Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2764

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 668
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Marokko, intrekking vv reg bep tijd, afwijzing vv reg onbep tijd, inreisverbod 10 jaar, openbare orde, Unierecht, 8 EVRM, settled migrant, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/668

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 januari 2018 (het bestreden besluit).

Het beroep is besproken op de zitting van 30 januari 2019. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is in Nederland geboren op [geboortedatum]. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit. Van 16 september 1994 tot 9 mei 2013 is hij in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van ‘gezinshereniging bij ouders’. Met ingang van 7 oktober 2013 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] (moeder)’, geldig van 16 mei 2013 tot 16 mei 2018.

Op 20 juli 2017 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingediend.

2. Bij besluit van 2 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 16 november 2014 ingetrokken op grond van artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw1, en artikel 3.86, derde lid, van het Vb2, wegens gevaar voor de openbare orde. Verweerder heeft de aanvraag tot het verlenen om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen. Tevens is aan eiser met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.

Verweerder neemt het standpunt in dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is ingetrokken, omdat eiser op 29 januari 2015 door de politierechter te Rotterdam is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, voor het plegen van misdrijven op 1 november 2014 en 16 november 2014. Hierdoor is de per 1 juli 2012 aangescherpte glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb voor eiser van toepassing geworden. Op pleegdatum 16 november 2014 was de duur van het ononderbroken rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb één jaar en zes maanden. De norm van artikel 3.86, derde lid, van het Vb bedraagt met een dergelijke verblijfsduur 1 dag. De afwijzing van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en het opgelegde zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar handhaaft verweerder.

Tot slot bepaalt verweerder dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM3 .

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt volgt.

Toepassing glijdende schaal

5. Eiser voert aan dat zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ten onrechte is ingetrokken. Het is onbillijk dat het verblijfsgat in de periode tussen 9 mei 2013 en 16 mei 2013 hem zo zwaar wordt aangerekend. De glijdende schaal beoogt immers een afweging te maken tussen de rechtmatige verblijfsduur en de hoogte van de straf. Verweerder doet dit uitgangspunt teniet in het besteden besluit. Verder heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:4 van de Awb4.

6. De rechtbank volgt dit betoog niet. In rechte staat vast dat er een verblijfsgat is in de periode tussen 9 mei 2013 en 16 mei 2013. Daarom had eiser in die periode geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw. Dit betekent dat verweerder voor de berekening van de verblijfsduur, zoals bedoeld in artikel 3.86 van het Vb, terecht is uitgegaan van de periode vanaf 16 mei 2013 tot aan de pleegdatum van het delict. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de glijdende schaal van artikel 3.86, derde lid, van het Vb de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser mogelijk maakt. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat het verblijfsgat niet relevant is, omdat er ook een intrekkingsbevoegdheid

bestaat op grond van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb en niet in geschil is dat eiser voldoet aan de daarin opgenomen (veelplegers) norm, zelfs wanneer uitgegaan wordt van een ononderbroken periode van rechtmatig verblijf vanaf de geboortedatum van eiser tot aan de pleegdatum van het delict. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4 van de Awb. Het evenredigheidsvereiste is immers verdisconteerd in de glijdende schaal. Dat volgens artikel 3.86 van het Vb slechts wordt gekeken naar het ononderbroken rechtmatig verblijf tot aan de datum delict, maakt de gevolgen daarvan nog niet onevenredig.

Unierecht bij intrekking

7. Eiser voert aan dat verweerder bij intrekking van zijn verblijfsvergunning ten onrechte niet heeft getoetst aan het unierechtelijke openbare-ordecriterium. Eiser stelt dat verweerder hem reguliere vergunningen heeft verleend voor verblijf bij ouders respectievelijk moeder, zodat hij onder de Gezinsherenigingsrichtlijn5 valt. Eiser wijst op de verwijzingsuitspraak van de Afdeling6 van 6 juni 20187. In die uitspraak heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht antwoord te geven op de vraag of artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat voor de intrekking of weigering van verlenging van een verblijfstitel voor een gezinslid om redenen van openbare orde, is vereist dat wordt gemotiveerd dat de persoonlijke gedragingen van het desbetreffende gezinslid een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Eiser wijst erop dat deze prejudiciële vraag nog niet is beantwoord.

8. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord van het Hof van Justitie op deze prejudiciële vraag niet hoeft te worden afgewacht. Verweerder heeft immers getoetst of het gedrag van eiser een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dat is het openbare-ordecriterium dat geldt voor Unieburgers. De rechtbank gaat ervan uit dat de rechtsbescherming voor gezinsleden van derdelanders niet verder gaat dan die voor Unieburgers en hun gezinsleden.

9. Verweerder heeft zijn conclusie dat eiser een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, op het volgende gebaseerd. Eiser is in de periode van juli 2009 tot mei 2016 meermalen veroordeeld voor gepleegde misdrijven. Het betreft onder meer straatroof, inbraken in woningen, inbraken in auto’s, winkeldiefstallen, huiselijk geweld, openlijke geweldpleging en wederspannigheid8. Daarvoor zijn gevangenisstraffen opgelegd en een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar. Doordat eiser tijdens de proeftijd opnieuw is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf, is deze maatregel ten uitvoer gelegd en vervolgens een keer verlengd voor de duur van acht maanden en een keer voor de duur van drie maanden. Ook tijdens de ten uitvoerlegging van deze maatregel en na het beëindigen daarvan, is eiser opnieuw veroordeeld wegens het plegen van misdrijven. Tevens is eiser meermalen tijdens een lopende proeftijd opnieuw veroordeeld, waardoor voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen alsnog ten uitvoer zijn gelegd. Voor zijn alcoholverslaving is eiser opgenomen geweest in een forensische verslavingskliniek. Verweerder vindt dat tot op heden geen sprake is van een positieve gedragsverandering bij eiser en dat nog steeds moet worden uitgegaan van een hoog recidiverisico. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat geen sprake is van een positieve gedragsverandering; zo is eiser op 11 oktober 2018 nog veroordeeld voor twee auto-inbraken.

10. Volgens eiser kan niet worden geconcludeerd dat hij een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Hij heeft een alcoholverslaving, die veroorzaakt wordt door een posttraumatische stressstoornis vanwege mishandeling in zijn jeugd door zijn vader, wat de diepere oorzaak vormt voor zijn recidive. Eiser verwijst naar het arrest Orfanopoulus en Olivieri van het Hof van Justitie van 29 april 20049 en naar brieven van de reclassering van het Leger des Heils van 28 augustus 2017, 25 oktober en 6 november 2017, alsmede een e-mail van 25 januari 2019, en voert aan dat hieruit kan worden afgeleid dat er nog enig perspectief voor hem is om zijn gedrag aan te passen.

11. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser voldoet aan het unierechtelijke openbare-ordecriterium. Eiser heeft veel misdrijven gepleegd en er is een hoog recidiverisico. Verweerder heeft niet ten onechte overwogen dat eiser al veel kansen heeft gehad om zijn leven te beteren, ook door behandelingen die hij heeft ondergaan voor zijn alcoholverslaving, en dat dit er tot op heden niet toe heeft geleid dat hij geen misdrijven meer pleegt. Daar komt bij dat eiser, terwijl hij wist dat zijn verblijfsvergunning op het spel stond, is doorgegaan met het plegen van misdrijven. Op 9 juni 2016 heeft verweerder immers een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning aan eiser kenbaar gemaakt, terwijl een aantal pleegdata dateren van daarna. De brieven van de reclassering van het Leger des Heils kunnen daarom niet tot een ander oordeel leiden. Verder heeft eiser geen stukken van een psychiater/psycholoog overgelegd over zijn problemen op traumatisch vlak, zodat verweerder hieraan geen gewicht heeft hoeven toekennen.

Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd

12. Verder heeft eiser betoogd dat verweerder zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van artikel 21, vierde lid, van de Vw ten onrechte niet heeft beoordeeld, omdat er een inreisverbod tegen hem is uitgevaardigd waardoor hij, zolang dit inreisverbod van kracht is, geen rechtmatig verblijf kan hebben in Nederland. Eiser wijst er verder op dat de aanvraag is ingediend op 20 juli 2017, dus vóór het primaire besluit en op dat moment direct voorafgaand aan rechtmatig verblijf.

13. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 december 201810, de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd inhoudelijk kan worden beoordeeld en dat in het bestreden besluit ook een subsidiair standpunt is ingenomen. De gevraagde vergunning kan niet worden verleend omdat eiser zijn hoofdverblijf voor vijf jaar naar Marokko heeft verplaatst en zijn verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht is ingetrokken tot 16 november 2014, zodat hij niet voldoet aan artikel 21, eerste lid, van de Vw. Volgens verweerder laat artikel 21, vierde lid, van de Vw weliswaar toe dat aan een vreemdeling die hier in Nederland geboren is een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden verleend, maar deze verblijfsgunning kan op grond van artikel 22 van de Vw onmiddellijk weer worden ingetrokken, omdat er voor deze speciale categorie vreemdelingen geen uitzondering is gemaakt.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerders standpunt dat eiser zijn hoofdverblijf voor vijf jaar heeft verplaatst, geen stand kan houden. Uit de dossierstukken blijkt immers dat dit een gedwongen verblijf is geweest van twee jaar, omdat de vader van eiser het gezin na een vakantie in Marokko daar zonder papieren heeft achtergelaten. Eiser was toen nog maar 7 tot 9 jaar oud. Verder is eiser tijdens deze periode ononderbroken in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij ouders. Los daarvan is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de terugwerkende kracht van de intrekking van eisers verblijfsvergunning tot 16 november 2014 tot gevolg heeft eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, omdat hij geen vijf achtereenvolgende jaren direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad. Daarom komt de rechtbank verder niet toe aan het beroep op de artikelen 21, vierde lid, en 22 van de Vw.

Artikel 8 van het EVRM

15. De vraag die vervolgens moet worden beoordeeld is of de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaald tijd een gerechtvaardigde inmenging vormt in eisers privéleven.

16. Bij het maken van deze belangenafweging gelden de richtsnoeren (‘guiding principles’) van het EHRM11 zoals geformuleerd in de arresten Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 200112 en Üner tegen Nederland van 18 oktober 200613. Daaruit vloeit voort dat een belangenafweging moet worden gemaakt en een ‘fair balance’ moet worden bereikt, waarbij acht wordt geslagen op de aard en de ernst van de gepleegde misdrijven, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds de misdrijven en de gedragingen gedurende die tijd en ten slotte de sociale en culturele banden met het gastland en met het land van herkomst. Daarbij bestaat voor verweerder beoordelingsruimte (margin of appreciation), zodat de rechtbank een terughoudende toets moet aanleggen.

17. Verweerder heeft in het kader van het recht op eerbiediging van het privéleven in het bestreden besluit overwogen dat in belangrijke mate meeweegt dat eiser in Nederland is geboren en dat hij sindsdien, met een onderbreking in het verblijfsrecht, rechtmatig in Nederland verblijft. Deze omstandigheid weegt echter niet op tegen de andere factoren. In de eerste plaats het feit dat eiser sinds 2009 stelselmatig misdrijven heeft gepleegd. Daar komt bij dat eiser met het plegen van misdrijven is doorgegaan, terwijl hij wist dat zijn verblijfsvergunning op het spel stond.

Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser niet diepgeworteld is in de Nederlandse samenleving. Eiser heeft zijn opleiding niet voltooid, heeft geen betaald werk, doet geen vrijwilligerswerk en neemt niet deel aan het verenigingsleven. In plaats daarvan heeft de focus de afgelopen jaren meer gelegen op het plegen van strafbare feiten. Dat eiser in een forensische verslavingskliniek aan zichzelf werkt en van plan is om een leer- werktraject te gaan volgen, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen en biedt onvoldoende garantie dat er geen sprake meer zou zijn van recidivegevaar. Ook is eiser volwassen, zodat van hem verwacht kan worden dat hij een bestaan kan opbouwen in Marokko.

18. Eiser voert aan, onder verwijzing naar het arrest Maslov tegen Oostenrijk (Maslov)14 van het EHRM van 23 juni 2008, dat hij gelet op zijn lange verblijf in Nederland een ‘settled migrant’ is, zodat er zeer ernstige redenen nodig zijn om de uitzetting te rechtvaardigen. Volgens eiser kan niet worden geconcludeerd dat hij een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Hij heeft een alcoholverslaving, die veroorzaakt wordt door een posttraumatische stressstoornis vanwege mishandeling in zijn jeugd door zijn vader, wat de diepere oorzaak vormt voor zijn recidive. Eiser verwijst naar het arrest Orfanopoulus en Olivieri15 van het Hof van Justitie van 29 april 2004 en naar brieven van de reclassering van het Leger des Heils van 25 oktober en 6 november 2017 en voert aan dat hieruit kan worden afgeleid dat er nog enig perspectief voor hem is om zijn gedrag aan te passen.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in eisers nadeel heeft laten uitvallen. Ook al is eiser een ‘settled migrant’, er zijn ernstige redenen om zijn uitzetting te rechtvaardigen. De rechtbank gaat, anders dan verweerder, gelet op wat is overwogen onder 14, uit van een ononderbroken verblijfduur van eiser in Nederland, maar is van oordeel dat verweerder terecht doorslaggevend heeft geacht dat eiser een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser al veel kansen heeft gehad om zijn leven te beteren, ook door behandelingen die hij heeft ondergaan voor zijn alcoholverslaving, en dat dit er tot op heden niet toe heeft geleid dat hij geen misdrijven meer pleegt. Eiser wist, gelet op het uitgebrachte voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning, wat de consequenties waren van zijn gedrag. Toch is eiser doorgegaan met het plegen van misdrijven. De brieven van de reclassering van het Leger des Heils kunnen daarom niet tot een ander oordeel leiden. Verder heeft eiser geen stukken van een psychiater/psycholoog overgelegd over zijn problemen op traumatisch vlak, zodat verweerder hier geen gewicht aan heeft hoeven toekennen. Verweerder heeft ook de reclasseringskansen van eiser in Marokko niet hoeven onderzoeken. Eiser heeft immers banden met Marokko en hij spreekt de taal van dat land.

20. Verweerder heeft met de motivering zoals opgenomen in het bestreden besluit kunnen concluderen dat het belang van de Nederlandse Staat bij bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het voortduren van zijn verblijfsrecht in Nederland. De intrekking van eisers verblijfsvergunning is dan ook een gerechtvaardigde inmenging in eisers privéleven.

Slotsom

21. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzitter, en mr. C. van Boven-Hartogh en mr. K.M. de Jager, rechters, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Vreemdelingenbesluit 2000

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

4 Algemene wet bestuursrecht

5 Richtlijn 2003/86/EG

6 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

7 ECLI:NL:RVS:2018:1738

8 Uittreksel justitiële documentatie van 26 juli 2017.

9 C-482/01 en C-493/01; ECLI:EU:C:2004:262

10 ECLI:NL:RVS:2018:3998

11 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

12 www.hudoc.echr.coe.int/ zaaknummer 54273/00

13 www.hudoc.echr.coe.int/ zaaknummer 46410/99

14 www.hudoc.echr.coe.int/ zaaknummer 1638/03; (punt 75 arrest Maslov)

15 C-482/01 en C-493/01; ECLI:EU:C:2004:262