Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5384
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/5384

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.C. Kaiser),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer het verzoek van eiseres om herziening van het boetebesluit van 28 april 2015 afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de boete wordt verlaagd tot € 5.728,56.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, vergezeld van een tolk Engels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 9 januari 2012 hebben eiseres en [A] een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend, die door hen beide is ondertekend. Aan eiseres en [A] is vanaf 21 december 2012 een bijstandsuitkering verstrekt naar de norm van gehuwden. Bij besluit van 5 november 2014 heeft verweerder de aan eiseres en haar (inmiddels) ex-partner verleende bijstandsuitkering over de periode van 21 december 2012 tot en met 30 oktober 2014 ingetrokken en de over die periode verleende uitkering ter hoogte van € 29.242,90 teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht. Gebleken is dat eiseres in die periode inkomsten heeft ontvangen waarvan zij geen melding heeft gemaakt. Het tegen het besluit van 5 november 2014 gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 28 april 2015 ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar is geen beroep ingesteld.

1.2

In verband met de schending van de inlichtingenplicht heeft verweerder eiseres bij besluit van eveneens 28 april 2015 een boete opgelegd van € 14.455,42. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

1.3

Eiseres heeft bij brief van 11 augustus 2017 verweerder verzocht om de besluiten van 5 november 2014 en 28 april 2015 over haar recht op uitkering te herzien.

Verweerder heeft dit verzoek op 1 september 2017 afgewezen.

1.4

Bij besluit van 28 april 2015 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van

€ 14.455,42. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt. Op 2 november 2017 heeft eiseres, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over boeteoplegging en in achtneming van de draagkracht, om herziening van dit besluit verzocht.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder onder meer het verzoek van eiseres om herziening van het besluit van 28 april 2015 afgewezen, omdat het verzoek niet binnen een redelijke termijn is ingediend en in de motivering en meegeleverde stukken geen grond is gevonden om het inmiddels onherroepelijke besluit te herzien.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de bij het primaire besluit opgelegde boete verlaagd tot € 5.728,56. In het bestreden besluit is overwogen dat in het primaire besluit ten onrechte is overwogen dat het herzieningsverzoek onredelijk laat is ingediend, omdat het aannemelijk is dat eiseres niet eerder dan bij brief van 21 december 2016 kennis heeft genomen van het boetebesluit van 28 april 2015. Daarom is beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die ertoe strekken dat teruggekomen moet worden op het eerder genomen boetebesluit. Daarnaast is overwogen dat de stellingen van eiseres dat zij nimmer een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en van het ontvangen van die uitkering niet op de hoogte was niet waarschijnlijk zijn. Voorts acht verweerder de verklaring van eiseres dat zij in de veronderstelling was dat [A] geen inkomsten had niet aannemelijk. Daarnaast is overwogen dat aan de door eiseres overgelegde aangifte van valsheid in geschrifte door [A] niet de door eiseres gewenste waarde kan worden toegeschreven, nu deze aangifte geen betrekking heeft op de aangevraagde bijstand.

Verder heeft verweerder overwogen dat eiseres van de schending van de inlichtingenplicht een verwijt kan worden gemaakt en dat in dit geval sprake is van normale verwijtbaarheid. Aangezien de jurisprudentie van de CRvB in januari 2016 is gewijzigd, is verweerder van mening dat ook in de situatie van eiseres de boete moet worden afgestemd op de draagkracht zodat deze binnen een redelijke termijn kan worden afgelost. Omdat sprake is van normale verwijtbaarheid moet het voor eiseres theoretisch mogelijk zijn om de boete binnen één jaar af te lossen. Omdat eiseres sinds 1 april 2015 een wisselend inkomen uit arbeid heeft, is verweerder uitgegaan van een gemiddeld inkomen van € 1.370,28 per maand. Gelet op de berekende ruimte in het inkomen van eiseres (€ 477,38), mag de opgelegde boete niet hoger zijn dan 12 keer dat bedrag, zijnde € 5.728,56, aldus verweerder.

Tevens heeft verweerder bij het bestreden besluit een proceskostenvergoeding van € 1.002,- toegekend.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat zich onder de gedingstukken bankafschriften van de rekening van [A] bevinden waaruit blijkt dat hij destijds de vaste lasten betaalde. Voorts heeft verweerder bij het verweerschrift onder meer de legitimatiebewijzen van eiseres overgelegd die destijds bij de Dienst SZW door haar zijn ingeleverd.

3. Eiseres voert aan dat haar in het geheel geen boete had mogen worden opgelegd, omdat zij niet bekend was met de genoten uitkering en met het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit. Daarnaast voert eiseres aan dat zij nimmer een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Eiseres betwist dan ook dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarom was er volgens haar geen grond om uitkering van haar terug te vorderen en om haar een boete op te leggen. Eiseres stelt dat zij altijd heeft gewerkt om in haar levensonderhoud en dat van [A] en haar dochter te voorzien. Anders dan verweerder stelt betaalde eiseres de vaste lasten en de kosten van haar dochter. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat zij weet had van de uitkering die haar toenmalige partner [A] op

8 januari 2013 heeft aangevraagd. Zij bestrijdt dat zij zich destijds persoonlijk heeft gelegitimeerd bij de dSZW en dat zij het aanvraagformulier om een bijstandsuitkering heeft ondertekend. Volgens eiseres heeft [A] de aanvraag mede namens haar ondertekend, waartoe hij haar handtekening zou hebben vervalst. Zij wijst er in dit verband op dat aangifte tegen [A] is gedaan wegens valsheid in geschifte, die zal worden aangevuld. Verweerder heeft volgens eiseres niet aangetoond dat een kopie van haar legitimatiebewijs zich in het dossier bevindt. Verder heeft eiseres verzocht een deskundige te benoemen om de echtheid van haar handtekening op het aanvraagformulier te onderzoeken. Daarnaast heeft eiseres verzocht haar beroepschrift tevens aan te merken als zijnde gericht tegen de beslissing op bezwaar van 28 april 2015. Deze beroepsgrond heeft eiseres ter zitting ingetrokken.

4. Gelet op de inhoud van het primaire en het bestreden besluit, stelt de rechtbank vast dat in deze procedure uitsluitend het verzoek om herziening van het boetebesluit van

28 april 2015 aan de orde is.

5. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager gehouden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

6. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de CRvB zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, aldus de CRvB. Is geen sprake van nova, dan toetst de rechter vervolgens aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd, of het besluit op het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit evident onredelijk is.

7.1

Uit het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verweerder van mening is dat er geen nova zijn. Verder is verweerder blijkbaar van mening dat het primaire besluit, gelet op de gewijzigde jurisprudentie van de CRvB, evident onredelijk is en heeft verweerder in die jurisprudentie aanleiding gezien om de hoogte van de boete te herberekenen. Gelet hierop moet in deze procedure in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat er geen sprake is van nova. Eiseres heeft in dit verband in essentie gesteld dat haar ten onrechte een boete is opgelegd, omdat zij er niet van op de hoogte was dat zij een bijstandsuitkering ontving.

7.2

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat eiseres op 30 januari 2013 een Cursuscontract Tussenvoorziening heeft getekend gedurende 10 uur per week in de periode van 4 februari 2013 tot en met 30 april 2013. Dit contract had als doel het verhogen van het taalniveau van eiseres, zodat haar kansen op de arbeidsmarkt toenemen. Dit in verband met de op eiseres rustende verplichtingen in het kader van de Pw. Daarnaast heeft verweerder bij het verweerschrift een kopie van de verblijfstitel/identiteitskaart van eiseres overgelegd, waarmee eiseres zich op 30 januari 2013 persoonlijk bij de dSZW heeft gelegitimeerd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat eiseres bij het gesprek op 30 januari 2013 bij de dSZW persoonlijk aanwezig was.

Verder blijkt uit het rapport Toepassen maatregel van 1 maart 2013 dat zowel eiseres als [A] op 21 februari 2013 zijn verschenen bij het Werkplein [WERKPLEIN], omdat eiseres niet zou zijn komen opdagen op een bijeenkomst in het kader van het Cursuscontract Tussenvoorziening.

Tevens bevindt zich een rapport van het confrontatiegesprek met eiseres op 10 oktober 2013 onder de stukken, waarin is vermeld dat eiseres tijdens dat gesprek onder meer gevraagd is om verklaringen van stortingen op haar bankrekening in verband met het nakomen van haar inlichtingenplicht op grond van de Pw.

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat in het rapportageformulier confrontatie van

10 oktober 2014 is aangegeven dat eiseres ten overstaan van de rapporteurs van de dSZW heeft verklaard dat zij wist dat haar toenmalige echtgenoot een uitkering ontving en dat zij een formulier heeft ondertekend, maar niet wist waarvoor dat was, omdat de tekst daarvan in het Nederlands was.

7.3

Uit deze feiten en omstandigheden moet eiseres naar het oordeel van de rechtbank hebben begrepen dat zij samen met haar toenmalige partner [A] een bijstandsuitkering ontving. De stelling van eiseres dat zij daarvan niet op de hoogte was kan dan ook niet slagen.

7.4

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank onderzoek naar de echtheid van de handtekening van eiseres, zoals door haar verzocht, niet aan de orde. Bovendien heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij het aanvraagformulier van 9 januari 2012 wel heeft ondertekend.

7.5

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het vorenstaande, niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Verweerder is er dan ook op goede gronden vanuit gegaan dat niet gebleken is van nova.

8. Zoals vermeld onder 7.1 heeft verweerder aanleiding gezien om de hoogte van de boete te herberekenen. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres omtrent de herberekening van de boete slechts heeft gesteld dat het alsnog om een enorm bedrag gaat en de boete daarom op nihil had moeten worden gesteld. Aangezien eiseres deze stelling niet nader heeft onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken van evidente onredelijkheid bij de besluitvorming.

9. Het beroep is dan ook ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.