Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2615

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
nl18.20435
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

asiel, gülen, ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20435

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Geçoğlu),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 2018 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met kenmerk NL18.20436, plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Afe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft eerder, met ingang van 24 augustus 2004, rechtmatig verblijf gehad. Bij besluit van 28 februari 2012 heeft verweerder besloten om eisers verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 24 augustus 2004 in te trekken en een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen. Verweerder heeft het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 januari 2014 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak op 25 april 2014 bevestigd. Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod staan in rechte vast.

2. Eiser heeft op 29 april 2017 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij sinds 2008 tot aan de couppoging van 15 juli 2016 betrokken is geweest bij de Gülen-beweging in [plaats] en dat hij hierdoor gezocht wordt door de Turkse autoriteiten. Onder de naam [naam 2] kwam men daar bij elkaar. Eiser heeft verklaard dat de namen van leden van de beweging zijn doorgestuurd naar Turkije. Eiser heeft vernomen dat de politie in zijn dorp onderzoek naar hem zou hebben gedaan en ook bij zijn broer hebben geïnformeerd. Daarnaast stelt hij te vrezen voor bloedwraak en stelt hij problemen te hebben met de familie van oud-minister Yildiz.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw 2000. Het inreisverbod is gehandhaafd. Verweerder acht de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig. Eisers gestelde overtuiging van het Gülen gedachtegoed en betrokkenheid bij deze beweging sinds 2008 heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Eisers overige verklaringen over bloedwraak en problemen met de familie Yildiz heeft verweerder evenmin geloofwaardig geacht.

4. Wat eiser hiertegen in beroep heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting desgevraagd heeft verklaard het standpunt van verweerder ten aanzien van de gestelde bloedwraak en problemen met de familie Yildiz niet langer te betwisten.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet geloofwaardig is. Verweerder heeft hieraan gemotiveerd ten grondslag gelegd dat eiser tijdens zijn nader gehoor niet in staat is gebleken zelfs de meest basale informatie over het gedachtegoed van deze beweging naar voren te brengen. Van eiser, die stelt dat hij gedurende acht jaar sympathisant geweest van de Gülen-beweging, regelmatig bijeenkomsten heeft bezocht, gesprekken heeft gevoerd, boeken heeft gelezen en verkocht en leden heeft geworven, had verwacht mogen worden dat hij hier meer over had kunnen vertellen. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte de ingediende aanvullingen en correcties op het nader gehoor buiten beschouwing gelaten. Deze geven immers een compleet aanvullend verhaal. Verweerder heeft voorts terecht van belang geacht dat tijdens het nader gehoor rekening is gehouden met de beperkingen die in het medisch advies van het FMMU zijn geformuleerd. Daarnaast heeft eiser een volledige dag gehad om de vragen te beantwoorden, waarbij zoveel mogelijk rekening is gehouden met zijn referentiekader. De rechtbank merkt hierbij tevens op dat eiser pas in december 2017 is gehoord, zodat hij voldoende tijd heeft gehad om zich voor te bereiden.

7. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is dat de naam van eiser is doorgegeven aan Turkije. Eiser baseert zich hierbij slechts op verklaringen van zijn broer. Deze kan niet als objectieve bron worden aangemerkt. Verder heeft eiser geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. De gestelde huiszoekingen in zijn ouderlijk huis zijn evenmin onderbouwd. Ook het feit dat eiser bijna een jaar na de couppoging, eerst nadat hij was aangehouden, zijn asielaanvraag heeft ingediend, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.

8. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij mogelijk door de Turkse autoriteiten wordt gezocht vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij verwijst daartoe naar een document met de titel "Veelgestelde vragen Turkije - Positie (vermeende) aanhangers Gülen-beweging” van juni 2018 van VluchtelingenWerk Nederland.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze vrees gelet op het voorgaande oordeel over eisers asielrelaas niet aannemelijk is.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.