Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
NL18.6101
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

RBROT:2019:1984 Rechtbank Rotterdam, 12-03-2019, NL18.6101

Schengengrenscode; tijdlijn; referteperiode 180 dagen; vrije termijn 90 dagen; voor inreis al geen vrije termijn meer; inreisverbod voor de duur van twee jaar ogv 6.5a, eerste lid Vb; beroep ogg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.6101


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser]

[v-nummer]

(gemachtigde: mr. M. de Reus),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: H.Q. van der Zaan).


Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Sönmez, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 21 maart 2018 aan eiser op grond van artikel 62 van de Vw de verplichting opgelegd om terug te keren naar zijn land van herkomst, dan wel een ander land buiten de Europese Unie (EU) waar zijn toelating is gewaarborgd. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat gebleken is dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft dan wel niet is gebleken dat hij rechtmatig binnen Nederland verblijft. Eiser dient de EU onmiddellijk te verlaten. Volgens verweerder is gebleken dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft ondernomen. Hij is op 7 januari 2018 via Wenen het Schengenbied ingereisd en, zoals ook blijkt uit zijn gehoor, vertrouwde hij erop dat in het nieuwe jaar een nieuwe - naar de rechtbank begrijpt, vrije - termijn van 90 dagen zou gaan lopen.

Deze beroepsgrond slaagt niet

2.1

Artikel 3 van Verordening (EU) 2016/399 (de Schengengrenscode, PB 2016, L 77, hierna: SGC) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de SGC van toepassing is op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt.

2.2

Uit artikel 6, eerste lid, van de SGC volgt dat onderdanen van derde landen, mits aan de in deze bepaling genoemde toegangsvoorwaarden wordt voldaan, ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten kunnen verblijven, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen. Aan de hand van deze referteperiode of ‘terugkijkperiode’ van 180 dagen, dient te worden vastgesteld of (nog) voldaan wordt aan het vereiste van

‘90 dagen binnen 180 dagen’. Hieruit volgt tevens dat een ononderbroken afwezigheid van 90 dagen, een nieuwe (vrije) termijn van ten hoogste 90 dagen doet ontstaan.

Artikel 6, tweede lid, van de SGC bepaalt dat voor de uitvoering van het eerste lid de inreisdatum als de eerste dag van verblijf op het grondgebied van de lidstaten geldt en de uitreisdatum als de laatste dag van verblijf op het grondgebied van de lidstaten.

Perioden van verblijf die zijn toegestaan op grond van een verblijfsvergunning, of een visum voor verblijf van langere duur worden bij de berekening van de verblijfsduur op het grondgebied van de lidstaten niet in aanmerking genomen.

2.3

Eiser is op 7 januari 2018 het Schengengebied ingereisd. Op die datum lag het begin van de referteperiode van 180 dagen op 12 juli 2017. Nu eiser gedurende deze referteperiode meer dan 90 dagen in het Schengengebied heeft verbleven (namelijk tussen

5 september 2017 en 18 december 2017), was ten tijde van zijn inreis in het Schengengebied op 7 januari 2018 geen sprake (meer) van een vrije termijn.

Tijdens zijn gehoor heeft eiser ook verklaard op de hoogte te zijn van de regelgeving.

Zo heeft hij verklaard dat de vrije termijn drie maanden bedraagt en dat hij dan drie maanden moet terugkeren naar Albanië. Eisers betoog dat hij erop vertrouwde dat in het nieuwe jaar een nieuwe vrije termijn zou gaan lopen, kan reeds hierom niet slagen.

Eiser heeft overigens niet onderbouwd waaraan hij dit vertrouwen ontleent en heeft in het gehoor te kennen gegeven dat hij weet hoe het met de toegangsvoorwaarden op grond van de SGC zit. Indien bij eiser sprake zou zijn geweest van twijfel op dit punt, had het op de weg van eiser gelegen zich tijdig hierover te laten informeren. Door dit na te laten heeft eiser het risico genomen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond 3a) en zich aan toezicht heeft onttrokken (grond 3b).

Verweerder heeft dan ook terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Op grond van grond 3a, waarvan de betwisting aldus wordt verworpen, en de niet betwiste gronden 3b en 4a heeft verweerder eiser een vertrektermijn kunnen onthouden. Uit deze gronden en de daarbij gegeven motivering volgt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Overigens volgt hetzelfde al uit de niet betwiste gronden 3b en 4a.

3. Eiser voert aan dat verweerder het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar onvoldoende heeft gemotiveerd.

Uit artikel A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt voor de duur van twee jaar in geval de vrije termijn als bedoeld in artikel 3.3 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met meer dan 90 dagen is overschreden. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Ten aanzien van hetgeen eiser aangevoerd heeft tegen het inreisverbod overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw gehouden is een inreisverbod uit te vaardigen, aangezien eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.

In artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb is bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt.

Artikel 6.5a, tweede lid van het Vb, bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, de duur van het inreisverbod ten hoogste één jaar bedraagt, indien het betreft een vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in artikel 3.3 van het Vb heeft overschreden met meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen.

In het beleid van verweerder, zoals opgenomen in de Vc, paragraaf A4/2.3, is neergelegd dat de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het inreisverbod uitvaardigt voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd.

3.2

Met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat op het moment van inreis van eiser in het Schengenbied, op 7 januari 2018, de vrije termijn al was verstreken en dus geen sprake (meer) was van een vrije termijn als bedoeld in artikel 3.3. Vb. Om die reden is niet artikel 6.5a, tweede lid, Vb maar artikel 6.5a, eerste lid, Vb op eiser van toepassing en heeft verweerder terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om op grond van artikel 66a lid 8 van de Vw af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Eiser is voornemens op om korte termijn te huwen met zijn Roemeense partner, die in Nederland woonachtig is en hier arbeid verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Uit het bestreden besluit blijkt dat de door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden door verweerder bij de besluitvorming zijn betrokken. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het inreisverbod een sanctie is vanwege eisers illegale verblijf in Nederland. Dat eiser de Europese Unie gedurende twee jaar niet zal kunnen inreizen en daardoor in zijn handelen belemmerd wordt is dan ook niet in strijd met het door de wetgever beoogde doel van de maatregel. Volgens verweerder is niet gebleken dat het onmogelijk is om het uitoefenen van het recht op gezinsleven van eiser met zijn vriendin op andere wijze in te vullen, bijvoorbeeld door een bezoek van zijn vriendin aan hem in het land van herkomst, of enig ander land waar zij elkaar kunnen ontmoeten.

Voor zover eiser langdurig verblijf beoogt kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Het inreisverbod zal ambtshalve worden opgeheven als in de aanvraagprocedure blijkt dat eiser voldoet aan alle voorwaarden voor toelating.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden hem geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J. Eertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of plaatsing daarvan in het digitale dossier.