Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2815

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
NL19.3754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.3754


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).


Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3755, plaatsgevonden op 12 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D.J. Doets. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Soedanese nationaliteit.

1.1.

Eisers eerste asielaanvraag is afgewezen op 10 januari 2018. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 1 mei 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard (NL18.1799). De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat verweerder niet ten onrechte eisers verklaringen over deelname aan de demonstratie in Soedan niet geloofwaardig heeft geacht. Bij uitspraak van 20 juni 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze uitspraak bevestigd.

1.2.

Op 9 januari 2019 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn deelname aan demonstraties in Nederland in mei 2018 en in december 2018 gevaar loopt in Soedan.

2. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn opvolgende aanvraag.

Eiser heeft aangevoerd dat hij in Nederland heeft deelgenomen aan een tweetal demonstraties en dat hij op grond van zijn deelname reële vrees heeft bij terugkeer naar Soedan voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Om zijn deelname aan deze demonstraties te onderbouwen, heeft eiser foto’s overgelegd die van hem zijn gemaakt terwijl hij aan het demonstreren was en heeft hij verklaard dat deze op internet terecht zijn gekomen. Ook heeft hij gewezen op een link van een YouTube video, waarop te zien is dat eiser aanwezig is bij een demonstratie. Ook op facebook heeft eiser zich uitgelaten tegen het regime in Soedan. Eiser heeft in dit kader onder andere verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht over Soedan van 20 juni 2017 waarin wordt aangenomen dat de Soedanese regering activiteiten van opposanten in het buitenland in de gaten houdt. De Soedanese inlichtingendiensten monitoren op actieve wijze politieke opposanten in de diaspora in het buitenland, zo wordt bericht in het UK Home Office rapport over Soedan van augustus 2017. Voor dit standpunt ziet eiser eveneens steun in een brief van 24 juli 2018 van Vluchtelingenwerk, het rapport van USDOS, berichten van Amnesty International en een e-mailwisseling van [A] aan Vluchtelingenwerk. Eiser beroept zich op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 30 mei 2017 (N.A. tegen Zwitserland , 50364/14 en A.I. tegen Zwitserland, 23378/15).

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser aan zijn huidige opvolgende aanvraag geen relevante nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers deelname aan de demonstraties in Nederland niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of bevinding. Ten aanzien van het door eiser overgelegde beeldmateriaal van zijn aanwezigheid bij de demonstraties, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit op zichzelf onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser daardoor in de bijzondere belangstelling van de Soedanese autoriteiten is komen te staan. Niet is gebleken dat eiser een concrete aanwijzing heeft dat hij naar aanleiding van de deelname aan de demonstraties identificeerbaar is voor de Soedanese autoriteiten. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij met een grote groep mensen aan de demonstraties heeft deelgenomen. Niet is gebleken dat eiser zich voor de deelname aan de demonstraties of daarna negatief heeft uitgelaten over de regering in Soedan. Niet is gebleken dat eiser met naam en toenaam online bekend is geraakt als deelnemer aan een demonstratie dan wel als opposant. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op andere wijze tijdens deze demonstraties in de negatieve aandacht is geraakt bij de Soedanese autoriteiten. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van omstandigheden waardoor hij in de negatieve aandacht van de Soedanese autoriteiten is geraakt door de deelname aan twee demonstraties in Nederland.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers vermeende facebook activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een nieuw feit of bevinding. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser deze activiteiten niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling deze berichten immers niet overgelegd. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder in het bestreden besluit ten overvloede heeft opgemerkt dat de door eiser opgegeven profielnaam zeer veel hits opleverde waarbij het niet is gelukt om het profiel van eiser te vinden.

5.3.

De door eiser overgelegde landeninformatie, die betrekking heeft op de situatie van opposanten dan wel activisten die zich in het buitenland bevinden, heeft verweerder eveneens terecht niet als nieuw feit of bevinding aangemerkt. Niet is gebleken dat deze documenten op de situatie van eiser van toepassing zijn, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als opposant dan wel als activist is aan te merken. Uit twee recente arresten van het EHRM van 30 mei 2017 (N.A. tegen Zwitserland, 50364/14 en A.I. tegen Zwitserland, 23378/15) volgt dat verschillende elementen een rol spelen bij het vaststellen van de negatieve belangstelling van de Soedanese autoriteiten voor opposanten in het buitenland. Volgens het EHRM dient betrokken te worden wat de rol van de vreemdeling is bij oppositieactiviteiten. Factoren die van belang zijn bij het inschatten van negatieve belangstelling zijn: (i) belangstelling van de autoriteiten voor de opposant in het verleden; (ii) deelname aan oppositieorganisaties in en buiten Soedan alsmede de aard van deze organisaties; (iii) de aard en het niveau van deelname aan deze organisaties; (iv) politieke betrokkenheid bij de oppositie, waaronder met name de deelname aan publieke demonstraties en activiteit op het internet en (v) persoonlijke of familiaire banden met prominente leden van de oppositie buiten Soedan. Ook het rapport van UK Home Office van augustus 2017 verwijst naar deze criteria om aan te tonen dat iemand ten opzichte van andere Soedanese personen die eveneens politiek actief zijn, een onderscheidende positie heeft.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, in het licht gezien van de hiervoor genoemde factoren, in de negatieve belangstelling van de Soedanese autoriteiten staat. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder tot die conclusie komen op grond van wat eiser zelf in het gehoor daarover heeft verklaard. Zo heeft eiser verklaard dat hij niet betrokken was bij de organisatie van de demonstraties, maar samen met andere Soedanezen heeft deelgenomen aan de demonstraties. Verder is niet gebleken dat eiser actief was op internet. Verweerder heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat eiser zich niet onderscheidt ten opzichte van anderen, waardoor niet aannemelijk is geworden dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Soedanese autoriteiten. Het standpunt van eiser dat de Soedanese autoriteiten dit soort activiteiten in het buitenland in de gaten houden, maakt dit niet anders. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser slechts vermoedt dat de Soedanese autoriteiten hem in het vizier hebben.

6. Eiser heeft verwezen naar de op 25 januari 2019 gestelde Kamervragen met betrekking tot de situatie in Soedan en zich op het standpunt gesteld dat verweerder er ten onrechte aan voorbijgaat dat een eventuele uitzetting van eiser extra risico op vervolging oplevert. De Soedanese autoriteiten monitoren immers op grote schaal het internetgebruik, waarbij eisers deelname aan de demonstraties gemakkelijk aan het licht zal komen, aldus eiser.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar de beantwoording van de door eiser aangehaalde Kamervragen van 12 februari 2019, kenmerk 2486534, over uitzettingen naar Soedan, dat geen aanleiding bestaat om het uitzetbeleid naar Soedan aan te passen.

In het landgebonden asielbeleid Soedan geldt reeds specifiek beleid voor mensenrechtenactivisten en aanhangers van (gewapende) oppositiegroepen. Zij vallen onder het risicogroepenbeleid. Ook voor Soedanese asielzoekers hier in Nederland, die aannemelijk maken dat zij mensenrechtenactivist of politiek opposant zijn, kan in het licht van wat thans bekend is over Soedan een risico bij terugkeer worden aangenomen. Van hen kan immers niet verlangd worden om terughoudend te zijn ten aanzien van het uitoefenen van politieke activiteiten. Dit past binnen de huidige beleidskader, om die reden is aanpassing van het beleid niet noodzakelijk.”

Nu ten aanzien van eiser is geconcludeerd dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als opposant is aan te merken, zoals onder echtsoverweging 5.3. is overwogen, is niet aannemelijk gemaakt dat uitzetting van eiser naar Soedan in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

De toetsing in het kader van de Bahaddar-uitspraak, thans neergelegd in artikel 83.0a van de Vw 2000, kan eiser daarom niet baten. Van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is de rechtbank niet gebleken.

7. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

8. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 21 maart 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.