Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2844

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is sprake van een fictieve verkrijging ingevolge artikel 10 Successiewet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-04-2019
FutD 2019-1165
V-N Vandaag 2019/992
ERF-Updates.nl 2019-0105
NLF 2019/1232 met annotatie van Sabine de Wijkerslooth-Lhoëst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 18/4375

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [plaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser betreffende de nalatenschap van eisers moeder met dagtekening 11 juni 2013 een aanslag erfbelasting opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 mei 2018 de aanslag en rentebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.O. Tjon en J.M. Oedairadjsingh.

Overwegingen

Feiten

1. De ouders van eiser waren gehuwd in gemeenschap van goederen. De vader van eiser (de vader) is overleden op [datum] 1991. Eisers moeder (de moeder) is overleden op [datum] 2012. Eiser is enig kind.

2. Eisers ouders hadden beiden een testament opgesteld, inhoudend een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling overeenkomstig artikel 4:1167 (oud) BW. Naar aanleiding van het overlijden van de vader werd de nalatenschap van de vader op grond van dit testament geheel toebedeeld aan de moeder waarna voor eiser een vordering ter waarde van zijn erfdeel is ontstaan. Het testament bepaalt dat deze vordering eerst opeisbaar is bij overlijden van de moeder, alsmede bij haar hertrouwen voor het geval dit niet buiten gemeenschap van goederen geschiedt, of ingeval zij failliet verklaard mocht worden, of surséance van betaling aan haar wordt verleend.

3. Met dagtekening 4 november 1992 is door eiser en de moeder bij de notaris een akte opgesteld waarin de nalatenschap van de vader beschreven wordt, een constatering van de verdeling van de nalatenschap wordt opgesteld en de vordering van eiser op de moeder wordt vastgesteld. Volgens deze akte bedraagt de vordering van eiser op de moeder € 71.326 (FL 157.183,40) en gelden de opeisbaarheidsgronden die eveneens in het testament van de vader zijn opgenomen. Daarnaast wordt overeenkomstig het testament een enkelvoudige rente van 6% vermeld die zal worden vergoed over de vordering en eerst opeisbaar is bij het overlijden van de moeder. Op de laatste pagina van deze akte is aan de opeisbaarheidsgronden toegevoegd dat de hoofdsom van de vordering tevens opeisbaar is bij opname van de moeder in een verpleeginrichting of bejaardentehuis en dat de rente van genoemde vordering wordt vastgesteld op 9% enkelvoudige rente.

4. Bij notariële akte van 9 juni 1993 is vastgesteld dat de moeder, onder voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning, in november 1992 de economische eigendom van de woning aan de [adres] te Voorschoten heeft overgedragen aan eiser. De koopprijs van de economische eigendom (€ 59.535) is deels, te weten voor een bedrag van € 18.695, verrekend met de nominale vordering die eiser op de moeder heeft naar aanleiding van het overlijden van de vader. Het restant van de koopsom, € 40.840, is door de moeder kwijtgescholden.

5. In oktober 2004 verhuist de moeder naar een bejaardentehuis. In verband daarmee komt eiser met de moeder op 1 november 2004 bij onderhandse akte nader overeen dat de hoofdsom van de vordering niet opeisbaar zal zijn totdat één van de overige gronden voor opeisbaarheid zal zijn vervuld. Daarnaast wordt overeengekomen dat over de reeds aangegroeide rente over de vordering en over de toekomstige rente een samengestelde interest verschuldigd zal zijn onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing zijn ten aanzien van de rente op de hoofdsom.

6. Naar aanleiding van het overlijden van de moeder dient eiser op 19 maart 2013 een aangifte erfbelasting in naar een zuiver saldo van de nalatenschap van € 54.194. In de aangifte is een schuld van € 229.605 in aanmerking genomen naar aanleiding van de vordering die eiser op de moeder had.

7. Met dagtekening 11 juni 2013 wordt een aanslag erfbelasting aan eiser opgelegd naar een belaste verkrijging van € 53.451. Naast een saldo van de nalatenschap van € 54.194 is hierbij een fictieve verkrijging van € 18.371 ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Successiewet (SW) in aanmerking genomen. De totaal verschuldigde erfbelasting bedraagt € 5.383 (inclusief € 38 heffingsrente).

8. Eiser heeft tegen de onder 7 vermelde aanslag erfbelasting met dagtekening 7 juli 2013 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is op 9 juli 2013 door verweerder ontvangen.

9. Bij brief van 13 februari 2017 doet verweerder eiser zijn voornemen tot afwijzing van het bezwaar toekomen. Naar aanleiding hiervan heeft er tussen partijen over en weer

(e-mail)correspondentie plaatsgevonden. In zijn brief van 12 april 2017 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat strikt genomen artikel 10, eerste lid, van de SW van toepassing is. Tevens heeft verweerder een beroep gedaan op interne compensatie.

10. Bij uitspraak op bezwaar van 24 mei 2018 is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Geschil
11. In geschil is of sprake is van een fictieve verkrijging ingevolge artikel 10 SW. Niet in geschil is dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn door verweerder een immateriële schadevergoeding van € 4.000 aan eiser verschuldigd is.

12. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) alle documenten ouder dan 7 jaar niet in het dossier bij verweerder aanwezig mogen zijn. Deze oude documenten moeten worden overgebracht naar een in de Archievenwet 1995 aangeduide bewaarplaats en kunnen dan ‘teruggeleend’ worden uit deze bewaarplaats. Dit alles dient traceerbaar te zijn. Aangezien hier niet aan is voldaan had het testament van de vader niet door verweerder gebruikt mogen worden. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat artikel 10 SW niet van toepassing is aangezien de verschillende akten als een geheel in aanmerking moeten worden genomen, alle rechtshandelingen voortvloeien uit het erfrecht en geen sprake is van een schenking.

13. Verweerder stelt dat de AVG niet meebrengt dat het testament van de vader niet gebruikt kan worden. Bovendien heeft de notaris in de akte uit 1992 het testament van de vader grotendeels geciteerd. Met betrekking tot de oprenting van de vordering stelt verweerder zich op het standpunt dat dit geen verkrijging krachtens erfrecht betreft. Artikel 10 SW is van toepassing. Verweerder doet een beroep op interne compensatie.

Beoordeling van het geschil

AVG

14. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alle stukken uit het dossier van verweerder, met name het testament van de vader, zich op grond van de AVG daarin mogen bevinden. Eiser beroept zich daarbij op artikel 5, eerste lid, van de AVG en stelt dat verweerder heeft bepaald dat stukken ouder dan 7 jaar moeten worden overgebracht naar een in de Archievenwet 1995 aangeduide bewaarplaats en vanuit die plaats uitgeleend kunnen worden. Deze administratieve handelingen heeft verweerder niet verricht.

15. Het onder 14 vermelde standpunt van eiser, dat verweerder geen beroep kan doen op genoemde stukken die door hem zijn overgelegd in deze procedure op grond van artikel 5 van de AVG, slaagt niet. Immers uit de AVG en de toelichting daarop volgt dat de AVG pas in werking is getreden na 25 mei 2018, terwijl de procedure toen reeds aanhangig was. Daarnaast heeft te gelden dat uit de AVG en de toelichting daarop volgt dat de AVG niet van toepassing is op persoonsgegevens van overleden personen en bovendien dat verweerder persoonsgegevens onder meer mag gebruiken als dat nodig is om aan een wettelijke verplichting te voldoen, of als dat nodig is voor de vervulling van een wettelijk vastgelegde taak van algemeen belang. Niet is gebleken dat verweerder van persoonsgegevens gebruik heeft gemaakt buiten een wettelijke verplichting of wettelijk vastgelegde taak of dat sprake is van een ongeoorloofde verwerking van persoonsgegevens. De gegevens zijn immers gebruikt voor het heffen van erfbelasting. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat eiser het overgrote deel van de stukken ook zelf in de procedure heeft ingebracht.

Artikel 10 SW

16. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte losse elementen uit de (notariële) akten, zoals vermeld onder 3, 4 en 5, heeft gelicht en op grond daarvan heeft geconcludeerd dat sprake is van een schenking en artikel 10 SW van toepassing is. De (notariële) akten dienen als één geheel te worden gezien. Van een schenking is geen sprake aangezien niet aan de voorwaarden voor een schenking wordt voldaan. Er is sprake van tegenover elkaar staande verplichtingen. Artikel 10 SW is niet van toepassing.

17. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser faalt. Uit de onder 3 vermelde notariële akte van 4 november 1992 volgt niet dat sprake is van tegenover elkaar staande verplichtingen tussen eiser en de moeder zoals eiser ter zitting heeft gesteld. Tegenover de nader, van het testament van de vader afwijkende, opeisbaarheidsgrond van de vordering en de afwijkende rentevergoeding, is geen door eiser geleverde tegenprestatie overeengekomen. De door eiser ingenomen stelling dat alles wat in deze akte is opgenomen uit het erfrecht voortvloeit gelet op het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL5593) volgt de rechtbank evenmin nu in onderhavige zaak niet binnen de aangiftetermijn een overkomst is gesloten met betrekking tot de rentevergoeding over de vordering.

18. Bij notariële akte van 9 juni 1993 is de economische eigendom van de voormalige echtelijke woning van de ouders van eiser, zoals vermeld onder 4, overgedragen aan eiser. Hierbij heeft de moeder zich een recht van gebruik en bewoning voorbehouden. Ook bij deze overdracht is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van tegenover elkaar staande verplichtingen tussen eiser en de moeder, te meer daar de koopsom van de economische eigendom deels verrekend wordt met de vordering die eiser op de moeder had en deels door de moeder aan eiser geschonken wordt. Van een erfrechtelijke verkrijging die voortvloeit dan wel samenhangt met het testament van de vader is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

19. Ook de rente die is opgebouwd op grond van de onderhandse akte tussen eiser en de moeder van oktober 2004, zoals vermeld onder 5, is naar het oordeel van de rechtbank geen verkrijging krachtens erfrecht. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. De nadere bepaling met betrekking tot de rente in de notariële akte van 4 november 1992 dient gelet op hetgeen is overwogen onder 17 te worden aangemerkt als een schenking van de moeder aan eiser. Nu de onderhandse akte van oktober 2004 een aanpassing betreft van de notariële akte van 4 november 1992 dient de daarin opgenomen bepaling ten aanzien van de rente eveneens te worden aangemerkt als een schenking.

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 10 SW van toepassing is. Uitgaande van de berekening in het verweerschrift met betrekking tot de fictieve verkrijging op grond van artikel 10 SW, welke berekening door eiser niet is betwist, is de aanslag niet te hoog vastgesteld. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.

Immateriële schadevergoeding

21. Nu niet in geschil is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met vier jaar, zoals onder andere volgt uit het arrest van de Hoge Raad van [datum] 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, en die overschrijding volledig is toe te rekenen aan verweerder, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van een immateriële schadevergoeding van € 4.000.

Proceskosten

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 4.000;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. A.D. van Riel, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.