Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2765

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 9389
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis, Eritrea, identiteit niet aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/9389

v-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2019 in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 november 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 15 februari 2019 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 2], referent.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum], en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 13 mei 2017 heeft referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, namens haar een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Op 20 maart 2018 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe gemotiveerd dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke band tussen eiseres en referent niet aannemelijk zijn gemaakt.

3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Volgens paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn gestelde identiteit en familierelatie met de referent aannemelijk te maken. De vreemdeling dient dit te doen door met een grensoverschrijdings- of een ander officieel document zijn identiteit aan te tonen. Daarnaast dient de vreemdeling met documenten de familierechtelijke relatie tussen hem en de referent te onderbouwen. Indien de vreemdeling kan onderbouwen dat het ontbreken van documenten niet aan hem kan worden toegerekend, is er sprake van bewijsnood. In dat geval kan verweerder besluiten om nader onderzoek te doen.

5. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuwe vaste gedragslijn voor het beoordelen van nareiszaken1. Deze houdt - kort weergegeven - in dat verweerder naast officiële identificerende bewijsmiddelen, ook andere documenten bij zijn beoordeling betrekt, ongeacht of er sprake is van bewijsnood. Indien deze bewijsmiddelen substantieel bewijs leveren voor de identiteit van de vreemdeling en/of zijn familieband met referent, kunnen deze stukken aanleiding vormen voor verweerder om aanvullend onderzoek te doen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, onder meer, in haar uitspraak van 16 mei 20182 geoordeeld dat deze gedragslijn in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn3.

6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen officiële documenten ter onderbouwing van haar identiteit heeft overgelegd. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring van eiseres dat zij haar Eritrese identiteitskaart gedurende de vlucht heeft verloren, te summier is om bewijsnood aan te nemen. Nu het op de weg van eiseres ligt om bewijsnood aannemelijk te maken, mocht van haar worden verwacht dat zij haar stelling nader had gespecificeerd en onderbouwd.

7. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het overgelegde indicatieve identiteitsbewijs, een Soedanees verblijfsdocument, bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat eiseres haar identiteit daarmee ook niet aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde Soedanese verblijfspas kan immers niet worden beschouwd als een substantieel indicatief bewijs. Omdat dit document niet afkomstig is van de Eritrese autoriteiten, had eiseres dienen duidelijk te maken op basis van welke brondocumenten dit indicatieve document is opgemaakt. Nu eiseres dat niet heeft gedaan, heeft verweerder dit document als niet-substantieel mogen beschouwen. Nu eiseres geen officieel of substantieel onofficieel document heeft overgelegd, en ook geen bewijsnood aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om alsnog aanvullend onderzoek te doen. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond.

8. Ter onderbouwing van de gestelde familieband heeft eiseres een geboorteakte, foto’s en een getuigenverklaring van haar gestelde schoonmoeder overgelegd. Nu eiseres er niet in is geslaagd om haar identiteit aannemelijk te maken, kan niet worden beoordeeld of de familierechtelijke documenten toezien op de persoon van eiseres. Gelet hierop behoeft hetgeen is aangevoerd omtrent de gestelde familieband geen bespreking.

9. Het beroep is ongegrond, voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 brief 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19637, nr. 2354).

2 ECLI:NL:RVS:2018:1508

3 Richtlijn 2003/86/EG