Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2630

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
AWB 18 / 8913 en awb 19 / 747
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv nareis tbv ouders, broers en zusjes. Eritrea. Identiteit en gezinsband niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 18/8913 en 19/747

V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , en [nummer 6] .

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

[naam] (eiser 1), [naam 2] (eiseres 1),

[naam 3] (eiser 2),

[naam 4] (eiseres 2),
[naam 5] (eiser 3),
[naam 6] (eiseres 3),

tezamen eisers,

gemachtigde: mr. P.A. Blaas,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de twee besluiten van 6 november 2018 van verweerder (de bestreden besluiten).

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 7] (referente) en Z. Haile (tolk).

Overwegingen

1. Referente is geboren op [geboortedatum] en heeft de Eritrese nationaliteit. Bij besluit van 14 juli 2017 heeft verweerder aan haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referente heeft op 5 oktober 2017 ten behoeve van eisers aanvragen ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel voor haar gestelde ouders (eiser 1 en eiseres 1) en een mvv met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ voor haar gestelde minderjarige broertjes (eiser 2 en 3) en zusjes (eiseres 2 en 3). Bij afzonderlijke besluiten van 21 maart 2018 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen.

2. Bij de bestreden besluiten zijn de bezwaren van eisers daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder geconcludeerd dat de identiteit van de gestelde ouders van referente en hun familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk zijn gemaakt. Verweerder heeft daarnaast de afwijzing van de aanvragen van de gestelde broertjes en zusjes gehandhaafd, omdat de aanvragen van de gestelde ouders ook zijn afgewezen en zij niet van hun gestelde ouders worden gescheiden.

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Sinds november 2017 hanteert verweerder een nieuw beoordelingskader voor nareisaanvragen1. In de uitspraken van 16 mei 20182 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) geoordeeld dat dit kader in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn3. Zoals de AbRS in deze uitspraken heeft overwogen, betrekt verweerder volgens deze gedragslijn, ongeacht de vraag of sprake is van bewijsnood aan de zijde van de vreemdeling, ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten bij de beoordeling of een vreemdeling de door hem of haar gestelde identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

5. Vaststaat dat eiser 1 en eiseres 1, de gestelde ouders van referente, geen officiële identificerende documenten hebben overgelegd die hun identiteit kunnen aantonen. Met de enkele stelling dat zij deze documenten tijdens hun tocht van Eritrea naar Ethiopië zijn verloren, is geen aannemelijke, gedetailleerde en op de persoonlijke situatie toegespitste verklaring gegeven waarom zij niet in het bezit zijn van enig identiteitsdocument. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht geen bewijsnood aangenomen.

6. Verweerder heeft, ondanks het ontbreken van bewijsnood, conform de nieuwe gedragslijn de door eisers overgelegde stukken bij de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers evenmin aan de hand van indicatieve documenten hun identiteit en gestelde familierelatie aannemelijk hebben gemaakt. De overgelegde pasfoto’s en de kopie van een UNHCR rantsoenkaart zijn geen identificerende of familierechtelijke documenten, waarop volledige persoonsgegevens staan genoteerd. Hieruit kan dus niet de identiteit van de gestelde ouders of familierechtelijke relatie worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor de overgelegde kopie van een brief van het International Rescue Committee van 24 december 2014 en een kopie van een verklaring van 24 januari 2018 van de Norwegian Refugee Council over de functie van eiseres 1 in het vluchtelingenkamp in Ethiopië. De verklaringen van referente over haar familieleden uit haar asielprocedure zijn evenmin documenten waarmee de identiteit en de familierechtelijke relatie aannemelijk gemaakt kunnen worden.

De overgelegde doopaktes van eiser 3 en eiseres 3, ter staving van de familierechtelijke relatie tussen de gestelde ouders en eiser 3 en eiseres 3, zijn onderzocht door Bureau Documenten. Blijkens deze verklaring van onderzoek van 20 februari 2018 is de doopakte van eiser 3 vals bevonden en is die van eiseres 3 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Gelet op deze uitkomst heeft verweerder de doopaktes terecht niet als indicatieve documenten bij de beoordeling betrokken. Bovendien zeggen deze doopaktes niets over de familierechtelijke relatie tussen de gestelde ouders en referente. Dit geldt eveneens voor de eerst in beroep overgelegde ‘mother and child health cards’ die betrekking zouden hebben op eiser 3 en eiseres 3.

7. Gelet op het voorgaande, bezien in het licht van het eerdergenoemde beoordelingskader, heeft verweerder geen aanvullend identificerend gehoor of een DNA-onderzoek hoeven aan te bieden. Zolang de identiteit niet is vastgesteld, kan evenmin de familierechtelijke relatie worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht geen grond gezien om de gestelde ouders een mvv in het kader van nareis te verlenen.

8. Nu de aanvragen van de gestelde ouders zijn afgewezen, zijn de aanvragen van de gestelde broertjes en zusjes van referente voor een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM terecht afgewezen.

9. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het beroep van eisers op schending van de hoorplicht faalt. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eisers daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Brief van 23 november 2017, Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354

2 Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2018:1508

3 Richtlijn 2003/86/EG