Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:27

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
C/09/18/332 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigen aanvraag faillissement afgewezen. Er zijn voldoende liquide middelen om alle schuldeisers van de vennootschap te betalen. Daarom is er geen sprake van een toestand dat de vennootschap is opgehouden te betalen als bedoeld in artikel 1 Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/18/[xxx] F

Beschikking van 3 januari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap],

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [00000000],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

kantoorhoudende te [postcode vestigingsplaats en adres],
verzoekster,
advocaten: mr. C. Boersma en mr. C.M. Molhuysen te Amsterdam.

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als de vennootschap.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met 10 bijlagen, van de vennootschap van 27 december 2018 strekkende tot faillietverklaring van de vennootschap;

- de brief van 28 december 2018 van mr. Boersma, met drie aanvullende stukken bij het verzoekschrift;

- de e-mail van mr. Boersma van 31 december 2018, met een verklaring dat bij de vennootschap sprake is van een toestand van hebben opgehouden te betalen.

1.2.

Het verzoekschrift is op 2 januari 2019 ter zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen [X], (middellijk) statutair bestuurder van de vennootschap, en [A], financieel directeur van de vennootschap, bijgestaan door de advocaten mr. Boersma en mr. Molhuysen, voornoemd.

1.3.

Ten slotte heeft de rechtbank de datum voor de uitspraak bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de vennootschap in Nederland ligt.

2.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1 en artikel 6 lid 3 van de Faillissementswet (Fw) is voor een faillietverklaring vereist dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Om deze toestand te kunnen aannemen, moet volgens vaste jurisprudentie zijn voldaan aan twee voorwaarden: (1) er moet sprake zijn van meerdere schuldeisers (pluraliteit) en (2) de schuldenaar moet in de toestand verkeren dat hij is opgehouden te betalen (art. 1 Fw). Of is voldaan aan deze voorwaarden, dient de rechtbank te beoordelen per datum van deze beschikking (ex nunc).

2.3.

De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat de vennootschap meerdere schuldeisers heeft. Aan het pluraliteitsvereiste is in zoverre voldaan.

2.4.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de vennootschap verkeert in de toestand dat zij is opgehouden te betalen.

2.5.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vennootschap een debiteurenpositie heeft van € 145.439,=. Ter zitting heeft de financieel directeur verklaard dat het recente debiteuren betreft, die zijn ontstaan in de maanden november en december 2018. Desgevraagd heeft hij verklaard dat deze debiteuren, waaronder Rabobank Nederland voor in totaal € 102.539,09, doorgaans binnen de betalingstermijn van 30 dagen betalen. De verwachting is dat dat ook nu zal gebeuren. Verder heeft de vennootschap een vordering van € 44,5 miljoen op haar enig aandeelhouder, SecurCash Nederland B.V. Ter zitting is betoogd dat die vordering in de loop der jaren is ontstaan, voor dat de vennootschap onderdeel werd van de [Z]-groep in 2015, vanwege onbetaalde dienstverlening.

2.6.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vennootschap een crediteurenpositie heeft van € 71.714,39 per 30 november 2018. Ter zitting is weliswaar door de vennootschap betoogd dat die crediteurenpositie sindsdien is verslechterd, maar waaruit die verslechtering bestaat is desgevraagd niet nader geconcretiseerd.

2.7.

De financieel directeur heeft ter zitting verklaard dat de vennootschap een bedrag van ongeveer € 100.000,= op haar bankrekening vrij ter beschikking heeft.

2.8.

De vennootschap heeft 40 werknemers in dienst. De lonen zijn tot en met december 2018 voldaan.

2.9.

De vennootschap heeft er nog op gewezen dat zij tevens verplichtingen heeft uit andere lopende duurovereenkomsten, zoals een huurovereenkomst voor een kantoorpand in Best en ICT-contracten. Ter zitting is gebleken dat alle verplichtingen voortvloeiende uit deze duurovereenkomsten tot en met december 2018 door de vennootschap zijn nagekomen. Niettemin heeft de vennootschap haar activiteiten met ingang van 1 januari 2019 gestaakt, omdat zij geen opdrachten meer ontvangt van haar enig aandeelhouder die tevens haar enige opdrachtgeefster was.

2.10.

Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, kan niet worden vastgesteld dat de vennootschap verkeert in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Er is op dit moment immers voldoende liquiditeit om alle schuldeisers van de vennootschap te voldoen.

2.11.

Dat is niet anders als de huur over het eerste kwartaal van 2019 verschuldigd zou worden en bij de schuldenlast zou komen. Daar staat immers tegenover dat de vennootschap volgens de financieel directeur elk moment betaling van € 145.439,= tegemoet kan zien.

2.12.

De rechtbank zal daarom het verzoek tot faillietverklaring afwijzen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst af het verzoek tot faillietverklaring.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W. Vogels, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2019.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.