Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2700

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 771, AWB - 18_986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beroepen tegen vastgestelde leerlinggewichten gegrond omdat besluiten gewijzigd, rechtsgevolgen in stand omdat eiseres landeninformatie had moeten betrekken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/771

SGR 18/986

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. W. Brussee),

en

de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, verweerder

(gemachtigden: mr. J. Bootsma en mr. J.V. de Kort).

Procesverloop

I. Bij besluit van 27 april 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het gewijzigde vastgestelde aantal en categorie gewichtenleerlingen voor de onder haar bestuur vallende basisschool Onze Wereld op de teldatum 1 oktober 2014.

Bij besluit van 13 december 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ten aanzien van 18 leerlinggewichten gegrond verklaard, dit besluit in zoverre herroepen en leerlinggewichten gewijzigd vastgesteld. Verweerder heeft de proceskosten in bezwaar vergoed. Ten aanzien van de overige leerlingen heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 24 januari 2018 beroep ingesteld.

Bij besluit van 24 april 2018 heeft verweerder de beslissing van 13 december 2017 ingetrokken en opnieuw op het bezwaarschrift beslist. Bij besluit van 17 januari 2019 heeft verweerder het besluit van 24 april 2018 gewijzigd.

Het beroep tegen het besluit van 13 december 2017 heeft gelet op hetgeen is bepaald in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op de besluiten van 24 april 2018 en 17 januari 2019.

II. Bij besluit van 5 september 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het gewijzigde vastgestelde aantal en categorie gewichtenleerlingen op de teldatum 1 oktober 2014 voor de volgende dertien onder haar bestuur vallende basisscholen: [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [F] ’, [G] , [H] , [I] , [J] , [K] , [L] en [M] .

Bij besluit van 21 december 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ten aanzien van 118 leerlinggewichten gegrond verklaard, dit besluit herroepen en de proceskosten in bezwaar vergoed. Ten aanzien van de overige 179 leerlingen heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 31 januari 2018 beroep ingesteld, alleen namens de volgende vier onder haar vallende basisscholen: [A] , [C] , [F] en [I] .

Bij aanvullend besluit van 17 januari 2019 heeft verweerder ten aanzien van een aantal leerlingen alsnog het leerlinggewicht gewijzigd vastgesteld.

Het beroep tegen het besluit van 21 december 2017 heeft gelet op hetgeen is bepaald in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op het besluit van 17 januari 2019.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst, teneinde partijen in beide zaken de gelegenheid te geven om opnieuw in overleg te treden. Op 21 augustus 2018 heeft verweerder bericht over de uitkomst van het overleg, op 3 oktober 2018 heeft eiseres gereageerd. Het onderzoek ter zitting is op 5 februari 2019 op verzoek hervat. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde(n).

Overwegingen

1. Verweerder stelt in het kader van het achterstandenbeleid op basis van de gewichtenregeling van artikel 27 Besluit bekostiging WPO (Wet op het primair onderwijs) jaarlijks extra middelen beschikbaar aan basisscholen. Het criterium voor toekenning van deze extra middelen is het opleidingsniveau van de ouders van een leerling. De gewichtenregeling kent twee gewichten (0,3 en 1,2) waarbij een hoger leerlinggewicht tot een hogere bekostiging leidt. Uit onderzoek door verweerder naar de leerlinggewichten is gebleken dat sommige ouderverklaringen waarop scholen leerlinggewichten baseerden, niet leesbaar of onvolledig waren. Eveneens zijn fouten aangetroffen waarbij het op de ouderverklaringen gebaseerde leerlinggewicht onjuist was vastgesteld. Ook bij bovenvermelde basisscholen zijn dergelijke fouten geconstateerd. Zij hebben tot september 2015 de gelegenheid gekregen de onvolledige of onduidelijke verklaringen aan te vullen. Naar aanleiding van een hercontrole heeft verweerder bij eiseres vervolgens bij de primaire besluiten de leerlinggewichten gewijzigd.

2. Naar aanleiding van de bezwaren van eiseres heeft verweerder vervolgens per leerling opnieuw bezien of de bij het bezwaar (nieuw) ingediende ouderverklaringen (alsnog) grond gaven voor het door eiseres voorgestane leerlinggewicht. Nadat de rechtbank de zitting van 24 mei 2018 heeft geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen opnieuw in overleg te treden heeft verweerder bij het aanvullende besluit van 17 januari 2019 van een aantal tijdens dit nader overleg besproken leerlingen alsnog een (bijgesteld) leerlinggewicht vastgesteld.

Nu verweerder in beide beroepszaken de bestreden besluiten heeft gewijzigd dan wel opnieuw heeft vastgesteld zijn de beroepen reeds hierom gegrond. Gelet op het gegeven dat de rechtbank ter zitting in samenspraak met partijen heeft vastgesteld dat er nog enkele beroepsgronden blijven staan, is er aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand moeten worden gelaten.

De rechtbank zal in het onderstaande ingaan op deze gronden.

3 Ten aanzien van beide beroepen

3.1

Voor zover eiseres stelt dat verweerder na oktober 2014 met terugwerkende kracht strengere eisen is gaan stellen aan de ouderverklaringen, kan zij daarin niet worden gevolgd. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat na de invoering van een standaardformulier ouderverklaring op 1 januari 2015 de eisen die gesteld worden aan de door eiseres te verstrekken informatie zijn veranderd dan wel aangescherpt. De rechtbank overweegt dat het feit dat de ouderverklaringen vòòr 1 januari 2015 vormvrij waren niet afdoet aan het feit dat sinds de invoering van de leerlinggewichtregeling in 2006 op eiseres steeds dezelfde verantwoordelijkheid heeft gerust, namelijk om ondertekende, volledige en duidelijke ouderverklaringen aan de hand waarvan het opleidingsniveau kon worden nagegaan, aan het door haar vastgestelde leerlinggewicht ten grondslag te leggen. Van invoering van strengere eisen is de rechtbank dan ook niet gebleken. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is derhalve geen sprake. De beroepsgrond faalt.

3.2

Voor zover eiseres betoogt dat zij conform de brochure “nieuwe gewichtenregeling basisonderwijs” van april 2008 de door verweerder ter beschikking gestelde aanvullende landeninformatie niet behoefde te betrekken bij de vaststelling van het leerlinggewicht als zij niet twijfelde over vergelijkbaarheid van de genoten opleiding met een in Nederland te volgen opleiding, kan zij daar ook niet in worden gevolgd. De rechtbank stelt vast dat uit de regeling volgt dat het aan de onderwijsinstelling is om naar aanleiding van de ouderverklaringen de juiste categorie leerlinggewicht vast te stellen. Het is hierbij van belang dat dit op objectief verifieerbare wijze gebeurd. De door verweerder verstrekte landeninformatie heeft als doel de leerlinggewichten voor leerlingen waarvan de ouders in het buitenland een opleiding hebben gevolgd, objectiveerbaar te maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat eiseres gehouden is integraal alle verstrekte informatie bij de beoordeling te betrekken. Hierbij is geen ruimte voor een eigen interpretatie over het niveau van het in het buitenland gevolgde opleiding. De beroepsgrond faalt. In het verlengde hiervan is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder terecht ten aanzien van leerling [leerling] heeft gesteld dat de Bulgaarse DSZO in de landeninformatie is opgenomen zodat er op dit punt geen ruimte is voor een eigen interpretatie door eiseres.

3.3

Eiseres voert aan dat zij niet had kunnen weten dat het door de auditdienst in 2007 geaccordeerde gewicht 0,3 voor het Turkse onderwijstype Lise gewijzigd is naar gewicht 0. Omdat de informatievoorziening hierover, die volgens verweerder kennelijk in 2008 zou hebben plaatsgevonden, niet meer vindbaar is, heeft verweerder dit niet tegengeworpen. Maar ook verweerders stelling dat eiseres vanaf 12 mei 2010 beter had moeten weten, betwist eiseres. De inhoud van de nieuwsbrief van die datum is niet zodanig dat daaruit opgemaakt kon worden dat niet langer gerechtvaardigd mocht worden vertrouwd op het door de auditdienst in 2007 geaccordeerde gewicht.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat in ieder geval in de nieuwsbrief van 12 mei 2010 voldoende informatie is verstrekt over het onderwijstype Lise. Niet alleen leest de rechtbank in deze nieuwsbrief dat schoolbesturen erop wordt gewezen dat zij verantwoordelijk zijn voor de juiste opgave van leerlinggewichten, maar ook zijn de schoolbesturen er op gewezen wáár zij informatie kunnen vinden. Voorts is uit de tabel bij deze brief duidelijk te halen dat onderwijstype Lise categorie 3 is, hetgeen leerlinggewicht 0 betekent. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat scholen ieder nieuw schooljaar de laatste stand van zaken dienen te betrekken bij de toekenning van leerlinggewichten. Verweerder heeft voldoende aangetoond dat in ieder geval in de nieuwsbrief van 12 mei 2010 voldoende informatie hierover is verstrekt. Voor zover ter zitting van 5 februari 2019 is aangevoerd dat hieruit niet blijkt dat ouders die tot twee jaar Lise hebben gevolgd niet in categorie 2 zouden zitten, volgt de rechtbank verweerder dat het om de instroom gaat. De beroepsgrond faalt.

4 Ten aanzien van de leerlingen Oberc, Semeleer en Susan

Ten aanzien van deze leerlingen volgt de rechtbank verweerder dat reeds nu de ouders hiervan in de ouderverklaringen niet het land hebben vermeld waar zij basisonderwijs hebben gevolgd, deze ouderverklaringen voor eiseres onvoldoende waren om leerlinggewicht op vast te stellen. De beroepsgrond faalt.

5. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb gegeven bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Dit betekent dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt.

6. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beide beroepszaken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.560,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierechten van € 671,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 2.560,-.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 19 maart 2019 door mr. J.M. Ghrib, voorzitter, mr. M.J.L. van der Waals en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.