Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2797

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
NL19.723
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Dublin Zwitserland. Eiser voert aan dat Zwitserland, in tegenstelling tot Nederland, niet erkent dat illegaal uitgereisde Eritreeërs bij terugkeer een behandeling riskeren in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hierdoor maakt verweerder zich bij overdracht aan Zwitserland schuldig aan indirect refoulement en moet verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekken. De Nederlandse rechter dient echter niet te treden in de vraag of de Zwitserse autoriteiten tot een inhoudelijk juist oordeel met betrekking tot eisers asielaanvraag zijn gekomen. Een inhoudelijk oordeel over het Zwitserse beschermingsbeleid kan wel worden verkregen door gebruikmaking van het rechtsmiddel van het EHRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.723


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1992,

v-nummer [nummer] ,

van Eritrese nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.724, plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. J.D. Albarda.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de

Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser heeft op 12 oktober 2016 asiel aangevraagd in Italië. In het kader van relocatie

heeft Zwitserland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag van Italië overgenomen.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Zwitserland niet langer kan uitgaan

van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zwitserland erkent namelijk niet dat illegaal uitgereisde Eritreeërs bij terugkeer een behandeling riskeren in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hierdoor maakt verweerder zich bij overdracht aan Zwitserland schuldig aan indirect refoulement en moet verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekken.

Eisers asielaanvraag is in Zwitserland afgewezen. Het Bundesverwaltungsgericht heeft deze beslissing in beroep op 20 september 2018 bevestigd. In Zwitserland is eisers asielrelaas niet geloofwaardig geacht. Ten aanzien van de illegale uitreis uit Eritrea is overwogen dat niet ter zake doet of dit geloofwaardig wordt geacht of niet. Enkel een illegale uitreis uit Eritrea wordt niet erkend als asielgrond. Eiser heeft dit oordeel en andere bij zijn asielaanvraag in Zwitserland behorende stukken overgelegd.

Tenslotte stelt eiser dat Zwitserland na overdracht zijn asielaanvraag niet opnieuw inhoudelijk zal beoordelen en dat een dergelijke aanvraag kansloos is gelet op het door Zwitserland gevoerde beleid. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van 27 juli 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle (NL18.10072) en de uitspraak van het Commitee against Torture (hierna: CAT) van 17 december 2018 (CAT/C/35/DR/811/2017).

3.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat

Zwitserland haar verdragsverplichtingen ingevolge het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens hem niet zal nakomen en dat bij zijn terugkeer een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in Zwitserland sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en hij een risico loopt op (indirect) refoulement. Ter zitting vult verweerder nog aan dat eiser ook met de verwijzing naar de uitspraak van het CAT dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Met het claimakkoord hebben de Zwitserse autoriteiten gegarandeerd het onderhavige asielverzoek in behandeling te nemen, zodat eiser zijn asielmotieven of nieuwe feiten of omstandigheden bij de Zwitserse autoriteiten naar voren kan brengen. Indien eisers herhaalde asielaanvraag dan opnieuw wordt afgewezen vanwege de omstandigheid dat illegale uitreis op zichzelf geen erkende asielgrond vormt in Zwitserland, staat het eiser vrij om op dit punt een procedure aanhangig te maken bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat een lidstaat zich met de expliciete aanvaarding van

een terugnameverzoek, verplicht om een asielaanvraag in behandeling te nemen. Omdat op lidstaten de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en andere verdragen en richtlijnen rusten, mag verweerder in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en aannemen dat bij overdracht van een vreemdeling aan een lidstaat geen sprake zal zijn van indirect refoulement. Het is dan aan de vreemdeling om met concrete aanknopingspunten aannemelijk te maken dat in het bijzonder in zijn situatie, niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het enkele feit dat de vreemdeling in de lidstaat eerder een afwijzende asielbeschikking heeft ontvangen, zal daarvoor in de regel onvoldoende zijn. Ook eventuele verschillen in het beleid van de lidstaten zijn in de regel onvoldoende om te oordelen dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Als de vreemdeling echter concrete aanknopingspunten voor zijn stelling biedt, dan is het aan verweerder om daar gemotiveerd op te reageren. Hiervan kan sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de tekortkomingen in de Zwitserse asielprocedure van dien aard zijn, dat moet worden geconcludeerd dat ten aanzien van hem niet kan of zal worden vastgesteld of hij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien hij naar zijn land van herkomst moet terugkeren, en hij daardoor het risico loopt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 9 december 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK6157).

3.3.

In dit geval heeft eiser zijn Zwitserse uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht

overgelegd. Onder verwijzing naar het Koordinationalsurteil des Bundesverwaltungsgerichts, de hoogste Zwitserse rechter, van 30 januari 2017 wordt daarin geconcludeerd (kort samengevat) dat enkel een illegale uitreis niet leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Omdat niet gebleken is van andere aanknopingspunten waaruit volgt dat eiser zelf in de negatieve belangstelling van de Eritrese autoriteiten staat (omdat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht), is de gestelde illegale uitreis van eiser daarom ook onvoldoende geacht voor vergunningverlening. Eiser heeft terecht opgemerkt, dat het beleid en de rechtspraak in Zwitserland daarmee afwijken van het beleid dat verweerder hanteert. Uit het besluit van verweerder van 24 juni 2015, nummer WBV 2015/8, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, volgt immers, zonder enig voorbehoud, dat verweerder een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw verleent aan de Eritrese vreemdeling die illegaal Eritrea is uitgereisd.

3.4

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat in Zwitserland wel is vastgesteld of eiser bij terugkeer naar Eritrea de in het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM genoemde risico’s loopt vanwege zijn eventuele illegale uitreis. Eiser is het echter niet eens met de vaststelling dat dat niet het geval is en met het Zwitserse beschermingsbeleid dat aan die vaststelling ten grondslag ligt. De Nederlandse rechter dient echter niet te treden in de vraag of de Zwitserse autoriteiten tot een inhoudelijk juist oordeel zijn gekomen en zoals onder 3.2 reeds is overwogen kan een verschil in beschermingsbeleid niet voeren tot het oordeel dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Een inhoudelijk oordeel over het Zwitserse beschermingsbeleid kan wel worden verkregen door gebruikmaking van het rechtsmiddel van het EHRM. Nog daargelaten dat eiser niet heeft gesteld dat uitgeprocedeerde Eritreeërs in Zwitserland ook daadwerkelijk worden uitgezet naar Eritrea, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij indien Zwitserland hem na overdracht wil uitzetten, geen klacht kan indienen bij het EHRM en zo nodig kan verzoeken om een ‘interim measure’ om te voorkomen dat hij naar Eritrea wordt uitgezet voordat op zijn klacht is beslist. Dat hij in Zwitserland niet kan rekenen op opvang hangende een dergelijke procedure bij het EHRM heeft eiser niet onderbouwd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Zwitserse procedure dusdanige tekortkomingen kent dat eiser het risico loopt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen. Het betoog dat in zijn geval niet of niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan slaagt niet. Voor zover eiser met dit betoog beoogd heeft een beroep te doen op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, slaagt dit beroep niet.

3.5

Voor zover eiser dit betoog ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op artikel 17 van de Dublinverordening kan ook dit beroep niet slagen. Artikel 17 van de Dublinverordening geeft lidstaten de bevoegdheid om onverplicht een aanvraag in behandeling te nemen en is derhalve een discretionaire bepaling. De rechter dient de uitoefening van deze bevoegdheid terughoudend te toetsen.

De rechtbank erkent dat de situatie voor eiser zeer wrang is nu door relocatie zijn

asielaanvraag in behandeling is genomen door een lidstaat met een voor hem ongunstiger beschermingsbeleid dan andere lidstaten. Zoals hiervoor reeds overwogen is het echter niet aan de rechtbank om in de beoordeling te treden van het beschermingsbeleid in andere lidstaten. De rechtbank kan op dit punt enkel toetsten of verweerder niet ten onrechte ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Zoals onder 3.4 is geconcludeerd, is dit het geval. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog gewezen op een volwassen neef en nicht van eiser die in Nederland verblijven en waarmee hij een hechte band stelt te hebben. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het verblijf van de neef en nicht van eiser in Nederland geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiser in Nederland te behandelen. Artikel 9 van de Dublinverordening is niet van toepassing, omdat zij niet vallen onder de definitie van ‘gezinslid’ in de zin van de Dublinverordening. Verder is niet gebleken van enige afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening.

De beroepsgrond slaagt niet.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen

aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in aanwezigheid van

M.M. Neutgens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: 22 februari 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.