Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
C/09/544802 / FA RK 17-9554
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-9554 (scheiding) / FA RK 18-6186 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/544802 (scheiding) / C/09/558794 (verdeling)

Datum beschikking: 12 maart 2019

Scheiding

Beschikking op het op 14 december 2017 ingekomen verzoek van:

[Y]

(blijkens de huwelijksakte geheten: [Y1]

de man,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. A.J.M.H. de Werd te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.J. Post te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 12 januari 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het verweerschrift, tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief van 7 juni 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 2 augustus 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 20 december 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 18 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 23 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 25 januari 2019 van de zijde van de man.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 29 januari 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de vrouw, vergezeld van de tolk mevrouw [T] en bijgestaan door haar advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding met de volgende nevenvoorzieningen:

- te beslissen conform hetgeen in het ouderschapsplan is opgenomen en dit ouderschapsplan geheel in de beschikking op te nemen;

- te bepalen dat de bankrekening bij ING met nummer [nr. 1] aan de man wordt toegedeeld onder vaststelling van het bedrag dat de man ter zake aan de vrouw zal moeten betalen;

- te bepalen dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de man wordt toegedeeld onder vaststelling van het bedrag dat de man ter zake zal moeten betalen aan de vrouw;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft, behoudens voor wat betreft het verzoek tot echtscheiding, verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw de volgende nevenvoorzieningen verzocht:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw;

- primair:

te bepalen dat het ouderschapsplan van toepassing zal zijn met de volgende aanvullingen:

a) de zorgregeling van 4.3 wordt vervangen door de zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking van 26 januari 2018;

b) de vrouw mag in de zomervakantie drie weken achtereen met de kinderen op vakantie;

c) de paspoorten komen in beheer bij de vrouw;

d) partijen geven elkaar toestemming per reis naar het buitenland;

e) als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betaalt de man aan de vrouw € 600,-- per maand per kind, te vermeerderen met de kosten van de school;

- subsidiair:

te bepalen dat de man de kinderen bij zich zal hebben om de week in het weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandag naar school en om de week op donderdag vanaf 18.00 uur tot de volgende morgen naar school en van de vakanties het Paasweekend, één week in de Kerstvakantie en twee weken in de zomervakantie;

en

het bedrag, dat de man met ingang van de datum van echtscheiding verschuldigd zal zijn te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, te bepalen op € 600,-- per maand per kind, te vermeerderen met de schoolkosten van de International School (per kind eveneens ongeveer € 600,-- per maand);

en te komen tot een afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden door:

- primair:

de tussen partijen bestaande gemeenschap bij helfte te verdelen (indien de man de daartoe nodige gegevens overlegt);

- subsidiair:

de man te veroordelen met de vrouw over te gaan tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap, met benoeming van de notaris, ten overstaan van wie de verdeling dient te geschieden en een onzijdig persoon, ter vertegenwoordiging van diegene die mocht weigeren of in gebreke blijven aan de verdeling mede te werken;

- te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage voor haar levensonderhoud zal voldoen ter hoogte van € 2.000,-- per maand, althans een bedrag door de rechtbank te bepalen, althans te bepalen dat de man aan de vrouw € 50.000,-- zal betalen als voorschot op de verrekening en verdeling,

alles met compensatie van de proceskosten, zodat ieder de eigen kosten draagt.

De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2002 te [huwelijksplaats] , Zuid-Afrika.

- Voorafgaande aan het huwelijk zijn op [datum] 2002 te [plaatsnaam] , Italië, huwelijkse voorwaarden verleden ten overstaan van een notaris, welke zijn geregistreerd op [datum] 2002.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] , Malta,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] .

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

- De man heeft de Italiaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Italiaanse en de Zuid‑Afrikaanse nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 26 januari 2018 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende dat:

 de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [woonplaats] , [adres] ;

 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

 de man voorlopig gerechtigd is [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij zich te hebben

 om de week in het weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandag naar school; en

 om de week van donderdagavond om 18.00 uur tot de volgende ochtend naar school;

 de man met ingang van 26 januari 2018 voorlopig zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 369,-- per maand per kind.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

Ontvankelijkheid

Door de man is geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
De man heeft gesteld dat het vanwege de verhouding tussen partijen niet mogelijk is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan over te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Toepasselijk recht

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is erkend en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Hoofdverblijfplaats

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Inhoudelijke beoordeling

Het verzoek van de vrouw om de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen, kan als niet, althans onvoldoende weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Inhoudelijke beoordeling

De ouders hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de wekelijkse zorgregeling, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zullen zijn de ene week vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag 18.00 uur tot vrijdag 21.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige 2] op donderdag en vrijdag uit school zal halen en hem op die dagen om 17.00 uur naar de man zal brengen. [minderjarige 1] komt zelfstandig uit school en heeft de keuze om direct naar het huis van zijn vader te gaan of eerst naar zijn moeder om vervolgens door haar met [minderjarige 2] naar de man te worden gebracht. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De ouders hebben ter zitting eveneens overeenstemming bereikt over de zorgregeling tijdens de vakanties en feestdagen, in die zin dat de regeling zoals opgenomen in het door de man in de Engelse taal overgelegde ouderschapsplan onder punt 4.4 gevolgd zal worden, met dien verstande dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de zomervakantie drie achtereenvolgende weken bij de man en drie achtereenvolgende weken bij de vrouw zullen zijn. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De vrouw heeft ter zitting toegezegd dat zij de in haar bezit zijnde identiteitskaarten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de man zal overhandigen. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij het paspoort dat hij nog in zijn bezit heeft van een van de kinderen aan de vrouw zal overhandigen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze toezeggingen zullen nakomen.

Ter zitting is gebleken dat, ondanks dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling, tussen de ouders nauwelijks tot geen communicatie mogelijk is. De ouders zijn zich hiervan bewust en hebben beiden aangegeven dat zij het traject Ouderschap Blijft, waarvoor zij zich reeds eerder vrijwillig hebben aangemeld, willen hervatten. Nu de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht dat de communicatie tussen de ouders wordt verbeterd, zal de rechtbank de ouders verwijzen naar het traject Ouderschap Blijft als na te melden.

Het overigens verzochte met betrekking tot het ouderschapsplan zal worden afgewezen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Behoefte kinderen

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten tijde van het huwelijk in 2017 gesteld kan worden op € 1.425,-- per maand. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2019 € 1.475,-- per maand, of wel (afgerond) € 738,-- per maand per kind. De rechtbank zal hiervan uitgaan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen de ouders moet worden verdeeld.

De rechtbank hanteert de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 950)], waarbij NBI staat voor: Netto Besteedbaar Inkomen. Partijen zijn het er echter over eens dat de formule voor wat betreft de berekening van de draagkracht van de man aangepast dient te worden in die zin dat de daarin opgenomen forfaitaire woonlast vervangen moet worden door de woonlasten die de man daadwerkelijk voldoet. De rechtbank zal partijen hierin volgen.

Draagkracht man

Beide partijen hebben in het kader van de kinderalimentatie het NBI van de man in de door hen overgelegde draagkrachtberekeningen berekend op € 7.146,-- per maand. De rechtbank zal van dit bedrag uitgaan.

Niet in geschil is dat de man een woning à € 1.600,-- per maand voor zichzelf huurt en dat hij daarnaast de lasten van de echtelijke woning voor zijn rekening neemt. In de door de man als productie 30 overgelegde draagkrachtberekening becijfert de man zijn totale netto woonlasten op € 3.393,-- per maand. De rechtbank zal de in de formule opgenomen forfaitaire woonlast vervangen door dit bedrag.

Aan de hand van de aangepaste formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op 70% x [€ 7.146,-- – (€ 3.393,-- + 950)] = € 1.962,-- per maand.

Draagkracht vrouw

De vrouw heeft momenteel geen inkomen. Dit betekent dat de draagkracht van de vrouw nihil is.

Nu de vrouw geen draagkracht heeft komt het bedrag waar de kinderen behoefte aan hebben geheel voor rekening van de man.

Zorgkorting

In geschil is de zorgkorting die gehanteerd moet worden. Gelet op de zorgregeling zoals die wordt vastgesteld, zal de rechtbank voor de man een zorgkorting van 35% in aanmerking nemen.

Nu de behoefte van de kinderen € 1.475,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting naar beneden afgerond € 515,-- per maand. De door de man te betalen maandelijkse bijdrage voor de kinderen wordt derhalve als volgt berekend: € 1.475,- -/- € 515,-- = € 960,-- of wel € 480,-- per maand per kind. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vaststellen op genoemd bedrag van
€ 480,-- per maand per kind. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels naar een reguliere school gaan, gaat de rechtbank er vanuit dat de door de vrouw genoemde schoolkosten van de International School niet meer aan de orde zijn. De rechtbank zal het verzoek dienaangaande afwijzen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Behoefte en behoeftigheid vrouw

De vrouw heeft een behoefteberekening overgelegd waarin zij haar behoefte begroot op € 5.009,-- netto per maand. De vrouw heeft gesteld dat het inkomen van de man vóór zijn dienstverband bij [bedrijf] altijd veel hoger is geweest. De vrouw heeft haar behoefte op dit hogere inkomen gebaseerd.

De man heeft de behoefte van de vrouw betwist. Ter zitting heeft de man de behoefte van de vrouw berekend op € 2.000,-- netto per maand, dan wel op € 2.400, netto per maand indien wordt uitgegaan van de zogenoemde Hofnorm. De man is hierbij uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk van € 5.310,-- per maand.

De man is van mening dat de vrouw in staat is door het verrichten van werkzaamheden zelf in haar behoefte te voorzien. Hij heeft er op gewezen dat de vrouw opleidingen heeft gevolgd en werkervaring heeft. De man meent dat rekening gehouden moet worden met een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,-- netto per maand en/of dat de alimentatie in tijd gelimiteerd moet worden tot maximaal zes jaar.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van de vrouw hoger is dan de door de man gestelde € 2.000,-- dan wel € 2.400,-- netto per maand en overweegt daartoe als volgt. De man heeft bij het door hem genoemde netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.310,-- geen rekening gehouden met de 30%-regeling voor uit het buitenland ingekomen werknemers. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij alsnog voor deze regeling in aanmerking komt en dat hij met terugwerkende kracht tot en met 2018 hiervan gebruik zal maken. Dit betekent dat het inkomen van de man in 2018 aanzienlijk hoger is dan genoemde € 5.310,-- per maand. Volgens de eigen berekening van de man bedraagt zijn inkomen rond de € 7.000,-- netto per maand. De man heeft erkend dat hij in 2016 ook gebruik heeft gemaakt van genoemde 30%-regeling. Nu niet, althans onvoldoende weersproken is dat het inkomen van de man voor het dienstverband bij [bedrijf] altijd veel hoger is geweest, acht de rechtbank het niet redelijk om bij de bepaling van de behoefte van de vrouw genoemde € 5.310,-- per maand als uitgangspunt te nemen. Indien wordt uitgegaan van een netto gezinsinkomen van rond € 7.000,-- per maand komt de behoefte van de vrouw hoger uit dan de door de man genoemde bedragen.

De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt is of de vrouw in staat is door middel van arbeid deels in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij de afgelopen 17 jaar met de man is meegereisd naar en in verschillende landen heeft gewoond en dat zij haar carrière heeft gestaakt ten behoeve van de carrière van de man. Daar komt bij dat de vrouw de Nederlandse taal niet machtig is. De man heeft weliswaar gesteld dat de vrouw diverse opleidingen heeft gevolgd, waaronder een opleiding voor docent Engels, maar de man erkent ook dat de vrouw deze opleidingen heeft gevolgd in de periode 2003-2006. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage van € 2.000,-- per maand, geenszins haar aanvullende behoefte te boven gaat en zal de rechtbank de bepaling van de exacte behoefte van de vrouw achterwege laten.

Draagkracht man

De rechtbank zal de door de man als productie 30 overgelegde draagkrachtberekening als uitgangspunt nemen, nu partijen het erover eens zijn dat de man naast de huur van zijn eigen woning ook de lasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen en derhalve dubbele woonlasten heeft. Bovendien zijn partijen eensgezind over de wijze waarop het inkomen van de man (inclusief de voornoemde 30%-regeling) in die draagkrachtberekening ‘boven de streep’ opgenomen dient te worden.

Hiervan uitgaand bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man waar de rechtbank van uit zal gaan derhalve € 7.197,-- per maand, conform het standpunt van partijen.

De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

  1. € 1.600,-- kale huur woning man;

  2. € 416,-- hypotheekrente echtelijke woning aandeel man;

  3. € 1.333,-- aflossing hypotheek echtelijke woning;

  4. € 95,-- forfait overige eigenaarslasten echtelijke woning;

  5. € 488,-- gebruikerslasten echtelijke woning;

  6. € 155,-- premie ziektekostenverzekering;

  7. € 32,-- verplicht eigen risico;

  8. € 986,-- aflossing schuld.

De rechtbank zal de lasten 1 tot en met 7 als niet, althans onvoldoende weersproken, in aanmerking nemen.

De rechtbank zal conform de draagkrachtberekening van de man op de woonlasten de in de bijstandsnorm begrepen “gemiddelde basishuur” en op de ziektekosten het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW in mindering brengen .

De vrouw heeft de last onder 8 betwist.

De man heeft ter zake gesteld dat hij bij ABN-AMRO een lening van € 62.500,-- is aangegaan in verband met de kosten van rechtsbijstand, schoolkosten van de kinderen, kosten van de verhuizing en kosten van de mediation.

De vrouw heeft gesteld dat zij een toevoeging heeft, maar dat op het moment dat de overwaarde uit de echtelijke woning, die verkocht zal worden, vrij komt zij alsnog voor de rechtsbijstand zal moeten betalen en dat bij haar ook geen rekening wordt gehouden met deze kosten van rechtsbijstand. Ook heeft de vrouw er op gewezen dat in de voorlopige voorzieningen in het voordeel van de man geen rekening is gehouden met de 30%-regeling. Het kan dan volgens de vrouw niet zo zijn dat ook nog eens rekening wordt gehouden met een lening aan de zijde van de man, terwijl de man over een ruimer budget beschikt dan de vrouw.

De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man gestelde lening. Ter zitting is gebleken dat op genoemde lening € 4.000,-- is afgelost en dat van deze lening door de man een bedrag van € 34.000, op een spaarrekening is gezet. Laatstgenoemd bedrag kan derhalve door de man gebruikt worden om de lening verder af te lossen. Daarnaast zal ook de man uit de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning een aanzienlijk geldbedrag ontvangen. De man moet in staat geacht worden de lening hiermee verder af te lossen. Nu de lening voor een groot gedeelte is aangegaan in verband met de kosten van rechtsbijstand en bij de vrouw ook geen rekening gehouden wordt met de kosten van rechtsbijstand, acht de rechtbank het niet redelijk aan de zijde van de man hiermede wel rekening te houden. De man heeft bovendien de noodzaak voor het aangaan van de lening niet aangetoond.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Bij een netto besteedbaar inkomen van € 7.197,-, een draagkrachtloos inkomen van € 4.854,- heeft de man, ook zonder dat rekening gehouden wordt met de lening bij ABN-AMRO, geen draagkracht om naast de bijdrage van € 960,- per maand in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het verzoek van de vrouw daartoe zal derhalve worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat partijen het er ter zitting over eens geworden zijn dat als de echtelijke woning verkocht zal zijn en een herberekening van de onderhoudsbijdrage(n) aan de orde is voor beiden uitgegaan kan worden van een netto woonlast van € 1.600,-- per maand.

Limitering

Nu de rechtbank het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie zal afwijzen komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van de man om de alimentatie in duur te limiteren tot maximaal zes jaar.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot de over en weer gedane verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Krachtens artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Italiaanse recht, nu de echtgenoten dat interne recht vóór het huwelijk hebben aangewezen als het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht.

Inhoudelijke beoordeling

Blijkens de door de man overgelegde huwelijkse voorwaarden worden de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk van partijen beheerst door het stelsel van gemeenschap van goederen overeenkomstig de artikelen 177 en verder van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek. Dit stelsel heeft als kenmerk dat de goederen van de echtgenoten in beginsel in drie vermogens worden verdeeld: de (twee) privévermogens van beide echtgenoten en een gemeenschappelijk vermogen. Daarnaast bestaat nog een vierde vermogen met een aparte status, de zogenaamde uitgestelde ‘restgemeenschap’.

Niet in geschil is dat de peildatum voor de inventarisatie van de verschillende vermogens naar Italiaans recht het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap is en dat het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap samen valt met de aantekening op de huwelijksakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de uitspraak waarin de echtscheiding wordt uitgesproken. In geschil is voorts niet dat de waardering van de vermogens plaatsvindt ten tijde van de verdeling.

De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat nu de peildatum voor de inventarisatie van de verschillende vermogens in de toekomst is gelegen, de rechtbank thans niet kan overgaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap, zodat in zoverre de over en weer gedane verzoeken daartoe zullen worden afgewezen.

De rechtbank heeft partijen erop gewezen dat zij elkaar over en weer inzicht zullen moeten verschaffen over de verschillende vermogens op genoemde peildatum. Partijen kunnen alsdan trachten in onderling overleg te komen tot verdeling van de bestaande huwelijksgemeenschap. In dat kader is ter zitting het volgende aan de orde gekomen. Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de echtelijke woning tot het gemeenschappelijk vermogen behoort. Ter zitting zijn zij het er over eens geworden dat de echtelijke woning zo spoedig mogelijk verkocht zal worden en dat zij zich hiertoe zullen wenden tot Estata Makelaars. De man heeft gewezen op de mogelijkheid van verkoop van de echtelijke woning voor de peildatum en dat dit het risico met zich meebrengt dat een van partijen zijn/haar aandeel verkwanselt en vervolgens (nogmaals) verdeling zal vorderen van de reeds aan de ander uitgekeerde netto overwaarde. Ter zitting hebben partijen uitgesproken dat zij beiden afstand doen van het recht om verdeling te vorderen van de overwaarde in de echtelijke woning indien en voorzover de verkoopopbrengst onder aftrek van de hypothecaire schuld en de verkoopkosten reeds voor peildatum is uitgekeerd en bij helfte tussen hen is verdeeld.

De vrouw heeft gesteld dat de man in september 2017 in totaal € 42.000,-- van de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt naar de bankrekening op zijn naam met IBAN [nr. 2] . De vrouw heeft de man verzocht inzicht te verschaffen in wat er met dit geld is gebeurd. Ter zitting heeft de man toegezegd de vrouw dit inzicht te verschaffen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man ook deze toezegging zal nakomen.

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen zullen trachten in onderling overleg tot overeenstemming te komen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Voor het geval partijen dit niet lukt, zal de rechtbank het subsidiaire verzoek van de vrouw om

de man te veroordelen met de vrouw over te gaan tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap, met benoeming van de notaris, ten overstaan van wie de verdeling dient te geschieden en een onzijdig persoon, ter vertegenwoordiging van diegene die mocht weigeren of in gebreke blijven aan de verdeling mede te werken toewijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] , Zuid-Afrika, op [huwelijksdatum] 2002;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] , Malta,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zullen zijn:

- de ene week vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag 18.00 uur tot vrijdag 21.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige 2] op donderdag en vrijdag uit school zal halen en hem op die dagen om 17.00 uur naar de man zal brengen;

en bepaalt dat voor de vakanties de volgende regeling zal gelden:

- The Christmas/New Years holiday will be split in half and the children will spend half time with each of the parents, in an alternate manner, each year (i.e. first half including Christmas day with the mother and second half including New Years day with the father and the opposite following year).

The Easter long weekend holiday will be spent with the father.

The children will spend the Autumn, February and Spring holidays with mother on Monday to Friday and with father from Friday 17.00 till Monday 8.30 am.

One week, to be agreed, out of Autumn, February and Spring holidays in a year will be spent with the father. The children will spend three weeks of the summer holiday with each parent.

Vacations longer than three weeks are subject to the approval of the other parent. The children will spend a continuous period of maximum three weeks with one parent.

Other holidays are not celebrated within this family. On these days the children will stay with their parents according to the schedule.

At Public Holidays (not Christmas, New Years day, Easter) [minderjarige 1] and [minderjarige 2] will stay with their father of mother, depending on the normal calendar schedule.

Mother’s Day and Father’s Day are celebrated. The children stay with their mother on Mother’s Day and with their father on Father’s Day.

During holidays abroad, children must be contactable over the phone (or Skype/WhatsApp/FaceTime call) on a daily basis by the other parent. The parent who is with children will do his/her best to make sure this happens;

en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt vast dat partijen, te weten:

[Y] ,

p/a mr. A.J.M.H. de Werd, 2517 KW ’s-Gravenhage, Scheveningseweg 52, telefoon 070‑311 40 64,

en

[X] ,

p/a mr. M.J. Post, 2596 BA ’s-Gravenhage, Benoordenhoutseweg 23, telefoon 070‑330 66 77,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De [plaatsnaam] omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

*

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 480,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de tussen partijen naar Italiaans recht bestaande huwelijksgemeenschap welke door de scheiding wordt ontbonden;

benoemt, voor het geval partijen het over de keuze van een notaris niet eens worden, tot notaris ten overstaan van wie de verdeling behoort te worden tot stand gebracht:

mr. M.D.M. Adegeest, notaris te ’s-Gravenhage, dan wel diens plaatsvervanger;

benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet:

voor de man mr. M.Y. van der Bijl, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, dan wel de plaatsvervanger,

voor de vrouw mr. K.J. Kerdel, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, dan wel de plaatsvervanger;

verklaart deze voorziening uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, J.M. Vink en H.M. Boone, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019.