Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2665

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6018
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking en terugvordering onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/6018

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mos).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2017 (primair besluit 1) heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 25 september 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 23 januari 2018 (primair besluit 2) heeft verweerder (onder meer) eisers uitkering op grond van de Pw met ingang van 1 mei 2014 herzien en ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2014 tot en met 30 september 2017 teveel betaalde bijstand ter hoogte van € 36.770,35 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 11 juli 2018 (primair besluit 3) heeft verweerder beide primaire besluiten gewijzigd in die zin dat met ingang van 16 september 2015 de bijstandsuitkering is herzien en ingetrokken en vanaf die datum wordt teruggevorderd, zijnde een bedrag van

€ 26.132,51.

Bij besluit van 23 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen primair besluit 3 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Eiser heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Aan eiser is met ingang van 1 mei 2014 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Eiser was voorheen gehuwd met [A]. Dit huwelijk is op [DATUM] 2007 ontbonden. Ten tijde hier van belang woonde zijn ex-partner met een aantal kinderen aan de [ADRES 1] te [plaats].

1.2

Op 11 juli 2017 heeft door een inspecteur van de Haagse Pandbrigade, die deel uitmaakt van het Haags Economisch Interventie Team (HEIT), een huisbezoek plaatsgevonden naar aanleiding van een vermoeden van prostitutieactiviteiten vanuit de woning van eiser aan de [ADRES 2] te [plaats]. Tijdens die controle is in de woning [B], zijnde een dochter van eiser, aangetroffen. Vervolgens heeft op

25 september 2017 naar aanleiding van dit huisbezoek een confrontatiegesprek met eiser plaatsgevonden en heeft aansluitend wederom een huisbezoek plaatsgevonden, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat eiser niet op het adres [ADRES 2] woont. Blijkens de rapportage confrontatie van 25 september 2017 heeft eiser tijdens dat gesprek verklaard dat hij af en toe bij zijn ex-partner verblijft, de verzekering, het ANWB-lidmaatschap en de benzine van het voertuig met kenteken [KENTEKEN], zijnde een personenauto van het merk BMW (de BMW), betaalt, dat hij niet meer aan de [ADRES 1] woont en dat hij in een jaar tijd voor € 1.200,- aan vogelvoer voor zijn ex-partner heeft gekocht en voor € 3.718,42 aan luxe goederen via webwinkels zonder dat eiser daarvoor een verklaring heeft gegeven. Tevens heeft eiser verklaard dat hij meerdere keren naar het buitenland is vertrokken zonder dat aan de dienst Sociale Zaken en werkgelegenheidsprojecten (dSZW) door te geven. Verder is uit dit onderzoek gebleken dat eiser niet op het door hem opgegeven adres woont. Vervolgens heeft verweerder eiser verzocht om nadere informatie over de BMW. Op

7 oktober 2017 heeft eiser een verklaring gegeven over de aanschaf van dit voertuig. De resultaten zijn weergegeven in het rapport van de dSZW van 27 november 2017.

1.3

Bij primair besluit 1 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Pw met ingang van 25 september 2017 ingetrokken. Aan dit besluit had verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet woont op het door hem opgegeven adres.

1.4

Uit nader onderzoek waarbij een aankoopnota van de BMW aan het licht is gekomen en de verklaringen die eiser hieromtrent heeft afgelegd is verweerder tot de conclusie gekomen dat de aan eiser verleende bijstandsuitkering moet worden herzien. Dit blijkt onder meer uit het rapport van de dSZW van 2 januari 2018.

1.5

Bij primair besluit 2 had verweerder (onder meer) eisers uitkering op grond van de Pw met ingang van 1 mei 2014 herzien en ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2014 tot en met 30 september 2017 teveel betaalde bijstand ter hoogte van € 36.770,35 van eiser teruggevorderd. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat eiser meerdere voertuigen op zijn naam heeft gehad met een handelswaarde boven het vrij te laten vermogen.

1.6

In de rapportage beslissing op bezwaar of beroep van 10 juli 2018 is vermeld dat intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 1 mei 2014 onhoudbaar is. Verweerder is blijkens dat rapport van mening dat in verband met vruchtgebruik van de BMW, het onvoldoende inzichtelijk maken van de aanschaf van het voertuig en het bedrag van

€ 10.000,- contant dat daarmee gemoeid was, eisers uitkering vanaf 15 september 2015 moet worden beëindigd.

1.7

Bij primair besluit 3 heeft verweerder de primaire besluiten 1 en 2 gewijzigd in die zin dat met ingang van 16 september 2015 eisers bijstandsuitkering is herzien en ingetrokken en vanaf die datum wordt teruggevorderd. Dit betreft een bedrag van

€ 26.132,51 bruto. Verweerder heeft de tegen de primaire besluiten 1 en 2 ingediende bezwaren van eiser op grond van artikel 6:19 Awb mede gericht geacht tegen primair besluit 3.

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder primair besluit 3 gehandhaafd en eiser een proceskostenvergoeding toegekend. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat uit het confrontatiegesprek van 25 september 2017 is gebleken dat eiser zelf de BMW gebruikt en daarover feitelijk de beschikkingsmacht heeft. Eiser is er volgens verweerder niet in geslaagd om de geldstroom inzichtelijk te maken die heeft geleid tot de aankoop van dit voertuig en de verkoop van een ander voertuig met een totale waarde van

€ 15.000,-. Door van dit vermogen geen melding te maken heeft eiser naar de mening van verweerder de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden en is naar de mening van verweerder terecht met ingang van 16 september 2015, zijnde de datum waarop eiser de BMW heeft aangeschaft, de bijstandsuitkering ingetrokken. Subsidiair heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat uit het door HEIT gehouden onderzoek is komen vast te staan dat vanuit de woning van eiser prostitutiewerkzaamheden werden verricht zonder dat in bezwaar aannemelijk is gemaakt dat eiser hiervan niet heeft kunnen weten. Ook om die reden heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Daarom is bij primair besluit 1 terecht de bijstandsuitkering ingetrokken, aldus verweerder. Meer subsidiair is in het bestreden besluit overwogen dat uit hetgeen eiser op de hoorzitting van 1 juni 2018 heeft verklaard kan worden afgeleid dat hij sinds 1 mei 2018 niet meer aan de [ADRES 2] woont, hetgeen eiser ook niet heeft gemeld bij de dSZW en evenmin blijkt uit de Basisregistratie Personen.

2.2

In het verweerschrift is vermeld dat eiser vanaf 11 september 2018 ingeschreven staat op het adres [ADRES 1] te Den Haag. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat naar aanleiding van de door eiser tijdens het gesprek van 25 september 2017 afgelegde verklaringen een redelijke grond bestond voor het verrichten van een huisbezoek op het adres [ADRES 2] om de feitelijke- woon- en leefsituatie van eiser aan een nadere inspectie te onderwerpen. Eiser merkt volgens verweerder terecht op dat in het bestreden besluit de bevindingen over de woonsituatie van eiser niet langer ten grondslag lijken te zijn gelegd aan de beëindiging van de uitkering. Zoals in het bestreden besluit is overwogen heeft eiser niet door middel van objectieve, verifieerbare bewijzen inzichtelijk gemaakt hoe hij de BMW destijds heeft kunnen financieren. Daarom is volgens verweerder terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand vanaf de datum van aanschaf van deze auto, zijnde 16 september 2015, niet is vast te stellen. Daarnaast heeft dochter

[B] bij de woningcontrole op 11 juli 2017 verklaard dat zij sinds 2 maanden weer begonnen is met prostitutiewerkzaamheden, die zij al dan niet in of vanuit die woning uitvoert, aldus verweerder.

2.3

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de meer subsidiaire grondslag van het bestreden besluit komt te vervallen.

3. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit een nieuwe grondslag voor de beëindiging van de uitkering wordt genoemd, te weten dat vanuit zijn woning prostitutiewerkzaamheden werden verricht. Hiervan had eiser echter geen weet dan wel kon hij geen weet hebben gehad en hierover heeft verweerder hem nimmer om informatie gevraagd. Voorts hadden de resultaten van het HEIT-onderzoek volgens eiser niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mogen worden, omdat die controleurs onder valse voorwendselen eisers woning hebben betreden. Tevens wijst eiser er op dat hij de huur van de woning [ADRES 2] per 1 mei 2018 heeft opgezegd, omdat hij de huur niet meer kon betalen. Daarnaast voert eiser aan dat hij in bezwaar niet heeft ontkent dat hij de BMW gebruikt, maar dat dit is ten behoeve van zijn zieke kinderen. Verder stelt hij dat de BMW reeds eerder onderwerp van onderzoek door verweerder is geweest, hetgeen geen gevolgen heeft gehad voor zijn uitkering. Daarom ontbreekt naar de mening van eiser thans de bevoegdheid om vanwege diezelfde auto de uitkering te herzien en terug te vorderen. Bovendien is in het bestreden besluit volgens eiser in het geheel niet op deze bezwaargrond ingegaan. Subsidiair voert eiser aan dat niet eerder dan 17 maart 2016 sprake geweest kan zijn van schending van de inlichtingenplicht. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij veel voor zijn kinderen moet zorgen en hen moet begeleiden heeft eiser bij brief van

24 januari 2019 medische informatie over zijn zoon [C], zijn dochter [D] zijn ex-vrouw [A] in het geding gebracht.

4. Artikel 17, eerste lid, Pw bepaalt – voor zover hier van belang – dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, Pw - voor zover van belang - herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, Pw.

5. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:322), dat een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit is. Dit brengt met zich mee dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan. Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen.

6.1

De rechtbank stelt vast dat blijkens het bestreden besluit de primaire grondslag voor de herziening en intrekking van de bijstandsuitkering van eiser is dat hij vanaf

16 september 2015 de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij niet door middel van objectieve, verifieerbare bewijzen inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de BMW destijds heeft kunnen financieren. Subsidiair heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser verzuimd heeft de dSZW te melden dat zijn dochter [B] vanuit zijn woning prostitutiewerkzaamheden verrichtte.

6.2

Gelet hierop acht de rechtbank van belang hetgeen over de BMW is vermeld in de rapportage van de dSZW van 27 november 2017. Blijkens dit rapport is de BMW op

16 september 2015 voor € 10.000,- aangeschaft, op naam van eiser gezet en na twee dagen op naam van [A]. Daarnaast is in dit rapport aangegeven dat eiser het vruchtgebruik van de BMW heeft, aangezien hij heeft verklaard dat hij dagelijks gebruik maakt van het voertuig en tevens de verzekering en het ANWB-lidmaatschap betaalt.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank moet het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand. Eiser heeft deze activiteiten niet gemeld aan verweerder en daarmee de inlichtingenverplichting als bepaald in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden.

6.4

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB vormt schending van de inlichtingen-verplichting een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende perioden recht op (aanvullende) bijstand bestond.

6.5

De stelling van eiser dat verweerder niet bevoegd was om vanwege de BMW zijn uitkering te herzien, omdat de BMW reeds eerder onderwerp van onderzoek door verweerder is geweest slaagt niet. Uit de in het rapport van 27 november 2017 vermelde onderzoeksbevindingen is immers gebleken dat eiser destijds onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over de aankoop en het gebruik van de BMW. Zo verklaarde eiser op 9 november 2015 dat een kennis de BMW gekocht zou hebben, terwijl uit de aankoopnota is gebleken dat eiser zelf de BMW heeft gekocht. Het stond verweerder daarom vrij – naar aanleiding van de nieuwe gebleken informatie – hiernaar onderzoek te doen en de uitkomsten daarvan aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. De verklaring van eiser dat hij de BMW niet voor zichzelf gebruikt, maar ten behoeve van het vervoer van zijn zieke kinderen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat eiser sinds de aanschaf van de BMW op 16 september 2015 niet over de BMW beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Hetgeen eiser verder in beroep heeft gesteld geeft naar het oordeel van de rechtbank geen inzicht in de wijze waarop eiser de aankoop van de BMW heeft gefinancierd. De door eiser ter zitting betrokken stelling dat de BMW door Lokai is gefinancierd heeft eiser niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens inzichtelijk gemaakt. Daarom heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand vanaf 16 september 2015 niet kon worden vastgesteld. Verweerder was dan ook, gelet op artikel 54, derde lid, van de Pw, gehouden de bijstand van eiser over de periode vanaf 16 september 2015 in te trekken.

6.6

Gezien de vastgestelde schending van de inlichtingenplicht was verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, Pw, tevens gehouden om de ten onrechte gemaakte kosten voor bijstand van eiser over de periode van 16 september 2015 tot en met

30 september 2017 terug te vorderen, zijnde een bedrag van € 26.132,51. Gesteld noch gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering over deze periode had moeten afzien.

6.7

Aangezien de primaire grondslag van het bestreden besluit stand kan houden, behoeven de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit geen bespreking meer.

7. Het beroep is dan ook ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.