Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2605

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
C/09/541330 / HA ZA 17-1091
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

begaclaim-zaak. vorderingen van notaris tegen de Staat verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2019/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/541330 / HA ZA 17-1091

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2019

in de zaak van

1 [eisende partij A] te [plaats] ,

2. [het notariskantoor] te [plaats] ,

3. [de B.V.] te [plaats] ,

eisers,

mr. L.T. van Eyck van Heslinga te Alkmaar ,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Eisers zullen hierna [eisende partij A c.s.] worden genoemd. Zij zullen afzonderlijk worden aangeduid met [eisende partij A] , het notariskantoor en [de B.V.] . Gedaagde zal de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 november 2018 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte na tussenvonnis aan de zijde van [eisende partij A c.s.] met producties;

  • -

    de antwoordakte reactie verjaringsverweer aan de zijde van de Staat met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij A] oefende tot 2015 het ambt van notaris uit bij het notariskantoor. Hij hield via indirect eigendom van het notariskantoor en direct eigendom van [de B.V.] een praktijk in [plaats] .

2.2.

In de periode 2009-2015 heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar illegale vastgoedhandel, hypotheekfraude en witwassen met zogeheten ABC-constructies. Het onderzoek droeg de naam “ [Naam] ”. [eisende partij A] was één van de verdachten in de strafzaak en zou volgens het Openbaar Ministerie als notaris betrokken zijn bij de ABC-constructies. De rol van [eisende partij A] was volgens het Openbaar Ministerie de volgende. Een woningbouwvereniging in Amsterdam verkocht met een starterskorting voormalige sociale huurwoningen met als doel het eigenwoningbezit in bepaalde wijken te stimuleren. [X] (hierna: [X] ) kocht (een deel van) deze woningen op via stromannen, die zich voordeden als “starters” dan wel “doorstromers” op de huizenmarkt. Vervolgens werden de woningen door [X] met winst doorverkocht. De verkoop door de woningbouwvereniging aan de stroman werd aangeduid als een AB-transactie. De (door)verkoop van de woningen aan een derde werd aangeduid als de BC-transactie. De stroman ontving ongeveer € 1.500 van [X] . De verdenking tegen [eisende partij A] bestond eruit dat hij opzettelijk (authentieke) akten zou hebben opgemaakt, waarin een valse voorstelling van zaken werd gegeven. In de akte zou de indruk worden gewekt dat er sprake zou zijn van particuliere kopers, die de woning hadden gekocht met het oog op eigen bewoning. In werkelijkheid ging het om stromannen van [X] , die de betreffende woningen in ABC-transacties hadden aangekocht voor rekening en risico van [X] en met als doel om deze op korte termijn met winst door te verkopen. De voor de levering BC noodzakelijke notariële aktes werden daarbij in een aantal gevallen door [eisende partij A] opgesteld. [eisende partij A] werd ervan verdacht dat hij op het moment van (door)levering wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat door [X] met gebruikmaking van stromannen de woningbouwvereniging werd misleid. Tevens werd hij ervan verdacht dat hij hierbij uitvoering heeft gegeven aan notariële afrekeningen die strijdig waren met de inhoud van de door hemzelf verleden akten bij doorlevering.

2.3.

Op 31 oktober 2011 is [eisende partij A] aangehouden op verdenking van valsheid in geschrift, valsheid in geschrift van authentieke akten, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Op diezelfde datum hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van [eisende partij A] en het notariskantoor. Op 31 oktober 2011 is door het Openbaar Ministerie een persbericht uitgebracht, waarin vermeld stond dat 14 mannen en 4 vrouwen zijn aangehouden, waaronder twee notarissen en een advocaat, die worden verdacht van vastgoed- en hypotheekfraude, valsheid in geschrift, deelname aan een criminele organisatie, medeplichtigheid aan illegaliteit en witwassen van crimineel geld.

De naam van [eisende partij A] is daarbij niet vermeld.

2.4.

[eisende partij A] heeft in verband met de verdenking 17 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. [eisende partij A] heeft bij bezwaarschrift van 23 februari 2012 bezwaar gemaakt tegen de dagvaarding. Bij beschikking van 16 maart 2012 heeft de rechtbank dat bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard, inhoudende dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het verwijt dat [eisende partij A] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie te lichtvaardig tot vervolging is overgegaan. In hoger beroep is die beschikking vernietigd en is het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Bij vonnis van 16 februari 2015 van de rechtbank Midden-Nederland is [eisende partij A] veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar met aftrek van voorarrest voor deelname aan een criminele organisatie, witwassen en valsheid in geschrift.

2.5.

Naar aanleiding van dit vonnis is [eisende partij A] bij beslissing van de voorzitter van de Kamer van het notariaat van 17 februari 2015 ingevolge artikel 26 lid 1 van de Wet op het notarisambt met ingang van 19 februari 2015 voor onbepaalde tijd geschorst in de uitoefening van zijn ambt. Deze beslissing is op 17 maart 2015 door de Kamer van het notariaat en vervolgens op 26 mei 2015 door het hof Amsterdam bekrachtigd.

2.6.

Bij inmiddels onherroepelijk arrest van 13 maart 2017 van het hof Arnhem-Leeuwarden is [eisende partij A] vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De schorsing van [eisende partij A] is na zijn vrijspraak beëindigd. [eisende partij A] is per 1 augustus 2017 op eigen verzoek eervol ontslagen als notaris.

2.7.

Bij verzoekschrift van 8 juni 2017 heeft [eisende partij A] een verzoek tot schadevergoeding ex artikel 89, 591 en 591a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend bij het hof Arnhem-Leeuwarden.

2.8.

Bij brief van 28 juli 2017 heeft [eisende partij A] aan het College van Procureurs-Generaal verzocht om betaling van een (voorschot)bedrag van € 200.000. Aan deze brief was een concept-dagvaarding gehecht met betrekking tot een schadevergoedingsvordering. Bij brief van 17 augustus 2017 is door het College van Procureurs-Generaal de ontvangst van de brief van [eisende partij A] bevestigd en is aangekondigd dat een inhoudelijke reactie nog enige tijd op zich zou laten wachten.

2.9.

Bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 19 oktober 2018 is op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 89, 591 en 591a Sv aan [eisende partij A] een vergoeding ten laste van de Staat opgelegd van € 133.836,83.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[eisende partij A c.s.] vordert, samengevat:

I te verklaren voor recht dat de Staat door het strafrechtelijk optreden tegen [eisende partij A] , alsmede het verschaffen van inzage in het strafdossier aan de media, onrechtmatig heeft gehandeld, nu [eisende partij A] onschuldig is gebleken;

II de Staat te veroordelen aan [eisende partij A] een bedrag aan schadevergoeding te betalen van € 2.870.000 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III de Staat te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor het opmaken van de schadestaat;

IV de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 50.056,18 in verband met door het notariskantoor geleden schade bestaande uit betaalde kosten van rechtsbijstand;

V de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 131.525,53 in verband met door [de B.V.] geleden schade bestaande uit betaalde kosten van rechtsbijstand;

VI de Staat te veroordelen tot het afgeven van een belastinggarantie ter zake van de vorderingen onder II tot en met IV.

Een en ander te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eisende partij A c.s.] het volgende ten grondslag.

De vervolging van [eisende partij A] is bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2017 met een vrijspraak geëindigd. Ingevolge vaste rechtspraak kan de Staat aansprakelijk zijn voor schade die een voormalige verdachte heeft geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie of justitie, waaronder de toepassing van strafvorderlijk dwangmiddelen (zie Hoge Raad (hierna: HR) 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, hierna: “Begaclaim-arrest”). [eisende partij A] heeft betoogd dat in zijn geval aanleiding is de schade te vergoeden, nu uit de motivering van het hof van de onschuld van [eisende partij A] is gebleken. De vorderingen onder I, II en III zien daarop. Verder heeft [eisende partij A] aan zijn vordering onder I ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door informatie over het strafvorderlijk onderzoek aan de media te lekken. Aan de vorderingen onder IV en V hebben het notariskantoor respectievelijk [de B.V.] ten grondslag gelegd dat als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eisende partij A] , zij schade hebben geleden bestaande uit de kosten van [eisende partij A] voor rechtsbijstand die het notariskantoor en [de B.V.] hebben voldaan in de strafprocedure. Die kosten komen voor rekening van de Staat, nu [eisende partij A] ten onrechte is vervolgd, aldus [eisende partij A c.s.]

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In het incident

3.5.

[eisende partij A] vordert de Staat te veroordelen tot betaling aan [eisende partij A] van een voorschot van € 250.0000 op de in de hoofdzaak toe te wijzen schadevergoeding.

3.6.

De Staat voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak en het incident

4.1.

De Staat heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de vorderingen van [eisende partij A c.s.] zijn verjaard. Dit verweer slaagt. Ter toelichting dient het volgende.

4.2.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Het betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (vgl. HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850).

4.3.

In een geval als het onderhavige – waarbij aan de vordering uit onrechtmatige daad de stelling ten grondslag wordt gelegd dat ten onrechte strafvorderlijke dwangmiddelen zijn toegepast – vangt volgens vaste rechtspraak de verjaringstermijn aan, op de dag na de eerste toepassing van deze dwangmiddelen (HR 9 april 2010, ECLI:NL:2010:BL118). Aan deze vaste rechtspraak ligt ten grondslag dat bij uitstek een gewezen verdachte vanaf het moment waarop hij wordt aangehouden kan beoordelen of hij onschuldig is en dat hij dus geacht wordt vanaf dat moment ook bekend te zijn met zowel de schade als de aansprakelijke (rechts)persoon, te weten de Staat. Dat betekent dus ook, dat de uitspraak van de strafrechter niet het feit is dat aansprakelijkheid vestigt. De uitspraak van de strafrechter heeft op dit punt uitsluitend een declaratoir karakter.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij A c.s.] ten tijde van zijn aanhouding en de doorzoekingen bekend was met zowel de schade als degene die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Met bekendheid bij [eisende partij A] is, gelet op de toenmalige vennootschapsstructuur en eigendomspositie, gelijktijdige wetenschap van het notariskantoor en [de B.V.] gegeven. Daarbij is niet relevant dat de exacte omvang van de schade op dat moment nog niet vaststond. Het gaat om het moment van wetenschap bij [eisende partij A c.s.] van schade, niet het tijdstip waarop de schade aantoonbaar is. Alleen indien [eisende partij A c.s.] feitelijk niet in staat zou zijn vorderingsrecht uit te oefenen, of ten minste een stuitingshandeling te verrichten, hoewel hij bekend is met de schade en met degene die daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld, geldt een uitzondering op de hoofdregel. Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken.

4.5.

Hieruit volgt dat het standpunt van [eisende partij A c.s.] dat de vordering tot schadevergoeding pas is ontstaan en opeisbaar is geworden na de onherroepelijke vrijspraak van [eisende partij A] op 13 maart 2017 onjuist is. [eisende partij A c.s.] was vanaf het optreden van politie en/of justitie ermee bekend dat hij schade leed en in de toekomst zou lijden als gevolg van de aanhouding en de vervolging, ook al was de omvang van de schade hem toen nog niet bekend, en bekend was met de rechtspersoon die voor deze schade aansprakelijk kan worden gesteld, te weten: de Staat.

4.6.

Evenmin is juist de stelling dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen toen duidelijk werd hoe de tenlastelegging precies luidde. Ten tijde van de aanhouding was voor [eisende partij A c.s.] bekend dat hij ervan werd verdacht betrokken te zijn bij de vastgoedhandel van [X] . Dat hij daarvan ook op de hoogte was, volgt ook uit het bezwaar tegen de dagvaarding van 23 februari 2012, waarin [eisende partij A] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij ten onrechte wordt vervolgd voor de deelname aan de criminele organisatie, het witwassen en de valsheid in geschrifte. Hij kon op het moment dat hij werd aangehouden goed beoordelen of die verdenking terecht was. Dat de tenlastelegging is gewijzigd acht de rechtbank dan ook niet relevant. Om die reden mist de jurisprudentie waar [eisende partij A c.s.] in zijn akte naar verwijst met betrekking tot de opeisbaarheid en het ontstaan van de vordering en ontvankelijkheid bij een civiele rechter toepassing. Zoals de Staat terecht heeft betoogd, ziet die jurisprudentie op gevallen waarin de benadeelde onbekend is met of redelijkerwijs in onzekerheid verkeert over het bestaan van schade, de oorzaak van de schade of de voor het ontstaan van de schade verantwoordelijke persoon.

4.7.

[eisende partij A c.s.] heeft verder nog betoogd dat sprake is van een reeks van afzonderlijke onrechtmatige daden, zodat – zo begrijpt de rechtbank de stelling van [eisende partij A c.s.] – steeds opnieuw een verjaringstermijn is gaan lopen. De rechtbank verwerpt dit betoog. De aanhouding van [eisende partij A] vormt de grondslag van de vordering en heeft dan ook als schadeveroorzakende gebeurtenis te gelden. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, vordert [eisende partij A c.s.] ook vanaf die datum schade en de schade die [eisende partij A c.s.] vordert houdt ook verband met de aanhouding. De rechtbank volgt [eisende partij A c.s.] dan ook niet in zijn stelling dat er steeds een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen.

4.8.

Het voorgaande brengt met zich mee dat [eisende partij A c.s.] op 31 oktober 2011 geacht werd bekend te zijn met de schade en de aansprakelijke persoon, zodat de verjaringstermijn is aangevangen op 1 november 2011. Dit betekent dat de verjaring is voltooid op 1 november 2016, tenzij de verjaring tijdig is gestuit.

4.9.

[eisende partij A c.s.] heeft aangevoerd dat de verjaring is gestuit. In dat verband heeft hij verwezen naar de volgende stukken:

  1. Het bezwaarschrift van 23 februari 2012, dat [eisende partij A] heeft ingediend tegen het uitbrengen van de dagvaarding. Daarin heeft [eisende partij A] zich erover uitgelaten dat hij door de wijze van aanhouding en de voorlopige hechtenis reputatieschade heeft geleden.

  2. De behandeling van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, waarbij is vermeld dat de raadsman van [eisende partij A] zich op het standpunt heeft gesteld dat [eisende partij A] schade heeft geleden en de beschikking van 16 maart 2012, waarbij is beslist op het bezwaar tegen de dagvaarding en waarin wordt verwezen naar het standpunt dat [eisende partij A] heeft ingenomen, inhoudende dat hij schade lijdt als gevolg van de strafzaak.

  3. Het proces-verbaal van de zitting in de strafprocedure van 16 maart 2012, waaruit volgt dat [eisende partij A] zich bij die zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij schade heeft geleden door de publiciteit en dat hij de rechtbank vraagt om zorgvuldig te bezien of de beschuldigingen enige grond hebben.

  4. Het proces-verbaal van de zitting bij het gerechtshof op 29 augustus 2012 in verband met het bezwaarschrift van [eisende partij A] tegen de dagvaarding. Uit dat proces-verbaal volgt dat [eisende partij A] op die zitting heeft verklaard dat de hele kwestie hem al veel cliënten heeft gekost.

  5. Het proces-verbaal van de op 11, 12, 19 en 20 november 2013 gehouden strafzittingen, waaruit volgt dat [eisende partij A] tijdens die zittingen heeft verklaard dat hij door de wijze van opereren van het Openbaar Ministerie is benadeeld.

  6. Het proces-verbaal van de op 17 november 2014, 18 november 2014, 20 november 2014, 22 december 2014 en 2 februari 2015 gehouden strafzitting, waaruit volgt dat [eisende partij A] heeft verklaard dat hij enorme kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken en waaruit volgt dat de raadsman van [eisende partij A] heeft betoogd dat de hoogte van de strafeis als schadeverhogend effect zal worden meegenomen bij het indienen van een vordering tot schadevergoeding.

  7. De pleitaantekeningen van de raadsman van [eisende partij A] in de strafprocedure op de zitting van 22 december 2014 en 23 december 2014. Daaruit volgt dat de raadsman zich op het standpunt heeft gesteld dat de vervolging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging en het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Voorts volgt daaruit dat de raadsman van [eisende partij A] zich op het standpunt heeft gesteld dat de vervolging tot schade heeft geleid, dat het nadeel evident is, dat de vervolging onrechtmatig was en dat hij de rechtbank verzoekt om die onrechtmatigheid vast te stellen. Tot slot volgt daaruit dat hij het standpunt heeft ingenomen dat de huiszoeking een ingrijpende ervaring is geweest en dat hij daarvan ernstige economische schade heeft ondervonden.

  8. Het vonnis van 16 februari 2015, waaruit volgt dat de raadsman van [eisende partij A c.s.] heeft verzocht in het vonnis op te nemen dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld.

  9. De brief van 19 oktober 2016 van een medeverdachte, die een brief aan de Staat heeft gestuurd waarin hij de Staat aansprakelijk heeft gesteld voor de onrechtmatige vervolging. Met deze aansprakelijkstelling moet voor de Staat duidelijk zijn geweest dat rekening diende te worden gehouden met een vordering van niet alleen de medeverdachte, maar ook van [eisende partij A] .

  10. Het verzoek om een vergoeding in de zin van artikel 89, 591 en 591a Sv.

  11. Een brief aan de officier van justitie van 10 juli 2017;

  12. Een brief aan het College van Procureurs-Generaal van 28 juli 2017.

4.10.

De rechtbank deelt niet het standpunt van [eisende partij A c.s.] dat aan de uitlatingen in deze documenten stuitende werking kan worden toegekend. Ter toelichting dient het volgende.

4.11.

De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, zoals een vordering tot schadevergoeding, kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439). Om een schriftelijke mededeling te kunnen kwalificeren als stuitingshandeling, is noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat de vordering zodanig is omschreven, dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:2010:BM9615). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063).

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat uit geen van de documenten waar [eisende partij A c.s.] zich op beroept valt af te leiden dat [eisende partij A c.s.] zich ondubbelzinnig het recht op schadevergoeding in verband met de onrechtmatige aanhouding en vervolging voorbehoudt.

4.13.

Ten aanzien van de stukken genoemd onder 4.9, onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 overweegt de rechtbank dat het uitlatingen betreft die zijn gedaan in de strafprocedure ten overstaan van de strafrechter. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat het hierbij niet gaat om een schriftelijke mededeling aan de Staat als schuldenaar, maar verweren en verzoeken die tijdens de behandeling van de strafzaak en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gericht zijn tot de strafrechter. Reeds om die reden kunnen die stukken niet als stuitingshandeling worden aangemerkt. Los daarvan kan over die stukken nog het volgende worden gezegd.

4.14.

Uit de stukken die betrekking hebben op het bezwaar tegen de dagvaarding (genoemd onder 4.9 onder 1, 2, en 4) volgt weliswaar dat [eisende partij A] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van het optreden van de Staat, maar dat is op zichzelf onvoldoende om die uitlatingen als werkelijke stuitingshandelingen aan te merken. Uit die uitlatingen volgt immers niet dat [eisende partij A] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Daarom kunnen die uitlatingen niet als stuitingshandelingen als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW worden aangemerkt.

4.15.

Uit het proces-verbaal van de zitting van de strafprocedure van 16 maart 2012 (hiervoor onder 4.9 onder 3) volgt dat [eisende partij A] heeft aangekaart dat hij schade heeft geleden door de publiciteit en dat hij de rechtbank vraagt om zorgvuldig te bezien of de beschuldigingen enige grond hebben. Deze uitlating kan niet als stuitingshandeling worden aangemerkt, omdat daaruit niet volgt dat [eisende partij A] zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt. Hetzelfde geldt voor de uitlatingen die zijn opgetekend in het proces-verbaal van de op 11, 12, 19 en 20 november 2013 gehouden strafzittingen (hiervoor onder 4.9 onder 5).

4.16.

Ten aanzien van het proces-verbaal van de op 17 november 2014,

18 november 2014, 20 november 2014, 22 december 2014 en 2 februari 2015 gehouden zitting en de pleitaantekeningen (hiervoor onder 4.9 onder 6) overweegt de rechtbank als volgt. Uit hetgeen daarover in het proces-verbaal is opgetekend, leidt de rechtbank af dat [eisende partij A] daarbij met name de kosten van rechtsbijstand voor ogen stond. Op pagina 48 van dat proces-verbaal staat: “Er zijn klanten die vragen of dit nu al eens achter de rug is. Ik heb enorme kosten voor rechtsbijstand moeten maken.” In datzelfde proces-verbaal, één pagina verder, staat als aanvulling op de pleitnota van de raadsman vermeld: “de hoogte van de strafeis zal te zijner tijd worden meegenomen bij het indienen van een vordering tot schadevergoeding als zijnde een schade verhogend effect”. Nu [eisende partij A] zelf expliciet de kosten van rechtsbijstand heeft benoemd en de raadsman “het schadeverhogende effect” koppelt aan de hoogte van de strafeis, concludeert de rechtbank dat ook de raadsman met name de kosten van rechtsbijstand voor ogen stond en daarmee doelde op een vordering op de voet van artikel 89, 591 en 591a Sv. Dat [eisende partij A] of zijn raadsman met die uitlatingen daarnaast ook een civiele vordering tot vergoeding van schade als in deze procedure gevorderd voor ogen stond, kan daaruit niet ondubbelzinnig worden afgeleid. Vorderingen tot schadeloosstelling op de voet van artikel 89, 591 en 591a Sv kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tevens worden beschouwd als een van die procedure losstaande mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het hof Den Haag van 22 februari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8234, nrs. 13.2 e.v., waarin het hof heeft geoordeeld dat een claim in de procedure ex artikel 89 Sv – waarvoor de maatstaf van artikel 3:316 lid 2 BW geldt – niet tevens kan worden beschouwd als een van die procedure losstaande mededeling conform artikel 3:317 BW. Dit arrest is bevestigd door de HR bij arrest van 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5638. Daarom kan aan de uitlatingen zoals opgenomen in het proces-verbaal geen stuitende werking worden toegekend. Om diezelfde reden kan de gevolgde procedure op grond van artikel 89, 591 en 591a Sv evenmin als stuitingshandeling worden aangemerkt (hiervoor onder 4.9 onder 10).

4.17.

Ten aanzien van de pleitaantekeningen (hiervoor onder 4.9 onder 7) heeft het volgende te gelden. Weliswaar staat in de pleitaantekeningen van de strafzitting vermeld dat [eisende partij A] ernstige economische schade heeft geleden, maar vervolgens wordt die stelling aangehaald om daarmee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat. Dat [eisende partij A] hierbij tevens het oog heeft gehad op de civiele vordering zoals in deze procedure is ingesteld, valt daaruit niet af te leiden. Hetzelfde geldt voor het verzoek van de raadsman van [eisende partij A] om in het vonnis op te nemen dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld (hiervoor onder 4.9 onder 8).

4.18.

De brief van de medeverdachte van [eisende partij A] gericht aan de Staat (hiervoor onder 4.9 onder 9) kan evenmin als stuitingshandeling van [eisende partij A] worden aangemerkt. Die brief is immers niet geschreven mede door of namens [eisende partij A] , zodat niet valt in te zien dat die brief als stuitingshandeling van [eisende partij A] is aan te merken.

4.19.

De brieven aan de officier van justitie en het College van Procureurs-Generaal (hiervoor onder 4.9 onder 11 en 12) hebben evenmin stuitende werking, al was het maar omdat die zijn geschreven nadat de vordering al was verjaard.

4.20.

De conclusie luidt dan ook dat de vorderingen van [eisende partij A c.s.] niet tijdig zijn gestuit en daarom zijn verjaard.

Redelijkheid en billijkheid

4.21.

[eisende partij A c.s.] heeft verder betoogd dat een beroep op de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.22.

De rechtbank stelt ten aanzien van dit betoog voorop dat slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ter toelichting dient het volgende.

4.23.

[eisende partij A c.s.] heeft betoogd dat uit het feit dat het Openbaar Ministerie zich in de strafzaak op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift van [eisende partij A] tegen de dagvaarding prematuur was, ertoe leidt dat de Staat geen verjaringsverweer meer kan voeren. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat het standpunt dat het Openbaar Ministerie in die bezwaarschriftprocedure heeft ingenomen los moet worden gezien van de vraag of [eisende partij A] een civiele schadevergoedingsvordering toekomt. Verder heeft dat standpunt van het Openbaar Ministerie [eisende partij A] niet ervan hoeven weerhouden om de verjaring te stuiten. Evenzeer heeft [eisende partij A] ook daarna nog kunnen beoordelen of zijn strafvervolging terecht was. Hetzelfde geldt voor het feit dat [eisende partij A c.s.] niet de volledige beschikking had over notariële dossiers. Dat gegeven stond niet eraan in de weg dat [eisende partij A c.s.] bij aanvang van de strafvervolging kon beoordelen of de strafvervolging terecht was. [eisende partij A c.s.] heeft voorts betoogd dat de Staat de strafzaak heeft vertraagd en informatie heeft achtergehouden. Echter, ook als dat juist zou zijn, heeft te gelden dat [eisende partij A c.s.] in staat was in te schatten of [eisende partij A] onschuldig was en – in vervolg daarop – een verjaring te stuiten. Ook het gegeven dat de strafzaak langer dan vijf jaar heeft geduurd is geen omstandigheid die [eisende partij A c.s.] heeft belet een schadevergoedings-vordering in te stellen of de verjaring te stuiten.

4.24.

Tot slot heeft [eisende partij A c.s.] in dit verband betoogd dat de Staat heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door zich in onderhavige zaak op verjaring te beroepen. [eisende partij A] heeft daarbij gewezen op de zaken […] , de Puttense moordzaak en de Schiedammer parkmoordzaak, waarin de Staat ook een verjaringsverweer had kunnen voeren, maar dat niet heeft gedaan.

4.25.

De rechtbank is van oordeel dat de zaken die [eisende partij A c.s.] in dat verband aanhaalt niet gelijk zijn te stellen aan zijn zaak, omdat het daarbij ging om herzieningszaken. Dat zijn evident andere gevallen dan onderhavige zaak. Daarbij ging het om onterechte veroordelingen, terwijl het hier gaat om de strafrechtelijke vervolging van [eisende partij A] en [eisende partij A] in hoger beroep is vrijgesproken. Reeds om die reden gaat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op.

4.26.

Omdat het verjaringsverweer slaagt, behoeven de overige stellingen en weren met betrekking tot het strafrechtelijk optreden geen bespreking meer.

4.27.

[eisende partij A c.s.] heeft verder nog de stelling ingenomen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de inhoud van het strafdossier met de pers te delen. De Staat heeft dat evenwel betwist. Daarop heeft [eisende partij A c.s.] die (enkele) stelling niet alsnog onderbouwd. De vordering te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het delen van het strafdossier met de pers zal reeds om die reden worden afgewezen. Voor bewijslevering is geen plaats.

Slotsom

4.28.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen van [eisende partij A c.s.] zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.29.

[eisende partij A c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 3.894

- salaris advocaat € 9.640 (2,5 punten × tarief € 3.856)

Totaal € 13.534

4.30.

Voor een aparte veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

4.31.

De incidentele vordering zal gelet op het voorgaande eveneens worden afgewezen. [eisende partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij tevens worden veroordeeld in de kosten van het incident. Die kosten worden evenwel begroot op nihil, nu niet gebleken is dat de Staat kosten heeft moeten maken die verband houden met het incident.

5 De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij A c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 13.534, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en op € 131 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 68 in geval van betekening,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In het incident

5.4.

wijst de vordering af,

5.5.

veroordeelt [eisende partij A] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. J.S. Honée en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.