeling van [eiser A] tot opheffing van het beslag op straffe van een dwangsom;

  4. veroordeling van [eiser A] tot vergoeding van de door [gedaagde B] als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag geleden schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente.

met veroordeling van [gedaagde B] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

3.4.

[gedaagde B] legt hieraan ten grondslag dat:

  • -

    de overeenkomst tussen [eiser A] en [C] niet rechtsgeldig is vernietigd;

  • -

    [eiser A] geen eigenaar is van de Auto en dus geen afgifte kan vorderen;

  • -

    indien [eiser A] toch eigenaar was ten tijde van de verkoop en levering aan [gedaagde B] op 14 augustus 2017, [gedaagde B] bij aankoop van de Auto te goeder trouw was als bedoeld in artikel 3:86 BW zodat hij tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper beschermd wordt en dus eigenaar is geworden.

In conventie en reconventie

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de overeenkomst tussen [eiser A] en [C] rechtsgeldig is vernietigd met de Vernietigingsverklaring. In het geval dat vernietiging van de overeenkomst tussen [eiser A] en [C] rechtsgeldig heeft plaatsgevonden brengt dit in beginsel mee dat [eiser A] ondanks de verkoop en levering van de Auto, eigenaar is gebleven, zodat hij deze op grond van artikel 5:2 BW van [gedaagde B] kan terugvorderen. Dit is slechts anders indien [gedaagde B] bij de aankoop van de Auto te goeder trouw is geweest als bedoeld in artikel 3:86 BW, in welk geval [eiser A] de Auto niet kan terugvorderen onverschillig de eventuele vernietiging van de overeenkomst tussen [eiser A] en [C] . De rechtbank ziet dan ook aanleiding om eerst de goede trouw van [gedaagde B] in de verkoop tussen hem en [X] te beoordelen.

Goede trouw [gedaagde B]

4.2.

Met partijen neemt de rechtbank bij haar beoordeling tot uitgangspunt dat er geen sprake is van diefstal, zodat artikel 3:86 lid 3 BW in de beoordeling van het geschil geen rol speelt. Zodoende dient op grond van artikel 3:86 lid 1 BW beslist te worden over de goede trouw, zoals gedefinieerd in artikel 3:11 BW, van [gedaagde B] ten tijde van de aankoop van de Auto.
[eiser A] stelt dat [gedaagde B] de koopovereenkomst met [X] niet te goeder trouw heeft gesloten, omdat hij niet aan zijn onderzoeksplicht naar de bevoegdheid van [X] heeft voldaan. [gedaagde B] voert hiertegen verweer en stelt dat hij weldegelijk heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

4.3.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de partij die een tweedehands auto koopt in ieder geval onderzoek moet doen naar het kentekenbewijs en het (vroegere) ‘kopie deel III’. Wanneer uit dit onderzoek een afwijking blijkt, dient hiernaar in ieder geval navraag gedaan te worden (zie bijvoorbeeld HR 11 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4361, NJ 2003/399). In de onderhavige zaak is niet in geschil dat [gedaagde B] de Auto heeft gekocht van een professionele partij en dat hij naast de Auto ook alle bijbehorende papieren, sleutels en onderhoudsboekjes heeft verkregen. Hij heeft onderzoek gedaan naar de registratie, en geconstateerd dat de Auto op naam stond van [eiser A] in plaats van [X] . Hiervoor werd echter een verklaring gegeven door [X] , namelijk dat de Auto door [X] in opdracht van [eiser A] werd verkocht. Op deze door [X] gegeven verklaring heeft [gedaagde B] in redelijkheid kunnen vertrouwen, naar het oordeel van de rechtbank, omdat niet weersproken is dat een dergelijke gang van zaken weliswaar niet gebruikelijk is, maar wel met enige regelmaat voorkomt in de autohandel. [gedaagde B] heeft naast deze verklaring van [X] verder aan de op hem rustende onderzoeksplicht voldaan door zelf in het register van de RDW na te gaan of de Auto als gestolen stond geregistreerd. Dat was niet het geval. Niet in geschil is dat de diefstalregistratie er op 14 augustus 2017 nog niet was. In het licht van deze omstandigheden bracht het enkele feit van de andere tenaamstelling niet mee dat [gedaagde B] gehouden was tot nog verder onderzoek naar de bevoegdheid van [X] . Dat een dag na de verkoop en levering de Auto wel als gestolen in het register van de RDW stond ingeschreven, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid doet er namelijk niet aan af dat [gedaagde B] op het tijdstip van het aangaan van de koop, op 14 augustus 2017, te goeder trouw was.

4.4.

Dat [X] de Auto volgens [eiser A] waarschijnlijk om fiscale redenen niet wilde registreren op haar eigen naam, maakt niet dat de onderzoeksplicht van [gedaagde B] daardoor verder reikte.

4.5.

Ook de prijs is, anders dan [eiser A] stelt, niet dusdanig laag dat deze [gedaagde B] tot nader onderzoek aanleiding had moeten geven. [gedaagde B] heeft onderzocht wat de technische staat van de Auto was en hierbij vastgesteld dat het een schadeauto betrof, dat niet-originele onderdelen voor de reparatie zijn gebruikt en dat de reparatieafwerking, zoals het spuitwerk, niet foutloos heeft plaatsgevonden, hetgeen volgens hem waardedrukkende elementen waren. Hiernaast heeft [gedaagde B] geconstateerd dat de Auto een geïmporteerde auto betrof, welke volgens hem in het algemeen een lagere waarde heeft omdat de historie van een dergelijke auto niet is na te gaan, en wilde [X] , getuige de actieve benadering van [gedaagde B] , de Auto graag verkopen, hetgeen volgens [gedaagde B] de prijs evenzeer drukt. [gedaagde B] heeft dan ook in redelijkheid mogen aannemen dat de overeengekomen prijs een reële handelsprijs betrof.

4.6.

Aan het goede trouw vereiste van artikel 3:86 lid 1 BW is daarom voldaan. Dat tevens sprake is van een geldige titel en levering aan [gedaagde B] staat tussen partijen vast. Ook staat vast dat de overdracht aan [gedaagde B] anders dan om niet is geschied. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde B] tegen de (veronderstelde) onbevoegdheid van [X] beschermd wordt. [eiser A] is daarom niet langer eigenaar van de Auto en kan evenmin afgifte vorderen. De vorderingen van [eiser A] zullen dan ook worden afgewezen.

4.7.

Bij deze stand van zaken kan het antwoord op de vraag of de overeenkomst tussen [eiser A] en [C] rechtsgeldig is vernietigd in het midden blijven.

Proceskosten in conventie

4.8.

[eiser A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  • -

    Griffierecht € 895,00

  • -

    Salaris advocaat € 922,00 (2 punt × tarief € 461,00)

Totaal € 1.817,00

In reconventie

Eigendom auto

4.9.

[gedaagde B] vordert een verklaring voor recht dat hij de rechtmatige eigenaar van de Auto is. Uit hetgeen dat is overwogen in conventie volgt dat dit zal worden toegewezen.

Beslaglegging en schadestaatprocedure

4.10.

[gedaagde B] vordert opheffing van het door [eiser A] gelegde conservatoire beslag op de Auto. Uit hetgeen dat is overwogen in conventie volgt dat het door [eiser A] als beslaglegger ingeroepen recht ondeugdelijk is gebleken, zodat het beslag zal worden opgeheven.

4.11.

[gedaagde B] vordert een verklaring voor recht dat [eiser A] aansprakelijk is wegens het ten onrechte gelegde conservatoire beslag op de Auto, en dat hij de hierdoor geleden schade dient te vergoeden. [eiser A] verweert zich met de stelling dat, daar [eiser A] eigenaar is gebleven van de Auto, het conservatoir beslag door hem terecht is gelegd en dat voor toewijzing van de reconventionele vordering dus geen ruimte is.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. De vordering in verband waarmee het beslag is gelegd wordt door de rechtbank afgewezen. In een dergelijk geval rust volgens vaste jurisprudentie (HR 11 april 2003, NJ 2003, 440 en HR 5 december 2003, NJ 2004, 150) op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag, behoudens bijzondere omstandigheden. [eiser A] heeft zich niet beroepen op het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden.

4.13.

Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW is echter tevens vereist dat sprake is van schade. [gedaagde B] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het civiele beslag dat door [eiser A] is gelegd enige schade tot gevolg heeft gehad. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er op het moment dat het civiele beslag door [eiser A] werd gelegd al geruime tijd een strafrechtelijk beslag op de Auto lag, en dat tijdens de comparitie is gebleken dat dit laatstgenoemde beslag ook nog steeds op de Auto ligt. Het civiele beslag dat door [eiser A] is gelegd had en heeft dus geen invloed op de feitelijke situatie, en het is zonder nadere onderbouwing dan ook onbegrijpelijk waarom [gedaagde B] wegens het civiele beslag omzetschade en schade wegens waardevermindering van de auto zou hebben geleden. Ook de kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub a en sub b BW die [gedaagde B] als schadepost heeft opgevoerd hangen samen met de onderhavige civiele procedure en de strafrechtelijke procedure. Zij zijn dus niet het gevolg van het door [eiser A] gelegde beslag. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiser A] aansprakelijk is voor het door hem gelegde beslag en de vordering tot verwijzing naar een schadestaatprocedure zullen dan ook worden afgewezen.

Proceskosten in reconventie

4.14.

De uitkomst van het geschil in reconventie rechtvaardigt dat de kosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser A] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde B] tot op heden begroot op € 1.817,00, en op € 157,00 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

in reconventie

5.3.

verklaart voor recht dat [gedaagde B] de rechtmatige eigenaar is van de Auto, kenteken [nummer] ;

5.4.

heft op het door [eiser A] op 16 januari 2018 gelegde beslag op de Auto;

5.5.

compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.6.

wijst het anders of meer gevorderde af;

in conventie en reconventie

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.1

1 type: coll: