Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2663

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
6240022 RL EXPL 17-20472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staatsloterij. Misleidende mededelingen van 2000 tot 2007. De vordering op grond van dwaling wordt afgewezen omdat de deelneemster niet voldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat zij in de bewuste periode bij de aankoop van staatsloten is beïnvloed door de misleidende mededelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

KANTONRECHTER DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

Rolnr.: 6240022 RL EXPL 17-20472

Datum vonnis: 19 maart 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[deelnemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. T.P. Schut te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STAATSLOTERIJ B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: [gemachtigde] .

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als [deelnemer] en de Staatsloterij.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 7 augustus 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie.

1.2.

Op 3 november 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen: [deelnemer] met haar gemachtigde, namens de Staatsloterij de heer [betrokkene 1] , [functie] en de heer [betrokkene 2] , [functie] , vergezeld van de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

1.3.

De uitspraak van het vonnis is aangehouden in afwachting van coördinatie met (mogelijke) andere zaken tegen de Staatsloterij. Ten slotte is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Staatsloterij is de rechtsopvolger van Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij (hierna: SENS). De Staatsloterij exploiteert de Nederlandse staatsloterij.

2.2.

[deelnemer] neemt vanaf juni 1994 via een abonnement onafgebroken deel aan de maandelijkse door Staatsloterij georganiseerde loterij. Vanaf 1995 speelt zij daarnaast, tegen betaling van een meerprijs, mee voor de zogenaamde jackpot. Sinds 1995 speelt zij onafgebroken mee in de door de Staatsloterij georganiseerde speciale trekking met oudjaar (Oudejaarsloterij) en sinds 2006 onafgebroken met de Koninginnedagtrekking.

2.3.

Bij arrest van 28 mei 2013 (ECLI:NL:GHDHA:CA0587) heeft het gerechtshof Den Haag in een door Stichting Loterijverlies jegens de Staatsloterij in 2008 aanhangig gemaakte collectieve actie (hierna: de collectieve actie) in hoger beroep voor recht verklaard dat SENS gedurende de periode 2000 tot en met 2007 misleidende mededelingen heeft gedaan over het wel- of niet-gegarandeerd zijn van de prijzen, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen en dat SENS hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast is voor recht verklaard dat SENS in 2008 misleidende mededelingen heeft gedaan over de hoogte van prijzen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met artikel 6:194 (oud) BW. SENS en Stichting Loterijverlies hebben tegen het arrest cassatieberoep ingesteld.

2.4.

Bij arrest van 30 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:178) heeft de Hoge Raad het door de Staatsloterij ingestelde cassatieberoep verworpen, evenals het door Stichting Loterijverlies ingestelde incidentele cassatieberoep.

2.5.

De beslissing van het gerechtshof heeft alleen betrekking op de in 2000 tot en met 2007 twaalf keer per jaar (maandelijks) gehouden staatsloterij en de Koninginnedagtrekking 2008.

2.6.

Op 3 april 2017 zijn de Staatsloterij en de Stichting Staatsloterijschadeclaim.nl (hierna: SLSC) een vaststellingsovereenkomst aangegaan bestaande uit een collectieve regeling voor alle deelnemers die in de periode 2000 tot en met 2007 en bij de Koninginnedagtrekking 2008 hebben meegespeeld met de Staatsloterij. Samengevat voorziet de regeling in onder meer een bijzondere trekking van de Staatsloterij op 27 mei 2017 waaraan alle deelnemers die in de bovengenoemde periode hebben meegespeeld kunnen deelnemen en een vergoeding van € 40,- per persoon. [deelnemer] heeft niet ingetekend op deze collectieve regeling.

2.7.

Bij brief van 18 april 2017 heeft de gemachtigde van [deelnemer] de Staatsloterij gesommeerd de door [deelnemer] geleden schade te vergoeden. Bij brief van 26 mei 2017 heeft [deelnemer] tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3 Het geschil

3.1.

[deelnemer] vordert in conventie dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staatsloterij veroordeelt tot betaling van:

- € 9.500,- in hoofdsom;

- € 850,- aan buitengerechtelijke kosten; en

- € 2.624,69 aan wettelijke rente,

alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding en met veroordeling van de Staatsloterij in de proceskosten.

3.2.

Ter toelichting van deze vorderingen stelt [deelnemer] , samengevat, het volgende. Zij heeft in de periode 2000 tot en met 2008 tot een totaal aankoopbedrag van € 9.500,- loten in de staatsloterij gekocht en daarmee meegespeeld. Gelet op de uitkomst van de collectieve actie van Stichting Loterijverlies heeft de Staatsloterij ook aan [deelnemer] misleidende mededelingen gedaan en staat vast dat er sprake is geweest van misleiding dan wel dwaling. [deelnemer] heeft de overeenkomst dan wel overeenkomsten die zij met de Staatsloterij heeft gesloten vernietigd. Zij maakt daarom aanspraak op terugbetaling van haar inleggeld. Volgens haar heeft zij per bank (via automatische incasso) in totaal voor € 3.408,83 aan loten gekocht. Daarnaast heeft zij bij verkooppunten nog voor € 6.091,17 aan loten in de losse verkoop gekocht. Verder heeft haar gemachtigde incassowerkzaamheden verricht. De kosten daarvan zijn aan te merken als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96 sub 2 c BW.

3.3.

De Staatsloterij voert in conventie gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [deelnemer] , met veroordeling van [deelnemer] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4.

De Staatsloterij vordert voorwaardelijk, voor het geval de kantonrechter tot het oordeel komt dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd door [deelnemer] , in reconventie dat de kantonrechter voor recht verklaart:

  • -

    primair: dat aan de vernietiging op grond van artikel 3:53 lid 2 BW de werking wordt ontzegd;

  • -

    subsidiair: dat op [deelnemer] een verplichting tot waardevergoeding rust jegens de Staatsloterij die gelijk is aan de nominale waarde van de door [deelnemer] gekochte staatsloten, zodat per saldo op de Staatsloterij geen betalingsverplichting rust als gevolg van de vernietiging;

  • -

    meer subsidiair: dat [deelnemer] gehouden is het door haar gewonnen prijzengeld van in totaal € 1.852,- als onverschuldigd betaald aan de Staatsloterij terug te betalen,

met veroordeling van [deelnemer] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

Ter toelichting van deze vorderingen stelt de Staatsloterij, samengevat, het volgende. Als de overeenkomsten tussen de Staatsloterij en [deelnemer] vernietigd zijn, moeten de reeds ingetreden gevolgen ongedaan worden gemaakt. In dit geval kan de door [deelnemer] genoten prestatie (de daadwerkelijk door haar genoten winkansen) niet ongedaan worden gemaakt. Voor die situatie bepaalt artikel 3:53 lid 2 BW dat de rechter desgevraagd aan de vernietiging geheel of gedeeltelijk haar werking kan ontzeggen. [deelnemer] zou op onbillijke wijze worden bevoordeeld indien zij wel aanspraak zou kunnen maken op teruggave van haar inleg, terwijl de door haar zelf ontvangen prestatie niet kan worden geretourneerd. Subsidiair doet de Staatsloterij een beroep op artikel 6:210 lid 2 BW. Dit artikel bepaalt dat bij een ongedaanmakingsverbintenis als deze, ingeval de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, een verplichting tot waardevergoeding in de plaats treedt van de verplichting tot ongedaanmaking van de prestatie. De waarde van de door [deelnemer] ontvangen prestatie is volgens de Staatsloterij gelijk aan de door haar betaalde lotprijs. Dit is immers de waarde die in het economisch verkeer aan een staatslot wordt toegekend. Meer subsidiair voert de Staatsloterij aan dat – als de overeenkomsten vernietigd zijn – de door haar verrichte uitkeringen op de loten eveneens onverschuldigd zijn gedaan, zodat [deelnemer] deze moet terugbetalen. Volgens haar administratie heeft [deelnemer] in de bewuste periode in totaal € 1.852,- aan prijzengeld ontvangen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

verjaring

4.1.

De Staatsloterij heeft aangevoerd dat de vordering van [deelnemer] is verjaard. De vordering van [deelnemer] is gebaseerd op dwaling. Een vordering tot vernietiging van een rechtshandeling verjaart in geval van dwaling drie jaren nadat de dwaling is ontdekt (artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder c, BW). [deelnemer] heeft tegenover de Staatsloterij voor het eerst in de dagvaarding van 7 augustus 2017 de vernietiging van de door haar met de Staatsloterij gesloten overeenkomsten ingeroepen. Haar vordering zou dus verjaard zijn als zij haar dwaling vóór 7 augustus 2014 heeft ontdekt.

4.2.

Het is de Staatsloterij die zich op de rechtsgevolgen van de verjaring beroept. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijk Procesrecht (Rv) is het dan ook aan de Staatsloterij om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit kan volgen dat [deelnemer] de dwaling vóór 7 augustus 2014 heeft ontdekt. De Staatsloterij heeft daarover het volgende naar voren gebracht. In de media is vanaf eind 2007 de nodige aandacht aan deze kwestie gegeven. Eind 2007 is dat gebeurd door het televisieprogramma Radar, vanaf begin 2008 is in diverse media door

de Stichting Loterijverlies continu aandacht gevraagd dat bepaalde grote prijzen niet werden uitgekeerd en het rechtbankvonnis van 31 maart 2010 en het hofarrest van 28 mei 2013 hebben opnieuw voor veel aandacht van de media gezorgd. Het is aannemelijk dat [deelnemer] kennis heeft genomen van deze publicaties en dus vóór 7 augustus 2014 haar dwaling heeft ontdekt.

4.3.

[deelnemer] heeft dit tegengesproken. Volgens haar kijkt zij niet naar het programma Radar en heeft zij de berichtgeving over deze kwestie in de media niet gevolgd. Pas door kennisneming van berichten over de uitspraak van de Hoge Raad van 30 januari 2015 is zij hiervan op de hoogte geraakt.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat de verjaringstermijn pas gaat lopen als iemand daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van zijn dwaling. Het is niet voldoende dat iemand van de dwaling had moeten of kunnen weten. Tegenover de betwisting van [deelnemer] heeft de Staatsloterij geen feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [deelnemer] daadwerkelijk kennis heeft genomen van de genoemde media-uitlatingen en dus op de hoogte was van de misleiding door de Staatsloterij. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat [deelnemer] vóór 7 augustus 2014 haar dwaling heeft ontdekt. Haar vordering is niet verjaard.

dwaling

4.5.

Tussen partijen staat vast dat de Staatsloterij misleidende mededelingen heeft gedaan. Het gaat hierbij om misleidende mededelingen in de periode 2000 tot en met 2007 over het gegarandeerd zijn van de prijzen van € 50.000 en € 100.000, de winkansen en het aantal gewonnen prijzen. Daarnaast gaat het om misleidende mededelingen over de hoogte van de uitgekeerde prijzen bij de Koninginnedagtrekking 2008, namelijk dat er was gecommuniceerd dat er 10 x € 1.000.000 zou worden gewonnen, terwijl er slechts € 6.800.000 was uitgekeerd (zie r.o. 5.1. van het arrest van het hof).

4.6.

[deelnemer] heeft onder meer in de periode 2000 tot en met 2007 onafgebroken deelgenomen aan de maandelijkse staatsloterij en heeft tevens deelgenomen aan de Koninginnedagtrekking 2008. Hiermee staat vast dat de Staatsloterij ook in de periode dat [deelnemer] haar loten kocht misleidende mededelingen als hiervoor bedoeld heeft gedaan.

causaal verband tussen de misleidende mededelingen en de dwaling

4.7.

[deelnemer] beroept zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde dwaling. Op grond van de hoofdregel van bewijsrecht (artikel 150 Rv) is het dan ook aan [deelnemer] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit kan volgen dat zij heeft gedwaald. [deelnemer] heeft ter zitting verklaard dat zij denkt dat de Staatsloterij in deze zaak moet bewijzen, maar zij heeft daarvoor geen argumenten aangevoerd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding van de hoofdregel af te wijken.

4.8.

Het is dus aan [deelnemer] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat haar aankopen van staatsloten zijn gedaan onder invloed van dwaling (met andere woorden dat bij haar een onjuiste voorstelling van zaken bestond omtrent de winkans), dat deze onjuiste voorstelling van zaken te wijten is aan de misleidende mededelingen van de Staatsloterij en dat zij de staatsloten in de bewuste periode niet zou hebben gekocht als zij een juiste voorstelling van zaken zou hebben gehad. De kantonrechter is van oordeel dat [deelnemer] hiervoor onvoldoende heeft gesteld. De kantonrechter komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

4.8.1.

[deelnemer] heeft in de dagvaarding niet gesteld dat zij kennis heeft genomen van de misleidende mededelingen van de Staatsloterij, niet dat bij haar een onjuiste voorstelling van zaken bestond en ook niet dat zij de loten niet zou hebben gekocht als zij een juiste voorstelling van zaken had gehad. Zeker dit laatste behoeft wel de nodige uitleg van haar kant, nu immers vaststaat dat zij vanaf 1994 onafgebroken heeft deelgenomen aan de staatsloterij en daaraan nog steeds deelneemt. Zij heeft haar aanvankelijke beslissing tot deelname genomen toen de winkansen (weliswaar miniem) lager waren dan uit de misleidende mededelingen van de Staatsloterij volgde, dus kennelijk waren die winkansen toen – en in de daarop volgende jaren – voor haar voldoende om deel te (blijven) nemen. Het ligt dus bepaald niet voor de hand dat haar beslissing om deel te (blijven) nemen is beïnvloed door de misleidende mededelingen van de Staatsloterij.

4.8.2.

Ter zitting heeft [deelnemer] daarover verklaard dat zij dacht aan stoppen, totdat zij in 2000 zag dat er bij winkels borden stonden met mededelingen van de Staatsloterij dat er extra prijzen werden uitgekeerd. Zij heeft verklaard dat zij weliswaar niet hard kan maken dat zij nooit meer een lot zou hebben gekocht als zij die borden niet had gezien, maar zij is in die tijd volgens haar wel méér loten gaan kopen in verband met de op die borden vermelde extra prijzen van € 50.000 en € 100.000. Toen zij erachter kwam dat de misleidende mededelingen waren gedaan, was de werkwijze van de Staatsloterij al veranderd en was er dus geen reden meer om te stoppen met deelname, aldus [deelnemer] .

4.8.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [deelnemer] hiermee onvoldoende heeft uitgelegd dat zij bij een juiste voorstelling van zaken omtrent het vallen van de prijzen van € 50.000 of € 100.000 de door haar vernietigde overeenkomst(en) niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. [deelnemer] heeft immers alle overeenkomsten die zij in de jaren 2000 tot en met 2008 heeft gesloten vernietigd, terwijl zij zelf toegeeft dat zij niet hard kan maken dat zij nooit meer een lot zou hebben gekocht als de misleidende mededelingen niet waren gedaan. Wat de aankoop van loten via haar abonnement betreft, geldt dat zij dit vanaf 1994 onafgebroken heeft gedaan. Zij stelt wel dat zij heeft overwogen om daarmee te stoppen, maar onderbouwt dat met geen enkel concreet feit. Op geen enkel moment heeft zij haar abonnement daadwerkelijk onderbroken. Zij onderbouwt ook niet op welke moment zij concreet heeft overwogen te stoppen en welke concrete uiting(en) van de Staatsloterij haar zou(den) hebben overtuigd door te gaan. Doordat deze feitelijke onderbouwing ontbreekt, houdt de kantonrechter het ervoor dat bij de beslissing van [deelnemer] tot meespelen via het abonnement geen andere afweging ten grondslag heeft gelegen dan voor 2000 en ná 2007/2008; met andere woorden: dat daarbij de misleidende mededelingen van de Staatsloterij geen rol hebben gespeeld.

4.8.4.

Wat de gestelde aankoop van extra losse loten betreft, geldt dat de Staatsloterij gemotiveerd heeft bestreden dat [deelnemer] losse loten heeft gekocht en dat zij dit heeft gedaan als gevolg van de misleidende uitingen. [deelnemer] heeft vervolgens niet onderbouwd hoeveel losse loten zij heeft gekocht en wanneer zij dat heeft gedaan. Haar enkele stelling dat zij precies in de periode dat de misleidende mededelingen zijn gedaan voor € 6.091,17 aan losse loten heeft gekocht omdat zij geprikkeld was door de teksten op reclameborden is zonder verdere feitelijke invulling daarvan onvoldoende.

4.8.5.

Kortom: dat de misleidende mededelingen van de Staatsloterij een beslissende invloed hebben gehad, in die zin dat [deelnemer] niet, minder vaak of met minder loten zou hebben meegespeeld, als de Staatsloterij correcte mededelingen zou hebben gedaan, kan uit de door [deelnemer] gestelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid. De conclusie moet dan ook zijn dat [deelnemer] onvoldoende feiten en omstandigheden aan haar betoog ten grondslag heeft gelegd. Voor nadere bewijslevering is bij die stand van zaken geen ruimte. Omdat [deelnemer] niet heeft onderbouwd dat zij heeft gedwaald, heeft zij de overeenkomsten ten onrechte vernietigd en zal haar op de vernietiging gebaseerde vordering tot terugbetaling van haar inleg worden afgewezen.

4.9.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten deelt dit lot, omdat [deelnemer] geen vordering op de Staatsloterij heeft.

4.10.

[deelnemer] wordt veroordeeld in de proceskosten omdat zij in het ongelijk gesteld wordt. Deze kosten begroot de kantonrechter aan de zijde van de Staatsloterij op € 720,- aan salaris gemachtigde (twee punten), te vermeerderen met de door de Staatsloterij gevorderde wettelijke rente.

in voorwaardelijke reconventie

4.11.

Nu de vorderingen van [deelnemer] in conventie worden afgewezen komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vorderingen.

4.12.

[deelnemer] wordt veroordeeld in de proceskosten omdat zij – gelet op de samenhang van de gedingen in conventie en reconventie en omdat de eis in (voorwaardelijke) reconventie in dit geval een redelijke vorm van verdediging vormt – te beschouwen is als de in het ongelijk gestelde partij, ook al wordt de vordering in reconventie niet inhoudelijk beoordeeld. De kosten in reconventie begroot de kantonrechter aan de zijde van de Staatsloterij op € 360,- aan salaris gemachtigde (twee keer een punt tegen half tarief), te vermeerderen met de door de Staatsloterij gevorderde wettelijke rente.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [deelnemer] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Staatsloterij begroot op € 720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, als [deelnemer] deze kosten niet voordien heeft vergoed, tot aan de dag van algehele voldoening en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.3.

veroordeelt [deelnemer] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Staatsloterij begroot op € 360, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, als [deelnemer] deze kosten niet voordien heeft vergoed, tot aan de dag van algehele voldoening en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019