Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:286

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
C/09/542434 / HA ZA 17-1156
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Geschil over erfgrens, hoogte erfafscheiding, beplanting nabij de erfgrens, onrechtmatige hinder, verkrijging eigendom door verjaring, mandeligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG


Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/542434 / HA ZA 17-1156

Vonnis van 2 januari 2019

in de zaak van

1 [eisende partij 1] ,

2. [eisende partij 2], beiden te [plaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.A. Abraha te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] , te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P. Smit te Spijkenisse.

Partijen zullen hierna [eisende partij 1] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;

- het tussenvonnis van 28 februari 2018;

- de bij akte van 29 mei 2018 ingediende producties;

- het proces-verbaal van descente en comparitie van 14 juni 2018 met aangehechte foto’s;

  • -

    de akte vermeerdering van eis in conventie van [eisende partij 1] ;

  • -

    de akte vermeerdering van eis in reconventie van [gedaagde] met producties;

  • -

    de akte van [gedaagde] na eisvermeerdering in conventie van [eisende partij 1] ;

  • -

    de akte van [eisende partij 1] na eisvermeerdering in reconventie van [gedaagde] met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij 1] c.s. is sinds 1 december 2006 eigenaar van het woonhuis en het perceel grond aan de [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend als [plaats] , [sectie X] , nummer 3050 (hierna te ook te noemen perceel [X3050] ). [gedaagde] is sinds 3 november 2009 eigenaar van het woonhuis en de percelen grond aan de [adres 2] , kadastraal bekend als [plaats] , [sectie X] , nummers 2350, 3049, 3060 en 3528 (hierna ook te noemen respectievelijk perceel [X2350] , [X3049] , [X3060] en [X3528] ). [X2350] betreft de voortuin en woonhuis, [X3049] betreft een prieel en [X3528] de achtertuin en het zich daarop bevindende gebouw. [X3060] is een deel van de tuin waar vroeger een schuur van [gedaagde] stond. De kadastrale kaart wordt hieronder weergegeven. De rode lijnen met aanduiding zijn door de rechtbank toegevoegd.

Ten overvloede: perceel [X3060] speelt in deze zaak geen rol van betekenis.

2.2.

Op 24 augustus 2017 heeft het kadaster op verzoek van [eisende partij 1] een grensreconstructie gedaan. De daarbij behorende tekening is als volgt, waarbij de rode stippellijn de erfgrens aangeeft die het kadaster heeft uitgemeten:

2.3.

In het bijbehorende relaas van bevindingen (hierna ook zodanig te noemen) is opgenomen:


grens tussen de woningen [1 en 2] is kant muur (muur hoort bij perceel 3050) en het verlengde daarvan naar voor en achter en daar aangegeven met 2 ijzeren buizen.
Bij perceel 3049 is de grens kant schuur behalve bij de meest noordoostelijke gevel, daar loopt de grens op 0,24 meter evenwijdig hieraan in zuidwestelijke richting

2.4.

Aan de voorkant (straatzijde) staat tussen beide woningen een blauw metalen hek, dat doorloopt tot aan de stoep van de [Straat] . De grens met de stoep wordt aan de zijde van [eisende partij 1] gevormd door een heg. Volgens de grensreconstructie van het kadaster staat het blauwe hek op het perceel van [X2350] van [gedaagde] . De ter comparitie door de griffier gemaakte foto (vooraanzicht) laat dat zien (kadasterpaaltje rechtsonder, blauwe hek linksboven, omcirkeling Rb):

2.5.

Tussen beide woningen, in het verlengde van het ijzeren hek, staat een stenen muur (hierna ook te noemen de muur). De penanten van deze muur, dat wil zeggen de uitspringende muurgedeelten, staan tegen de door het kadaster nagemeten erfgrens aan, aan de zijde van perceel [X3050] , waardoor de gehele muur op het perceel van [eisende partij 1] staat.

2.6.

In het verlengde van de muur staat een prieel. Dit prieel staat op perceel [X3049] en is eigendom van [gedaagde] . Van twee binnenmuren van het prieel is op de descente een foto genomen. De zuidwestelijke binnenmuur is aan de linkerzijde te zien en de noordwestelijke binnenmuur aan de rechterzijde.

2.7.

Van de zuidwestelijke muur is op de descente ook aan de buitenzijde een foto genomen, dus vanaf het perceel van [eisende partij 1] :

2.8.

In het verlengde van het prieel staat een muur met aan de zijde van [eisende partij 1] een overkapping (hierna ook te noemen de overkapping). Daarvan is op de descente de volgende foto genomen aan de zijde van [eisende partij 1] :

2.9.

In het verlengde van de muur met overkapping staat een houten schutting die doorloopt tot aan het einde van beide erven. De eerste drie strekkende meters, gemeten vanaf het einde van de muur met overkapping, is deze schutting 2,78 meter hoog, gemeten op het erf van [eisende partij 1] , en 2,55 meter hoog, gemeten op het erf van [gedaagde] .

2.10.

Vanuit de tuin van [eisende partij 1] is de volgende foto genomen van de overgang van de muur met overkapping naar de houten schutting. Daarop is te zien dat de eerste paal van de schutting tegen de rand van de afscheidingsgevel van de overkapping staat:

2.11.

Waar nu de planken van het hoge deel van de houten schutting liggen, stond tot 2014 een stenen muur. Die stenen muur was even hoog als de overkapping van [eisende partij 1] en dus enkele centimeters hoger dan de huidige (hoge) schutting.

2.12.

Na de eerste drie strekkende meters is de schutting lager. Gemeten op het erf van [eisende partij 1] is dat deel van de schutting 1,99 meter hoog en gemeten vanaf het erf van [gedaagde] 1,76 meter.

2.13.

Op of vlakbij de plek waar nu het lage gedeelte van de schutting staat, stond tot 2010 een stenen muur, met ongeveer dezelfde hoogte. De betonnen funderingspaaltjes van die vroegere muur staan nog in de tuin van [eisende partij 1] . Deze paaltjes (waarvan één door de rechtbank is omcirkeld op de volgende foto) staan, gemeten vanuit het midden van het paaltje, op 4 cm van de planken van de lage schutting:


2.14.

Volgens de kadastrale nameting staat de gehele schutting op perceel [X3050] . Het door de medewerker van het kadaster geslagen grenspaaltje staat in de tuin van [gedaagde] , op 10 cm van de planken van de schutting. Dit is te zien op de volgende foto (paaltje omcirkeld door de rechtbank).


2.15.

In de achtertuin van [gedaagde] , op 35 tot 37 centimeter van de schutting, staan platanen. Een aantal van die platanen staat ter hoogte van de tuin van de achterburen van [eisende partij 1] en een aantal staat ter hoogte van het perceel van [eisende partij 1] . In de tuin van [gedaagde] is de volgende foto genomen, waarop zowel het hoge deel als het lage deel van de schutting te zien zijn, als een aantal platanen.

2.16.

In de achtertuin van [eisende partij 1] staat een prunus. Deze is tijdens de descente gefotografeerd vanuit de tuin van [gedaagde] :

2.17.

In de voortuin van [eisende partij 1] staat ook een aantal bomen. Deze bomen zijn tijdens de descente niet gefotografeerd.

2.18.

[eisende partij 1] heeft de schoorsteen op zijn woning verhoogd met zeven rijen bakstenen. Daarvoor heeft hij geen bouwvergunning aangevraagd. Van de schoorsteen is op de descente de volgende foto genomen:

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisende partij 1] vordert, na vermeerdering en wijziging van eis, dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad

Primair:

I. [gedaagde] veroordeelt om de zeven bomen die in de tuin van [gedaagde] staan binnen twee meter vanaf de erfgrens tussen partijen te (doen) verwijderen, dan wel te (doen) snoeien en gesnoeid te houden tot de hoogte van maximaal twee meter (gemeten vanaf het perceel van [eisende partij 1] ) en wel binnen twintig dagen na het betekenen van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat [gedaagde] (geheel of gedeeltelijk) in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen.

II. voor recht verklaart dat het [eisende partij 1] is toegestaan de schutting die op het perceel van [eisende partij 1] staat (kadastraal aangeduid als [plaats] [X3050] ) te (doen) verwijderen en [gedaagde] te veroordelen de helft van deze kosten aan [eisende partij 1] te voldoen binnen veertien dagen nadat [eisende partij 1] de factuur aan [gedaagde] heeft verstrekt.

III. [gedaagde] te veroordelen om volledige medewerking te verlenen aan het plaatsen van een scheidsmuur van twee meter hoogte (te meten vanaf het perceel van [eisende partij 1] ) op de erfgrens op gezamenlijke kosten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde] (geheel of gedeeltelijk) in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen.

IV. [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij 1] te betalen een bedrag van € 4.800,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag ter schadeloosstelling.

Subsidiair:

I. [gedaagde] te veroordelen de hoogte van de schutting terug te brengen tot twee meter (gemeten vanaf het perceel van [eisende partij 1] ) en wel binnen twintig dagen na het betekenen van het in dezen te wijzen vonnis, en op twee meter te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde] (geheel of gedeeltelijk) in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 50.000,-

Zowel primair als subsidiair:

I. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf van de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 925,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.

in reconventie

3.2.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de erfgrens tussen de percelen [adres 1] en [adres 2a] gevormd wordt door de schutting en de stenen muur, zoals die er op dit moment staan;

II. voor recht verklaart dat de erfgrens tussen de percelen [adres 1] en [adres 2b] gevormd wordt door de buitenmuren van het prieel van [gedaagde] en door de stenen muur die aan dat prieel is bevestigd en richting de openbare weg loopt waarbij de erfgrens vanaf het einde van die stenen muur tot aan de openbare weg loopt op de lijn die het kadaster op het relaas van bevindingen als erfgrens heeft weergegeven;

[eisende partij 1] hoofdelijk te veroordelen tot:

III. het binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis verlenen van hun medewerking aan de inschrijving van de huidige erfgrenzen, zoals die in de randnummers 6 en 9 van de akte houdende vermeerdering van eis in reconventie zijn beschreven;

IV. het verwijderen en verwijderd houden van de stenen muur tussen de houten schutting en het prieel van [gedaagde] , zulks binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

V. het verwijderen en verwijderd houden van het op het prieel aangebrachte stucwerk en de door [eisende partij 1] in het prieel aangebrachte gaatjes netjes en deugdelijk te dichten met een vochtdoorlatend vulmiddel, zulks binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

VI. de door [eisende partij 1] aangebrachte verlenging van zijn stenen schoorsteen te verwijderen en verwijderd te houden, zulks binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

VII. het ijzeren hek en het tuinhek in de voortuin van [gedaagde] te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover deze zaken op de grond van [gedaagde] staan, zulks binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

VIII. het verwijderen en verwijderd houden van alle bomen op het perceel [adres 1] die zich bevinden op een afstand van 2 meter of korter van de grenslijn tussen de percelen [adres 1] enerzijds en [adres 2] anderzijds, althans (subsidiair) [eisende partij 1] te veroordelen tot het betalen van een in goede justitie te bepalen schadevergoeding aan [gedaagde] ;

al het vorenstaande (met uitzondering van de subsidiair gevorderde schadevergoeding) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag per overtreding, met een maximum van € 10.000,- per overtreding;

IX. [eisende partij 1] te gebieden om zich te onthouden van het zonder toestemming van [gedaagde] snoeien van bomen en planten van [gedaagde] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

Met veroordeling van [eisende partij 1] in de kosten van het geding.

Beoordeling in conventie en in reconventie:

Inleiding

3.3.

Nu tussen partijen veel verschillende geschilpunten bestaan en partijen voor veel geschilpunten over en weer vorderingen hebben ingesteld, zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid per geschilpunt de standpunten van partijen en de beoordeling van de rechtbank geven.

3.4.

De rechtbank zal eerst vaststellen welke erfgrens tussen partijen heeft te gelden, nu die erfgrens voor het grootste deel van de geschillen van bepalend belang is. Daarbij zal de rechtbank, wederom ten behoeve van de leesbaarheid, een onderscheid maken tussen de verschillende erfgrenzen. De erfgrens tussen de percelen [X3050] en [X2350] , dus lopend vanaf de straat tot de muur van het prieel, zal in het navolgende worden onderscheiden in erfgrens voortuin en erfgrens stenen muur. De erfgrens tussen de percelen [X3049] en [X2350] zal worden aangeduid als erfgrens prieel. Ten slotte zal de erfgrens tussen de percelen [X3050] enerzijds en [X3060] en [X3528] anderzijds, dus lopend vanaf de buitenkant van de zuidwestelijke muur van het prieel tot aan het einde van de achtertuin van [eisende partij 1] , in het navolgende worden onderscheiden in erfgrens overkapping, erfgrens hoge schutting en erfgrens lage schutting.

Erfgrens voortuin

3.5.

Partijen twisten niet over het feit dat de kadastrale erfgrens in de voortuin niet overeenkomt met de feitelijke erfgrens. Kort gezegd staat het hek in de voortuin van [eisende partij 1] voor het grootste gedeelte op perceel [X2350] van [gedaagde] . [eisende partij 1] heeft dus een strookje grond in gebruik dat volgens de in het kadaster ingeschreven aktes behoort tot het perceel van [gedaagde] . [gedaagde] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat die kadastrale erfgrens (nog altijd) de erfgrens is tussen de percelen. [eisende partij 1] heeft zich in zijn akte van 25 juli 2018, in reactie op die vordering, op het standpunt gesteld dat de feitelijke erfgrens in de voortuin al minstens net zo lang op dezelfde locatie ligt als de rest van de erfafscheiding tussen de percelen. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op verkrijging door verjaring van de grond die aan zijn zijde van het tuinhek is gelegen en, in het verlengde daarvan, als een beroep op wijziging van de juridische erfgrens tussen de percelen.

3.6.

Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit dat goed op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid (de zogeheten bevrijdende verjaring), ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn is twintig jaar (artikel 3:306 BW) en begint op de dag volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW). Gelet op het bepaalde in artikel 72 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, kan de bevrijdende verjaring niet eerder zijn voltooid dan op 1 januari 1993. Een vereiste voor verkrijging van eigendom door verjaring is ondubbelzinnig bezit. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW en volgende. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de vordering loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen

3.7.

Het beroep op verjaring is een zelfstandig verweer van [eisende partij 1] tegen het door [gedaagde] gevorderde. Het is daarom op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan [eisende partij 1] om feiten ten omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat zijn beroep op verjaring slaagt.

3.8.

Het beroep van [eisende partij 1] op verkrijging van eigendom door bevrijdende verjaring kan niet slagen. [eisende partij 1] heeft tijdens de comparitie zelf verklaard dat het hek in de voortuin ongeveer 10 jaar geleden is geplaatst in overleg met de vorige buren. Evenmin verhoudt zijn stelling zich met de door [gedaagde] bij akte van 29 mei 2018 in het geding gebrachte brief van 28 mei 2018 van de heer [A] , voormalig eigenaar van de woning van [gedaagde] . In die brief, waarvan authenticiteit noch inhoud door [eisende partij 1] zijn betwist, verklaart de heer [A] dat het tuinhek in 2008 op verzoek van de heer [eisende partij 1] is geplaatst. [eisende partij 1] heeft niet concreet gesteld hoe de erfgrens werd gevormd voordat het tuinhek in kwestie werd geplaatst. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat het tuinhek gedurende meer dan twintig jaar op de huidige plaats heeft gestaan en dat dus ook niet kan worden geoordeeld dat [eisende partij 1] (en zijn rechtsvoorgangers) gedurende meer dan twintig jaar de betwiste strook grond in bezit hebben gehad.

3.9.

Het beroep op verkrijging van eigendom door verjaring kan onder deze omstandigheden slechts slagen als [eisende partij 1] ten aanzien van het bezit van de betreffende strook grond in de voortuin te goeder trouw is geweest. In dat geval zou hij namelijk op grond van artikel 3:99 lid 1 BW na een onafgebroken bezit van tien jaar eigenaar zijn geworden door verkrijgende verjaring. Daartoe had [eisende partij 1] moeten stellen dat en onderbouwen waarom hij zich sinds 2008 redelijkerwijs als rechthebbende op dat stukje grond mocht beschouwen. [eisende partij 1] heeft op dat punt echter niets gesteld. Nu bij bezit van registergoederen in de regel pas van goede trouw kan worden gesproken als iemand heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen op de kadastrale inschrijving, maar in dit geval vaststaat dat de kadastrale inschrijving van een andere erfgrens uitgaat dan de feitelijke erfgrens, kan het beroep van [eisende partij 1] op verkrijging van eigendom door verjaring niet slagen.

3.10.

De rechtbank neemt, concluderend, als vaststaand aan dat de erfgrens tussen de percelen [X3050] en [X2350] , voor wat betreft het deel dat loopt vanaf de stoep van de straat tot aan de stenen muur tussen de huizen, niet is gewijzigd. Deze is gelegen op de plek die in het kadaster als erfgrens is ingeschreven, meer specifiek zoals aangegeven op de kadastrale nameting van 24 augustus 2017. [gedaagde] heeft recht op en belang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht en verwijdering van het door (de rechtsvoorganger van) [eisende partij 1] op zijn grond geplaatste tuinhek. Zijn vorderingen op dat punt zullen daarom worden toegewezen.

Erfgrens stenen muur

3.11.

Voor wat betreft de erfgrens ter hoogte van de stenen muur tussen het tuinhek en het prieel heeft [gedaagde] in zijn akte van 11 juli 2018, onder verwijzing naar de eerder genoemde verklaring van de heer [A] , gesteld dat de stenen muur al sinds 1970 op dezelfde plek staat en de feitelijke erfgrens tussen de beide percelen vormt. In de verklaring van [A] valt te lezen dat hij (als rechtsvoorganger van [gedaagde] ) de stenen muur heeft laten metselen in 1970 op de erfgrens. De inhoud van deze verklaring is door [eisende partij 1] niet, dan wel niet voldoende, betwist. Wel is op de descentezitting besproken dat een deel van deze stenen muur na 1970 opnieuw is gemetseld, maar niet dat de muur na 1970 ooit op een andere plek heeft gestaan dan dat deze nu staat. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat de stenen muur tussen het prieel en het tuinhek al sinds 1970 onafgebroken staat op een plek die volgens de kadastrale nameting hoort bij perceel [X3050] van [eisende partij 1] .

3.12.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of [gedaagde] bezit heeft gehad van de strook grond tussen de feitelijke erfgrens en de kadastrale erfgrens.

Nu een muur in verstedelijkt gebied als het onderhavige in het algemeen functioneert als grensafscheiding, en beide partijen de muur ook als zodanig hebben beschouwd, en nu niet is betwist dat [gedaagde] (en zijn rechtsvoorganger) de strook grond heeft onderhouden en als zijn tuin heeft gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat (de rechtsvoorganger van ) [gedaagde] de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de feitelijke erfgrens in bezit heeft gehad.

3.13.

Gelet op het onder 3.6 genoemde overgangsrecht is de vordering van [eisende partij 1] tot verwijdering van de stenen muur, althans tot beëindiging van het bezit van de grond die in 1970 door [A] in bezit is genomen, op 1 januari 1993 verjaard. [A] is daarmee eigenaar geworden van de grond die hij in 1970 in bezit heeft genomen, zijnde de grond tot aan de helft van de stenen muur.

3.14.

Daarmee is de erfgrens dus komen te liggen onder de stenen muur. De rechtbank wijst om die reden de door [gedaagde] in reconventie gevorderde verklaring voor recht voor wat betreft de erfgrens bij de stenen muur toe, in die zin dat die grens zal worden gevormd door de denkbeeldige lijn die loopt precies in het midden van de stenen muur, de penanten meegerekend. Nu die vastgestelde erfgrens afwijkt van de kadastraal bekende erfgrens heeft [gedaagde] recht op een gewijzigde inschrijving van de erfgrens bij het kadaster. Ook die vordering wordt dus toegewezen.

Erfgrens prieel

3.15.

De muur van het prieel van [gedaagde] ligt, volgens de kadastrale nameting, voor een deel op perceel [X3050] , dat eigendom van [eisende partij 1] is. Volgens diezelfde kadastrale nameting zou er aan de noordoostelijke kant nog een stuk van het prieel zijn (een soort uitsteeksel) dat er in werkelijkheid niet is, zoals op de descente ook is geconstateerd. Dat betekent dat de kadastrale nameting dus in ieder geval op dat punt een onjuistheid bevat.

3.16.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie gesteld dat de oppervlakte van het prieel 4,42 m2 is. Dit is door [eisende partij 1] niet betwist. In de notariële akte van levering van 30 december 1996 staat beschreven dat door de heer [B] (toenmalige eigenaar [adres 1] ), aan de heer [A] (toenmalige eigenaar [adres 2b] ) was verkocht en werd geleverd: “Het schuurtje met ondergrond, (…), uitmakende een gedeelte ter grootte van ongeveer vier tweeënveertig/honderdste centiare van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] [sectie X] nummer 2963, geheel groot zes are vijftien centiare, zoals het bij deze akte verkochte door middel van zwarte arcering schetsmatig is aangegeven op de aan deze akte te hechten, door de comparanten gewaarmerkte situatietekening;” Eén centiare staat, ten overvloede, gelijk aan één m2.

3.17.

[gedaagde] heeft ten slotte gesteld, onder verwijzing naar een ondertekende verklaring van de heer [A] , dat de plaats van het prieel sinds de aankoop door de heer [A] nooit is verplaatst. [eisende partij 1] heeft deze stelling, noch de inhoud van de verklaring van de heer [A] , betwist.

3.18.

Op grond van de akte van levering uit 1996 en de ongewijzigde situatie sinds de levering kan dus worden vastgesteld dat alleen het prieel met ondergrond, zoals dat thans nog steeds bestaat, door de rechtsvoorganger van [eisende partij 1] aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] in eigendom is overgedragen. De kadastrale nameting van 24 augustus 2017 doet aan die vaststelling niet af en kan, gelet op het voorgaande, niet anders zijn dan een verkeerde weergave van de grenzen van het eigendom van partijen. [gedaagde] heeft om die reden recht op inschrijving van de juiste erfgrens tussen de percelen 3050 en 3049 in de openbare registers. De door [gedaagde] in dit kader in reconventie gevorderde verklaring voor recht en inschrijving in het kadaster op dit punt worden om die reden toegewezen. Omgekeerd zal de vordering in conventie van [eisende partij 1] tot schadeloosstelling worden afgewezen voor zover deze vordering ziet op verloren eigendom van prieel en ondergrond. [gedaagde] heeft ter hoogte van het prieel immers nooit grond in bezit gehad die behoorde tot het eigendom van [eisende partij 1] .

Erfgrens overkapping

3.19.

[gedaagde] vordert de verwijdering van het stenen muurtje tussen het prieel en de hoge schutting. Tegelijkertijd vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat deze stenen muur als erfgrens dient te worden aangemerkt. Deze vorderingen zijn innerlijk tegenstrijdig. De rechtbank overweeg als volgt.

3.20.

Volgens de kadastrale nameting staat de muur feitelijk op perceel [X3050] van [eisende partij 1] , tegen de erfgrens aan. Zoals uit de eerder aangehaalde en onbetwiste brief van de heer [A] volgt, staat ook die muur al sinds 1970 op dezelfde plaats. Onbetwist is ten slotte dat [gedaagde] tegen die muur zelf lange tijd een schuurtje had staan met eigen muur.

3.21.

Voor de stelling van [gedaagde] , dat het muurtje op zijn grond zou staan, is, mede gelet op hetgeen in de vorige alinea is overwogen, geen enkele sluitende onderbouwing gegeven. Om die reden zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen.

Erfgrens hoge schutting

3.22.

[eisende partij 1] vordert een verklaring voor recht dat het hem is toegestaan de schutting te verwijderen nu deze op zijn erf ( [X3050] ) staat, zo stelt hij. [gedaagde] vordert daarentegen juist een verklaring voor recht dat de huidige schutting de erfgrens tussen de percelen [X3050] en [X3528] vormt, nu op dezelfde plek al sinds 1973 de feitelijke scheiding tussen de erven vormt en enige vordering van [eisende partij 1] tot wijziging van de situatie thans is verjaard.

3.23.

Partijen twisten niet over het feit dat, voordat de hoge schutting in 2014 geplaatst werd, op die plek een muur van een schuur stond en dat die muur op het erf van [gedaagde] stond. Die muur was net zo hoog als of hoger dan de huidige hoge schutting. In een verklaring van de heer [C] van 26 juni 2017, die in geen enkel opzicht is betwist door [eisende partij 1] , schrijft [C] dat die schuur in 1973 is geplaatst op het erf van [C] , de rechtsvoorganger van [gedaagde] , tegen de erfgrens aan.

3.24.

Het voorgaande houdt in ieder geval in dat, nu de oude stenen muur van de schuur sinds 1973 hoger was dan enige op grond van de wet toegestane hoogte van 2 meter, een eventuele vordering van (de rechtsvoorganger van) [eisende partij 1] om aan die situatie een einde maken al in 1993 is verjaard.

3.25.

Partijen twisten over de vraag of de huidige hoge schutting op exact dezelfde plek staat als de oude muur. Daarbij richt de discussie zich niet zozeer op de planken van de schutting, want partijen zijn het erover eens dat die op dezelfde plaats liggen als waar vroeger de muur stond. De discussie gaat enkel over de palen van de schutting. Volgens [eisende partij 1] zijn de houten palen van de schutting aan zijn kant geplaatst, daar waar vroeger geen palen stonden. Daarmee staat in zijn ogen thans de gehele schutting voor een deel op zijn perceel.

3.26.

De rechtbank stelt vast dat op de lijn waar nu de planken van de hoge schutting liggen sinds 1973 de buitenzijde van de muur was gelegen die de erven scheidde. Op dezelfde gronden als overwogen onder 3.12 is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van bezit van de rechtsvoorganger van [gedaagde] . Voor zover die grond op dat moment niet van hem was, is die grond uiteindelijk op enig moment in 1993 zijn eigendom geworden, omdat de vordering van de rechtsvoorganger van [eisende partij 1] tot beëindiging van het bezit van die grond op die datum is komen te verjaren. De erfgrens lag ofwel al in 1973 tegen de stenen muur aan, of is daar in 1993 tegenaan komen te liggen, aan de zijde van het erf van [eisende partij 1] .

3.27.

Niet ter discussie staat dat in 2014 een schutting is geplaatst op nagenoeg dezelfde plek als de oude stenen muur, met dien verstande dat de houten palen, die de schutting rechtopstaand houden en daarvan om die reden een wezenlijk onderdeel uitmaken, op het erf van [eisende partij 1] staan. Dat volgt ook uit de foto’s van de descente: de palen staan tegen de afscheiding van de overkapping van [eisende partij 1] aan. Er staat dus sinds de dag van plaatsing van de schutting een vrijstaande erfafscheiding waar de erfgrens in de lengterichting onderdoor loopt. Dat maakt de schutting op grond van artikel 5:62 lid 1 BW gemeenschappelijk eigendom en mandelig.

3.28.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eisende partij 1] tot verwijdering van de hoge schutting niet kan slagen. Op de erfgrens ligt thans een mandelige scheidsmuur. Nu deze grens ten gevolge van bevrijdende verjaring anders ligt dan in de kadastrale nameting is beschreven heeft [gedaagde] recht op en belang bij een gewijzigde inschrijving in de openbare registers. Diens vordering tot medewerking aan een gewijzigde inschrijving zal om die reden worden toegewezen.

Lage schutting

3.29.

Voor de lage schutting geldt grotendeels dezelfde beoordeling. Vast staat, althans door [eisende partij 1] is onvoldoende gemotiveerd betwist, dat sinds 1973 op dezelfde of bijna dezelfde plek als waar nu de lage schutting staat een stenen muur stond die als erfafscheiding fungeerde en die even hoog was als de huidige schutting. Gelet daarop heeft de rechtsvoorganger van [gedaagde] ergens in 1993 als gevolg van bevrijdende verjaring de grond in eigendom gekregen die aan zijn zijde van de toenmalige stenen muur lag. Ook de vordering om zich te verzetten tegen de aanwezigheid van een scheidsmuur van hoger dan twee meter en een vordering tot plaatsing van een lagere scheidsmuur is daarmee al in 1993 komen te verjaren.

3.30.

[eisende partij 1] stelt zich op het standpunt dat de schutting niet op dezelfde plek is geplaatst als de oude muur, dus niet onafgebroken voor meer dan twintig jaar op dezelfde plek staat en dat een beroep op verjaring om die reden niet kan slagen. Dat standpunt deelt de rechtbank niet. Ten eerste is de vordering tot beëindiging van het bezit van de door de rechtsvoorganger van [gedaagde] in bezit genomen grond al in 1993 verjaard. De grond aan de zijde van [gedaagde] is al vanaf dat moment in eigendom van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] . Ten tweede is op de descente gebleken, en is ook te zien op de foto in punt 2.13, dat de huidige houten palen van de schutting weliswaar niet op exact dezelfde plek staan als waar vroeger de betonnen funderingspaaltjes van de muur stonden, maar wel op dezelfde lijn. Het enkele feit dat de palen van de schutting een andere plek hebben gekregen dan de oude palen van de muur maakt onder die omstandigheid niet dat daarmee de gehele schutting op een andere plaats is komen te staan dan waar de muur vroeger stond.

3.31.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de erfgrens, in het verlengde van de hoge schutting, als gevolg van bevrijdende verjaring ergens in 1993 is komen te liggen op de plek waar thans de lage schutting staat. Nu deze erfgrens anders ligt dan in de kadastrale nameting is beschreven heeft [gedaagde] recht op en belang bij een gewijzigde inschrijving in de openbare registers. Diens vordering tot medewerking aan een gewijzigde inschrijving zal om die reden worden toegewezen.

Mandeligheid:

3.32.

Ten overvloede geeft de rechtbank beide partijen in overweging dat de stenen muur tussen de huizen, de hoge schutting en de lage schutting mandelig zijn. Beide partijen zijn daarmee gezamenlijk verantwoordelijk voor het onderhoud daarvan en zullen dus bij afbraak of vervanging in onderling overleg moeten treden.


Schadeloosstelling:

3.33.

[eisende partij 1] vordert een schadeloosstelling voor het feit dat hij door verjaring verschillende stukjes grond aan [gedaagde] is kwijtgeraakt. [eisende partij 1] heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309). [gedaagde] betwist dat hij een schadeloosstelling aan [eisende partij 1] verschuldigd is. Hij stelt in dit verband dat hij de stukjes grond te goeder trouw heeft verkregen, evenals zijn rechtsvoorgangers. Zo al sprake zou zijn geweest van kwade trouw dan is dit hooguit aan de orde bij de rechtsvoorgangers van [gedaagde] , maar niet bij [gedaagde] zelf. Subsidiair heeft [gedaagde] de hoogte van de gevorderde schadeloosstelling betwist.

3.34.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het door [eisende partij 1] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 volgt dat een bezitter die door bevrijdende verjaring eigenaar wordt, onder omstandigheden bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW. De Hoge Raad heeft in dit arrest overwogen dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Dat brengt mee dat deze laatste, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt, aldus de Hoge Raad.

3.35.

In de onderhavige situatie gaat voornoemde uitspraak van de Hoge Raad naar het oordeel van de rechtbank echter niet op. Zoals eerder is overwogen is de rechtsvoorganger van [eisende partij 1] het eigendom van de verschillende strookjes grond als gevolg van bevrijdende verjaring in 1993 verloren aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] . [eisende partij 1] was toen nog geen eigenaar van het perceel in kwestie.

3.36.

In de eerste plaats houdt dat in dat het handelen van de rechtsvoorganger van [gedaagde] niet onrechtmatig is geweest jegens [eisende partij 1] . Immers, zowel de inbezitname van de grond als het verlies van eigendom daarvan door verjaring hebben plaatsgevonden voordat [eisende partij 1] eigenaar van de percelen werd.

3.37.

In de tweede plaats heeft dat tot gevolg dat [eisende partij 1] nooit schade heeft geleden. Omdat zijn rechtsvoorganger in 2006 al zo’n dertien jaar geen eigenaar meer was van de strookjes grond in kwestie, heeft zijn rechtsvoorganger die strookjes grond op dat moment dus ook helemaal niet aan [eisende partij 1] kunnen leveren. Hij was daar immers niet toe bevoegd. [eisende partij 1] heeft die strookjes daarom nooit in eigendom gehad en kan dat eigendom dus ook niet zijn verloren.

3.38.

Nu onrechtmatigheid en schade beide essentiële voorwaarden zijn voor het vaststellen van een vordering uit onrechtmatige daad, maar beide voorwaarden in dit geval ontbreken, kan de vordering van [eisende partij 1] niet slagen. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

Stucwerk prieel

3.39.

Ten aanzien van het stucwerk aan de zuidwestelijke buitenzijde van het prieel is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat hij schade lijdt of heeft geleden als gevolg van ondeskundig verrichte handelingen aan de buitenzijde van de muur door [eisende partij 1] . Ter plaatse heeft de rechtbank geconstateerd dat er op meerdere muren aan de binnenzijde van het prieel van [gedaagde] vocht en/of schimmelplekken te zien waren. Gelet op de betwisting aan de zijde van [eisende partij 1] had het op de weg van [gedaagde] gelegen om op z’n minst met een gemotiveerde onderbouwing te komen van én de ongeschiktheid van de door [eisende partij 1] gebruikte mortel, én het oorzakelijk verband tussen het gebruik van dergelijke mortel en de door [gedaagde] ervaren vochtschade. Die onderbouwing heeft [gedaagde] niet gegeven, zodat de rechtbank zijn stellingen als onvoldoende gemotiveerd passeert en bij eindvonnis zal afwijzen.

Platanen

3.40.

Zoals opgemeten tijdens de descente staan de platanen in de achtertuin van [gedaagde] op 35 tot 37 cm van de houten schutting. Dat betekent dat het voor de beoordeling van de vordering van [eisende partij 1] niet uitmaakt of platanen als bomen of als heesters dienen te worden gekwalificeerd. Immers, voor heesters geldt dat deze op grond van artikel 5:42 lid 1 en 2 BW niet binnen een afstand van een halve meter van de erfgrens mogen staan en voor bomen geldt op grond van datzelfde artikel een afstand van 2 meter. Hoe dan ook staan de platanen dus te dicht op de erfgrens staan (zowel indien de feitelijke als indien de kadastrale erfgrens wordt aangehouden).

3.41.

Het voorgaande leidt ertoe dat [eisende partij 1] het recht heeft om verwijdering van de platanen te vorderen. Dit zou op grond van artikel 5:42 lid 3 BW slechts anders zijn indien [gedaagde] de platanen zou hebben gesnoeid tot de hoogte van de schutting, maar van die situatie is geen sprake. De vordering tot verwijdering van de platanen zal om die reden worden toegewezen.

3.42.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank in dit verband nog twee zaken op. Ten eerste twisten partijen kennelijk over de vraag of het om zes of zeven platanen gaat die al dan niet verwijderd dienen te worden. De rechtbank benadrukt dat de toewijzing ziet op die platanen die, loodrecht gemeten vanuit de erfafscheiding binnen de verboden afstand staan. In het uiteindelijke dictum van het eindvonnis zal de toewijzing dan ook op die wijze worden omschreven. Ten tweede overweegt de rechtbank dat de platanen van [gedaagde] , naar objectieve maatstaven bezien, als bomen kwalificeren en niet als heesters. De platanen hebben een duidelijk waarneembare stam die geen vertakkingen heeft tot de voor bomen kenmerkende kroon. Ondanks de relatief jonge leeftijd van de platanen zijn deze al hoger dan de hoge schutting, en dus hoger dan 2,55 meter. Ook als [gedaagde] de platanen door deze te snoeien in hoogte beperkt kan houden, maakt dat de zaak dus niet anders: de platanen kwalificeren nu immers al als boom. Dat houdt in, voor het geval [gedaagde] besluit om de platanen uit te graven en op een iets grotere afstand van de schutting opnieuw te planten, dient hij er daarom rekening mee te houden dat hij een minimale afstand van twee meter aanhoudt en niet van 50 centimeter.

Bomen op perceel [eisende partij 1]

3.43.

[gedaagde] stelt dat [eisende partij 1] in de voortuin vijf en in de achtertuin één boom binnen twee meter van de erfgrens heeft staan. Niet alleen is de aanwezigheid van deze bomen in strijd met artikel 5:42 BW, maar ook creëert de aanwezigheid van deze bomen onrechtmatige hinder door het ontnemen van licht, door vermindering van uitzicht en door vallende bladeren op het perceel van [gedaagde] .

3.44.

[eisende partij 1] betwist niet dat deze beplanting kwalificeert als boom en evenmin dat de zes bomen zich binnen de in artikel 5:42 BW verboden zone van twee meter bevinden. [eisende partij 1] stelt daar echter tegenover dat al deze bomen zich al meer dan twintig jaar onafgebroken op dezelfde positie bevinden, zodat het recht van [gedaagde] om verwijdering daarvan te vorderen is verjaard. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft [eisende partij 1] bij zijn akte van 25 juli 2018 foto’s in het geding gebracht en een afdruk van een whatsapp-bericht met daaronder de naam [Q] . [gedaagde] betwist gemotiveerd de bewijskracht van die verklaring door erop te wijzen dat het heel eenvoudig is om een willekeurig telefoonnummer onder de naam ‘ [Q] ’ op te slaan in een telefoon en op die manier een whatsapp-bericht van een willekeurig persoon afkomstig te laten lijken van ‘ [Q] ’. Ook wijst [gedaagde] op de onmogelijkheid om op basis van een foto te concluderen hoe lang bomen al op een bepaalde plek staan en ten slotte betoogt [gedaagde] dat ook een geslaagd standpunt inzake verjaring nog niets zegt over de verjaring van een vordering tot verwijdering op grond van onrechtmatige hinder.

3.45.

De rechtbank overweegt dat de stelling van [eisende partij 1] , dat zowel de bomen in de voortuin, als de boom in de achtertuin al meer dan twintig jaar onafgebroken aanwezig zijn, door [gedaagde] voldoende gemotiveerd zijn betwist, zodat [eisende partij 1] op grond van artikel 150 Rv zal worden toegelaten tot het bewijs van deze stelling.

3.46.

Voor wat betreft de stelling van [gedaagde] dat de bomen in kwestie onrechtmatige hinder veroorzaken overweeg de rechtbank dat [gedaagde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarom de hinder in dit geval kwalificeert als onrechtmatig. Of het ontnemen van licht onrechtmatig is, is afhankelijk van, bijvoorbeeld en onder meer, de mate en duur van die ontneming. Daarover stelt [gedaagde] echter niets. Hetzelfde geldt voor vermindering van uitzicht. Of dat onrechtmatig is, is afhankelijk van onder meer de mate van verminderd uitzicht en van de vraag wat er dan precies is gewijzigd aan het uitzicht. Ook daarover stelt [gedaagde] niets. Ten slotte, enkel de aanwezigheid van vallende bladeren uit de bomen van de buren is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet onrechtmatig. De gemiddelde tuin in Nederland zal immers af en toe te maken hebben met vallende bladeren, in het bijzonder in de herfst. Waarom de hinder in deze situatie dient te kwalificeren als onrechtmatig is door [gedaagde] in het geheel niet inzichtelijk gemaakt. [gedaagde] heeft, kort gezegd, onvoldoende gesteld om tot de conclusie te komen dat de bomen van [eisende partij 1] onrechtmatige hinder veroorzaken.

Schoorsteen:

3.47.

[gedaagde] stelt dat [eisende partij 1] zonder vergunning zijn schoorsteen heeft opgehoogd en daarmee een onveilig situatie heeft gecreëerd. Zowel het verbouwen zonder vergunning, als de het laten voorbestaan van de voor [gedaagde] onveilige situatie leveren een onrechtmatige daad van [eisende partij 1] jegens [gedaagde] op, aldus [gedaagde] . [gedaagde] erkent dat hij geen vergunning heeft aangevraagd, maar stelt daar tegenover dat iemand van de gemeente is langs geweest en geen bezwaar had tegen de schoorsteen zoals [eisende partij 1] die heeft verbouwd.

3.48.

De rechtbank overweegt dat het ophogen van de schoorsteen zonder een daartoe benodigde vergunning op zichzelf in civiele zin niet zonder meer onrechtmatig jegens [eisende partij 1] is. Indien enkel de vergunning ontbreekt, maar deze vergunning, indien aangevraagd, waarschijnlijk wel zou zijn verleend omdat aan de materiële vergunningseisen is voldaan, is geen grond aanwezig om onrechtmatigheid aan te nemen. Immers: de belangen die de vergunningsplicht beogen te beschermen, zijn in dat geval niet in het geding.

3.49.

Het was naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden aan [gedaagde] om niet alleen te stellen dat [eisende partij 1] geen vergunning heeft aangevraagd, maar ook om concreet te stellen dat en te onderbouwen waarom een dergelijke vergunning niet zou worden toegekend als [gedaagde] die vergunning zou hebben aangevraagd. [gedaagde] heeft alleen gesteld dat [eisende partij 1] geen vergunning heeft aangevraagd en dat de schoorsteen provisorisch is opgehoogd en onveilig is. Bij gelegenheid van de descente is de onveiligheid van de schoorsteen geenszins aannemelijk geworden. Daarnaast heeft [eisende partij 1] onbetwist gesteld dat een ambtenaar van de gemeente de aangepaste schoorsteen heeft bekeken en daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, hetgeen evenzeer afbreuk doet aan de stelling van [gedaagde] over de onveilige situatie. Alles overwegend acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerde feiten gesteld die op dit punt tot een onrechtmatige daad aan de zijde van [eisende partij 1] leiden. De reconventionele vordering tot verwijdering van de schoorsteen zal om die reden worden afgewezen.

Snoeien

3.50.

[gedaagde] stelt dat [eisende partij 1] zonder aanmaning de overhangende takken van een berk van [gedaagde] heeft gesnoeid, met schade als gevolg. Dit heeft [eisende partij 1] als zodanig niet betwist. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het door [gedaagde] gevorderde verbod voor de toekomst toe te wijzen, met dien verstande dat dat slechts zal gelden voor het geval [eisende partij 1] [gedaagde] niet eerst vooraf heeft aangemaand om overhangende beplanting binnen een redelijke termijn te snoeien. Een redelijke termijn wordt in dat kader door de rechtbank op veertien dagen gesteld.

Dwangsommen

3.51.

Beide partijen hebben vorderingen ingesteld en beide partijen hebben daar vorderingen tot toewijzing van dwangsommen aan verbonden. De rechtbank zal, ter aansporing van beide partijen tot het nakomen van de bij eindvonnis te geven verplichtingen, een dwangsom opleggen voor het geval een partij aan die verplichting niet voldoet. Daarbij vertrouwt de rechtbank echter ook op een redelijke houding van beide partijen en twijfelt zij er niet aan dat zij hun verplichtingen zullen nakomen. Om die reden zal de rechtbank voor de overtredingen over en weer dwangsommen opleggen van een bedrag van € 200,- per dag met een maximum van € 10.000.- Dit geldt niet voor het verbod aan [eisende partij 1] om zonder rechtsgrond beplanting van [gedaagde] te snoeien. Gelet op de schade die eenmalige overtreding van een dergelijk verbod aan een boom kan veroorzaken, zal de dwangsom voor het overtreden van dat verbod op € 750,- per overtreding worden gesteld.

Tot slot

3.52.

Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank [eisende partij 1] in de gelegenheid stellen om de door hem gestelde feiten ten aanzien van bomen binnen twee meter van de erfgrens te bewijzen. De rechtbank zal alle andere beslissingen, waaronder ook de beslissing over buitengerechtelijke kosten en proceskosten aanhouden tot bij eindvonnis.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

- houdt iedere beslissing aan;

in reconventie:

- laat [eisende partij 1] toe tot het bewijs dat de bomen die zich op zijn perceel bevinden binnen twee meter van de erfgrens tussen de percelen [adres 1] enerzijds en [adres 2] anderzijds al gedurende een periode van meer dan twintig jaar voorafgaand aan 11 juli 2018 op dezelfde locatie staan.

- bepaalt dat, indien [eisende partij 1] het bewijs wil leveren door middel van getuigen, deze zullen worden gehoord door de rechtbank op een nader te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag.

- bepaalt dat de advocaat van [eisende partij 1] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de griffie van team civiel – opgave zullen doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van drie maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

- bepaalt dat, indien [eisende partij 1] het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na heden schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de griffie van team civiel – en aan de wederpartij moet opgeven;

- houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G. Salvadori en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2019.