Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
C/09/531305 / FA RK 17-3121
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

echtscheiding met nevenvoorzieningen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummers: FA RK 17-3121 (echtscheiding) en FA RK 17-9307 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/531305 (echtscheiding) en C/09/544258 (verdeling)

Datum beschikking: 14 maart 2019

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 18 april 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[X]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. P.B. van Eck-Molenaar te [woonplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.G. Schnoor te ‘s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 juli 2018 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken, is het verzoek tot partneralimentatie afgewezen en is bepaald dat de man en de vrouw moeten overgaan tot de wettelijke pensioenverevening. Ten aanzien van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap is samengevat met instructies aan beide advocaten de voortgang van de procedure vastgesteld en is bepaald dat een tweede zitting zal plaatsvinden op 2 november 2018. Iedere verdere beslissing over de verdeling, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de dwangsom is toen aangehouden.

De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de processtukken, waaronder nu ook:

- de brief van 12 september 2018 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- de brief van 1 oktober 2018 met bijlagen van de zijde van de man;

- de brief van 18 oktober 2018 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- de brief van 22 oktober 2018 met bijlagen van de zijde van de man.

Op 2 november 2018 is de verdere behandeling ter tweede zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten.

Ter zitting heeft de man nog een bewijsstuk over de waarde van de beleggingsportefeuille per 2 november 2018 overgelegd. Ook heeft de man aan het slot van de zitting nog een schriftelijk stuk getiteld “voor de rechtbank” voorgedragen en overgelegd.

Na de zitting heeft de rechtbank nog ontvangen de brief van de advocaat van de man van 12 november 2018 met vier extra bewijsstukken van de zijde van de man. De rechtbank zal echter alleen nog rekening houden met het aldus namens de man nagezonden bewijsstuk over het door Swiss Quote aan de man uitgekeerde exacte bedrag. Voor het nazenden van de overige drie bewijsststukken heeft de rechtbank ter laatste zitting van 2 november 2018 immers geen gelegenheid meer gegeven aan de man en zijn advocaat.

Door interne organisatorische omstandigheden kan de meervoudige kamer van de rechtbank na de zitting van 2 november 2018 pas vandaag op 15 maart 2019 een eindbeschikking wijzen. De rechtbank spreekt daarvoor bij deze haar excuses uit.

Verdere beoordeling rechtbank

De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in haar eerdere beschikking van 31 juli 2018 heeft overwogen en beslist, tenzij daarvan in het hierna volgende wordt afgeweken. Besloten moet nu nog worden over de hierna volgende geschilpunten van de vrouw en de man.

Voorlopige partneralimentatie

Ter tweede zitting van 2 november 2018 bleek dat de door de rechtbank op 31 juli 2018 uitgesproken echtscheiding toen nog niet was ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de gemeente Rotterdam. Discussie ontstond toen ook over de door de man tot 2 november 2018 wel of niet geheel of slechts gedeeltelijk aan de vrouw doorbetaalde voorlopige partneralimentatie van € 1.164,10 netto per maand, zoals nader overwogen door de rechtbank bovenaan bladzijde 4 van de beschikking van 31 juli 2018.

Alles afwegende zal de rechtbank hierna bij de beslissingen echter geen door de man aan de vrouw tot de datum van de inschrijving van de echtscheiding nog te betalen voorlopige partneralimentatie vaststellen. Dit reeds omdat daartoe strikt genomen geen formeel verzoek is gedaan door de advocaat van de vrouw, en meer inhoudelijk ook omdat in deze procedure te onduidelijk is gebleven welke concrete bedragen voor levensonderhoud de man vanaf 18 april 2017 tot de nu onbekende datum van inschrijving van de echtscheiding wel en niet aan of voor de vrouw heeft betaald. Tenslotte weegt de rechtbank hierbij ook mee dat de man – zoals hierna bij de overwegingen en beslissingen van de rechtbank over de verdeling nog zal blijken – aan de vrouw nog de helft van de door hem ontvangen netto huuropbrengsten en van het door hem behaalde rendement op de Alex beleggingsportefeuille in de periode van 18 april 2017 tot 1 september 2018 zal moeten betalen en aldus in die periode alsnog mede in het levensonderhoud van de vrouw zal moeten voorzien.

Voortgezet gebruik (voormalige) echtelijke woning te [woonplaats]

Zoals namens de man is verzocht en zoals door of namens de vrouw daarna niet meer of onvoldoende gemotiveerd is bestreden, zal de rechtbank nu aan de man het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning met berging te [woonplaats] toekennen gedurende zes maanden na de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. Dit ook om de man na de inschrijving van de echtscheiding zo nodig nog gedurende zes maanden het nodige onderdak te bieden, zoals is overwogen in de eerdere beschikking van 31 juli 2018.

Verdeling bij helfte van de per 18 april 2017 ontbonden huwelijksgemeenschap

De rechtbank heeft in de overwegingen van de beschikking van 31 juli 2018 al een aantal eindbeslissingen genomen over de wijze van verdeling en over de bestanddelen van de per de peildatum 18 juli 2017 ontbonden huwelijksgemeenschap van de vrouw en de man. De rechtbank blijft nu bij deze eindbeslissingen.

Slotbetoog man

Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank alles afwegende mede gelet op het bezwaar van en namens de vrouw ter zitting daartegen nu geen rekening meer zal houden met de eventuele nieuwe feitelijke stellingen over de wijze van verdeling die staan vermeld in het door de man pas aan het slot van de tweede zitting van 2 november 2018 voorgedragen en overgelegde schriftelijke stuk getiteld “aan de rechtbank”. Dat zou immers in dit late stadium van deze procedure in eerste aanleg evident in strijd zijn met de goede procesorde.

Verdeling bij helfte van alle gemeenschappelijke activa en passiva per 18 april 2017

Onder verwijzing naar al hetgeen daarover in de eerdere beschikking van 31 juli 2018 en in de processtukken tot dusver is overwogen en opgemerkt, beslist de rechtbank nu als volgt.

Roerende inboedelzaken per 18 april 2017

De vrouw en de man konden het ook ter tweede zitting van 2 november 2018 niet eens worden over de wijze van verdeling van de op de peildatum 18 april 2017 tot de ontbonden gemeenschap behorende roerende zaken. Daarom zal de rechtbank over dit geschilpunt nu slechts in algemene zin beslissen dat de vrouw en de man onder leiding van hun beide advocaten moeten overgaan tot de verdeling bij helfte van alle op 18 april 2017 nog aanwezige gemeenschappelijke roerende inboedelzaken, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft, daarna de man de tweede en de derde keuze, daarna de vrouw de vierde en de vijfde keuze, de man de zesde en de zevende keuze enzovoorts.

De drie registergoederen te [woonplaats] met hypotheek, taxatiekosten en notariskosten

Ter tweede zitting van 2 november 2018 is de advocaat van de vrouw akkoord gegaan met de door de man verzochte toedeling van de drie registergoederen te [woonplaats] aan de man voor de per 1 september 2018 opnieuw getaxeerde waarden van € 275.000,- ( [adres 1] ), € 15.000,- (berging [adres 2] ) en € 170.000,- ( [adres 3] in niet verhuurde staat). Dit naar de rechtbank begrijpt onder de verplichtingen van de man om de vrouw zo mogelijk te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de twee huidige gemeenschappelijke hypothecaire geldleningen van Reaal Stater van in hoofdsom in totaal afgerond € 43.109,-, met kort gezegd algehele vrijwaring van de vrouw en voorts betaling door de man aan de vrouw van de vordering wegens overbedeling binnen twee maanden na de datum van de eindbeschikking van de rechtbank. Voor de advocaat van de vrouw bleek ter zitting van 2 november 2018 een veroordeling door de rechtbank van de man om binnen twee maanden de vordering wegens overbedeling aan de vrouw te betalen voldoende zekerheid voor de vrouw te zijn. Die veroordeling door de rechtbank levert immers een executoriale titel op voor de vrouw, aldus de advocaat van de vrouw ter tweede zitting. De vrouw verzoekt dus uitdrukkelijk géén toedeling van het verhuurde registergoed aan haar of verkoop en levering van de drie registergoederen aan een derde, zoals de rechtbank nog voorlopig overwoog in haar eerdere beschikking van 31 juli 2018.

De advocaat van de man heeft ter tweede zitting van 2 november 2018 toedeling van het verhuurde registergoed te [woonplaats] aan de man bepleit voor de per 1 september 2018 opnieuw getaxeerde waarde in verhuurde staat van € 108.000,-. Voor het overige is de advocaat van de man ter tweede zitting akkoord gegaan met het hiervoor vermelde verdelingsvoorstel van de advocaat van de vrouw voor de drie registergoederen met hypotheek.

De rechtbank zal alles afwegende de drie registergoederen te [woonplaats] nu toedelen aan de man, onder de verplichtingen van de man om de vrouw zo mogelijk te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de twee huidige gezamenlijke hypothecaire geldleningen van Reaal Stater van in hoofdsom in totaal afgerond € 43.109,- en om in de onderlinge verhouding met de vrouw alle verplichte betalingen aan Reaal Stater geheel voor zijn eigen rekening te nemen en de vrouw daarvoor te vrijwaren. De rechtbank constateert dat de man en de vrouw het eens zijn over de bij helfte te delen verdelingswaarden per 1 september 2018 van € 275.000,- en € 15.000,- voor de twee registergoederen aan de [adres 1] en de [adres 2] te [woonplaats] . Over de verdelingswaarde per 1 september 2018 van het door de man verhuurde registergoed aan de [adres 3] te [woonplaats] beslist de rechtbank alles afwegende dat dit de marktwaarde in onverhuurde staat van € 170.000,- moet zijn. De vrouw heeft destijds immers aan de man vooraf geen toestemming gegeven om het gemeenschappelijk vermogen te beleggen in een door de man eerst op te knappen en daarna aan een derde te verhuren registergoed. Deze eigenrichting van de man moet in de onderlinge verhouding met de vrouw naar het oordeel van de rechtbank nu voor eigen risico en rekening van de man blijven.

Beide advocaten waren het er ter tweede zitting ook over eens dat de vrouw de helft van alle door de man betaalde taxatiekosten van in totaal € 1.600,- nog aan de man zal moeten vergoeden. De rechtbank zal hierna aldus beslissen. Over het geschilpunt van de betaling van de notariskosten voor de levering van de drie registergoederen aan de man beslist de rechtbank zoals te doen gebruikelijk dat de man die “kosten koper” moet betalen omdat de drie gemeenschappelijke registergoederen aan de man worden toegedeeld en geleverd.

De rechtbank zal het door de man wegens overbedeling bij de drie registergoederen met hypotheek en taxatiekosten aan de vrouw te betalen bedrag gelet op al het voorgaande nu dus vaststellen op in totaal en per saldo (275.000 + 15.000 + 170.000 – 43.109 – 1.600 = 415.291 x 50% =) € 207.645,50. De advocaat van de man is akkoord gegaan of heeft althans geen verweer gevoerd tegen de door de advocaat van de vrouw in haar brief van 18 oktober 2018 verzochte uiterste betalingstermijn van twee maanden na de datum van deze eindbeschikking. De rechtbank zal daarom aldus beslissen.

De netto huuropbrengsten

De man heeft sinds de peildatum 18 april 2017 netto huuropbrengsten voor het verhuurde registergoed aan de [adres 3] te [woonplaats] ontvangen, die hij vanzelfsprekend nog met de vrouw bij helfte moet delen. Gelet op het partijdebat en bij gebreke van alle relevante bewijsstukken zal de rechtbank die te delen maandelijkse huuropbrengsten na aftrek van de in redelijkheid gemaakte verhuurkosten nu in redelijkheid schatten op € 500,- netto per maand. Gelet op de voorgaande taxatiedatum van 1 september 2018 is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk en billijk dat de man voor de periode van 18 april 2017 tot 1 september 2018 aan de vrouw voor de netto huuropbrengsten alsnog (16 x 500 = 8000 x 50% =) € 4.000,- aan de vrouw zal vergoeden en dat de man de netto huuropbrengsten per 1 september 2018 geheel zelf mag behouden. Dit alles omdat de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst per 1 september 2018 aan de man zullen worden toegedeeld.

De Alex beleggingsportefeuille

Ter tweede zitting van 2 november 2018 is nader gedebatteerd over de toedeling en de verdelingswaarde van de volgens de producties van de man blijkbaar sterk in waarde fluctuerende Alex beleggingsportefeuille. Alles afwegende zal de rechtbank deze tot dusver door de man beheerde beleggingsportefeuille met de bijbehorende Alex beleggingsrekening nu toch toedelen aan de man voor de waarde daarvan per 1 september 2018. Zoals blijkt uit bijlagen 4 en 6 bij de brief van de advocaat van de man van 1 oktober 2018 is dat afgerond in totaal € 216.689,- De rechtbank oordeelt het evenals bij de drie registergoederen ook voor de Alex beleggingsportefeuille in dit geval redelijk en billijk dat aan de man in de onderlinge verhouding met de vrouw het kennelijk sterk schommelende rendement en/of eventuele verlies op die door hem beheerde beleggingsportefeuille vanaf 1 september 2018 toekomt. Dit betekent dat de man wegens overbedeling voor de Alex beleggingsportefeuille met de bijbehorende Alex beleggingsrekening afgerond (216.689 x 50% =) € 108.344,50 aan de vrouw zal moeten betalen.

Ter tweede zitting van 2 november 2018 is nog gedebatteerd over de geldopnames door de man van de Alex beleggingsportefeuille in de periode van 11 april 2017 t/m 6 augustus 2018, zoals die blijken uit bijlage 5 bij de brief van de advocaat van de man van 1 oktober 2018. Enerzijds gaat het om overboekingen naar de en/of Alex tegenrekening met de eindcijfers 852 en anderzijds gaat het om overboekingen naar de ING rekening van de man met de eindcijfers 519, waaronder € 9.000,- op 11 april 2017 en dus een week voor de peildatum 18 april 2017. Naar het oordeel van de rechtbank is over dit op het laatste moment gerezen geschilpunt onvoldoende inhoudelijk gedebatteerd om daarover nu een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen. Dit geschilpunt zullen de vrouw en de man na deze eindbeschikking van de rechtbank dus zelf moeten uitonderhandelen of moeten uitprocederen in hoger beroep van deze procedure in eerste aanleg of in een nieuwe procedure bij de civiele (kanton)rechter.

De aan de vrouw toe te delen activa

Zoals al volgt uit de eerdere beschikking van 31 juli 2018 zal de rechtbank aan de vrouw toedelen de drie ASN Beleggingsrekeningen op naam van de vrouw, de lijfrente op naam van de vrouw bij Reaal en de lijfrente op naam van de vrouw bij Centraal Beheer, alles onder verrekening bij helfte van de waarden daarvan per de peildatum 18 april 2017. Uit de inhoud van de producties 8 t/m 10 bij de brief van de advocaat van de vrouw van 12 september 2018 volgt dat de vrouw hiervoor wegens overbedeling in totaal en afgerond
€ 10.877,50 aan de man zal moeten betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.

De overige aan de man toe te delen activa

Uit de eerdere beschikking van 31 juli 2018 volgt dat en waarom de rechtbank de auto Toyota en de ANWB Visacard zal toedelen aan de man en dat de man daarvoor wegens overbedeling (7534 + 2000 x 50% =) € 4.767,- aan de vrouw zal moeten betalen.

De rechtbank zal de beleggingsproducten en de lijfrente op naam van de man bij ASN, bij “Zeewind” en bij Reaal toedelen aan de man voor de waarden per de peildatum 18 april 2017. Uit de inhoud van de bijlagen 7, 8 en 15 bij de brief van de advocaat van de man van 1 oktober 2018 blijkt dat de man daarvoor wegens overbedeling in totaal en afgerond nog

€ 13.290,- aan de vrouw zal moeten betalen. De rechtbank zal gelet op het nadere debat daarover ook de aandelen in de Franse naturistencamping [naam] aan de man toedelen voor de door de man geschatte waarde van € 1.100,-, zodat de man daarvoor wegens overbedeling nog € 550,- aan de vrouw zal moeten betalen.

De rechtbank zal ook alle bankrekeningen op naam van de man bij ING met de eindcijfers 913 en 519 en de bankrekening bij Credit Agricole Languedoc aan de man toedelen. Uit de inhoud van de bijlagen 9, 10 en 11 bij de brief van de advocaat van de man van 1 oktober 2018 blijkt dat de man daarvoor wegens overbedeling in totaal en afgerond nog € 4.785,50 aan de vrouw zal moeten betalen.

Uit de inhoud van bijlage 4 bij de brief van de advocaat van de man van 12 november 2018 blijkt dat de man op 16 april 2018 voor de opheffing van zijn Zwitserse bankrekening bij Swiss Quote afgerond € 44.860,- op zijn Nederlandse bankrekening heeft ontvangen. De rechtbank zal de op de peildatum 18 april 2017 nog bestaande Zwitserse bankrekening dus toedelen aan de man en beslissen dat hij daarvoor wegens overbedeling € 22.430,- aan de vrouw zal moeten betalen.

De door de man en de vrouw gestelde te verrekenen passiva

De advocaat van de man stelt in de bijlagen 13 t/m 17 van zijn brief van 22 oktober 2018 op het laatste moment nog een aantal door de man met de vrouw te verrekenen passiva aan de orde. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting van 2 november 2018 geen verweer gevoerd tegen de aldus door de man gewenste verrekening bij helfte met de vrouw van zijn na de peildatum 18 april 2017 ontvangen twee belastingaanslagen 2016 van in totaal 17.813,- (bijlage 16 bij de hiervoor genoemde brief). Omdat het belastingjaar 2016 voorts evident nog onder de per 18 april 2017 ontbonden huwelijksgemeenschap valt, moet de vrouw hiervoor dus (17813 x 50% =) € 8.906,50 aan de man betalen.

Tegen de overige aldus door de advocaat van de man op het laatste moment aan de orde gestelde passiva (belastingaanslagen 2017, advieskosten en boete inkeerregeling Swiss Quote en overige financiële advieskosten) heeft de advocaat van de vrouw ter zitting van 2 november 2018 gemotiveerd verweer gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is over dit op het laatste moment gerezen geschilpunt aldus onvoldoende inhoudelijk gedebatteerd om daarover nu een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen. Dit geschilpunt zullen de vrouw en de man na deze eindbeschikking van de rechtbank dus ook zelf moeten uitonderhandelen of moeten uitprocederen in hoger beroep van deze procedure in eerste aanleg of in een nieuwe procedure bij de civiele (kanton)rechter.

De vrouw heeft nog een kort voor de peildatum 18 april 2017 door haar met haar zus [X1] afgesloten geldlening voor de betaling van haar advocaatkosten aan de orde gesteld. De man heeft daar ter zitting van 2 november 2018 gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Zoals ter zitting al besproken, zullen de man en de vrouw zoals te doen gebruikelijk ieder hun eigen advocaatkosten van deze echtscheidingsprocedure moeten dragen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verrekening met de man van de hoofdsom op de peildatum van haar geldlening voor haar advocaatkosten afwijzen.

Overige nevenverzoeken verdeling

De advocaat van de vrouw heeft bij de verdeling nog aan de orde gesteld een naar de rechtbank begrijpt toekomstige geldvordering van onbepaalde waarde van de man op zijn moeder wegens de onverdeelde erfenis van de overleden vader van de man. De advocaat van de man heeft daar ter zitting van 2 november 2018 onder meer op gereageerd met de stellingen dat die in de ontbonden gemeenschap vallende toekomstige geldvordering nu nog niet opeisbaar is en dat onduidelijk is wat die in de toekomst bij helfte met de vrouw te delen geldvordering nog waard zal blijken te zijn. Daarom zal de rechtbank daarover zoals ter zitting ook is besproken nu slechts in algemene zin beslissen op de wijze zoals hierna bij de beslissingen volgt.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting van 2 november 2018 haar nog openstaande nevenverzoeken ingetrokken die strekten tot een rentevergoeding van 3% over de vordering wegens overbedeling met ingang van 19 april 2017 en tot een beslissing door de rechtbank zoals bedoeld in wetsartikel 3:300 BW. De rechtbank beschouwt na al het voorgaande en na alle alsnog door de man geproduceerde bewijsstukken ook het verzoek van de advocaat van de vrouw tot (samengevat) productie van alle mogelijke relevante bewijsstukken door de man over het gemeenschappelijk vermogen en over de partneralimentatie op straffe van een dwangsom als ingetrokken en/of als niet meer relevant.

Slotsom vordering overbedeling

Uit de optelsom van alle hiervoor door de rechtbank vetgedrukte bedragen blijkt dat de man wegens overbedeling per saldo nog (207.645,50 + 4.000 + 108.344,50 – 10.877,50 + 4.767 + 13.290 + 550 + 4.785,50 + 22.430 – 8.906,50 =) € 346.028,50 aan de vrouw zal moeten betalen. De rechtbank zal, zoals ter zitting van 2 november 2018 al is besproken en zoals ook volgt uit de desbetreffende overwegingen op de bladzijden 4 en 5 van deze eindbeschikking, de man wegens overbedeling nu veroordelen om binnen twee maanden na de datum van deze eindbeschikking per saldo € 346.028,50 aan de vrouw te betalen, zulks ook bij wijze van executoriale titel voor de vrouw. De rechtbank zal deze gehele eindbeschikking ook zoals verzocht zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Beslissingen

De rechtbank:

* bepaalt dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning met berging te [woonplaats] tot zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers van de gemeente [plaatsnaam] , zulks onder de voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding van deze rechtbank van 31 juli 2018 in de daartoe bestemde registers;

* stelt de verdeling van de per 18 april 2017 ontbonden huwelijksgemeenschap van de vrouw en de man als volgt vast, alles onder de voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding van deze rechtbank van 31 juli 2018 in de daartoe bestemde registers:

  1. deelt toe aan de vrouw per 18 april 2017 de drie ASN Beleggingsrekeningen op naam van de vrouw, de lijfrente op naam van de vrouw bij Reaal en de lijfrente op naam van de vrouw bij Centraal Beheer;

  2. deelt toe aan de man per 18 april 2017 de auto Toyota, de ANWB Visacard met bankrekening, de drie ASN Beleggingsrekeningen op naam van de man, de lijfrente op naam van de man bij Reaal, het beleggingsproduct Zeewind, de aandelen in de Franse naturistencamping [naam] de betaal- en spaarrekeningen op naam van de man bij ING met de eindcijfers 913 en 519, de Franse bankrekening bij Credit Agricole Languedoc en de Zwitserse bankrekening bij Swiss Quote;

  3. deelt toe aan de man per 1 september 2018 de gemeenschappelijke Alex beleggingsportefeuille met de bijbehorende Alex bankrekening;

  4. deelt toe aan de man per 1 september 2018 de drie gemeenschappelijke registergoederen aan de adressen [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] met de bijbehorende twee hypothecaire geldleningen van Reaal Stater en met de bijbehorende huurovereenkomst voor de [adres 3] te [woonplaats] , zulks onder de verplichtingen van de man om de vrouw zo mogelijk te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de twee huidige gezamenlijke hypothecaire geldleningen van Reaal Stater van in hoofdsom in totaal afgerond € 43.109,- en om in de onderlinge verhouding met de vrouw alle verplichte betalingen aan Reaal Stater geheel voor zijn eigen rekening te nemen en de vrouw daarvoor te vrijwaren, en voorts onder de verplichting van de man om in de onderlinge verhouding met de vrouw de notariskosten voor de toedeling en levering van de drie registergoederen aan de man geheel voor zijn eigen rekening te nemen;

  5. beslist dat de vrouw de helft van het door de man betaalde totaalbedrag van de twee belastingaanslagen 2016 op naam van de man aan de man moet vergoeden;

  6. veroordeelt de man om wegens overbedeling bij de hiervoor door de rechtbank bij de nummers 1 t/m 5 vastgestelde verdeling per saldo € 346.028,50 aan de vrouw te betalen binnen twee maanden na de datum van deze beschikking van de rechtbank;

  7. beslist dat de vrouw en de man onder leiding van hun beide advocaten voorts alsnog moeten overgaan tot de verdeling bij helfte van alle op 18 april 2017 nog aanwezige gemeenschappelijke roerende inboedelzaken, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft, daarna de man de tweede en de derde keuze, daarna de vrouw de vierde en de vijfde keuze, daarna de man de zesde en de zevende keuze, enzovoorts;

  8. beslist dat de nu nog niet opeisbare geldvordering van onbepaalde waarde van de man op zijn moeder wegens de onverdeelde erfenis van de overleden vader van de man in de per 18 april 2017 ontbonden huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw valt en dat de man daarom in de toekomst na het overlijden van zijn moeder het uitgekeerde bedrag van die geldvordering bij helfte met de vrouw moet delen;

* verklaart deze beschikking tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

* wijst af al hetgeen over de verdeling meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door de rechters mrs. H. Wien, M.P. Verloop en J.T.W. van Ravenstein, bijgestaan door de griffiers mrs. M. Verkerk en F.W. Zalm, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 maart 2019.