Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
7495504 RL EXPL 19-2479
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen tot schadevergoeding in conventie en reconventie wegens brandschade in kas. Kwalificatie van de overeenkomst tussen partijen. Geen bewaarneming maar gemengde huurovereenkomst/overeenkomst van opdracht. Bewijslast m..b.t. brandoorzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: 7495504 RL EXPL 19-2479

Vonnis van de kantonrechter van 13 maart 2019

in de zaak van

[naam B.V.] B.V., te Voorhout,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. A.J. Dolk, advocaat te Amsterdam,

tegen

PERKPLANTENKWEKERIJ DE ZONNEBLOEM C.V., te Monster,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. P.A. Visser, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht.

Partijen zullen hierna [naam B.V.] B.V. en De Zonnebloem worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het vonnis van deze rechtbank, Team handel van 30 januari 2019, waarbij de zaak met nummer C/09/547802 / HA ZA 18-164 is verwezen naar de kantonrechter (hierna: het verwijzingsvonnis);

- de in het verwijzingsvonnis genoemde gedingstukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam B.V.] B.V., een vennootschap van de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), exploiteert een kwekerij van sierplanten, waaronder onder meer de Oxalis Depei (hierna: de planten).

2.2.

De Zonnebloem exploiteert eveneens een kwekerij.

2.3.

In verband met haar behoefte aan extra kasruimte heeft [naam B.V.] B.V. in het najaar van 2016 met De Zonnebloem een mondelinge overeenkomst gesloten, op grond waarvan De Zonnebloem tegen een financiële vergoeding aan [naam B.V.] B.V. 5.000 m2 aan kasruimte ter beschikking heeft gesteld voor het opkweken van een bepaalde hoeveelheid planten, die [naam B.V.] B.V. rond oud en nieuw 2016/2017 aan derden zou gaan leveren.

2.4.

Hiertoe heeft [betrokkene 1] met zijn medewerkers potten met turfhoudende grond, met daarin bolletjes waaruit de planten zouden groeien, op het gronddoek van de kas neergezet. Zoals tussen partijen was overeengekomen, regelde De Zonnebloem op instructie van [betrokkene 1] het klimaat in de kas (verwarming en lucht). [betrokkene 1] had toegang tot de kas om de teelt te volgen en hield zelf bij hoeveel water er in een bepaalde periode van de kweekcyclus nodig was. De beregening van de planten werd tevens op instructie van [betrokkene 1] uitgevoerd door De Zonnebloem via haar beregeningsinstallatie. Daarnaast heeft [betrokkene 1] zelf ook een paar keer handmatig extra water aan de planten gegeven, omdat de randen van het veld gedeeltelijk niet beregend waren.

2.5.

In de nacht van 27 op 28 november 2016 is in de kas waar de planten stonden brand ontstaan. Deze brand is ontdekt door de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), een zoon van de heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), een vennoot van De Zonnebloem. Op 28 november 2016 om 7:30 uur is [naam B.V.] telefonisch op de hoogte gesteld van de brand.

2.6.

Op de brandmelding zijn de politie en de brandweer uitgerukt en is de brand geblust. De brand heeft geleid tot schade aan (de installatie van) de kas en aan de planten. De planten in het achterste deel van de kas zijn geheel verbrand. In het voorste gedeelte van de kas zijn de planten niet geheel verbrand. Die planten heeft [naam B.V.] met De Zonnebloem weggehaald met de bedoeling nog zoveel mogelijk planten te redden.

2.7.

Een aantal dagen na de brand heeft De Zonnebloem ook de planten in het achterste deel van de kas geruimd.

2.8.

De brandschade wordt niet gedekt door een verzekering van [naam B.V.] of De Zonnebloem.

2.9.

[naam B.V.] B.V. heeft, op aangeven van zijn verzekeraar Achmea, de heer [mdw verzekering] (hierna: [mdw verzekering] ), [functie] van het Nederlands Onderzoeks Instituut B.V. (hierna: NLOI), opgedragen om de toedracht van de brand te onderzoeken. Hiertoe heeft [mdw verzekering] voor het eerst op 2 december 2016 de kas van De Zonnebloem bezocht.

Tijdens dit bezoek ontstond bij [mdw verzekering] het vermoeden dat de brand was ontstaan in één van de schakelkasten voor de verdeling van elektriciteit in de kas.

2.10.

Op 8 december 2016 hebben [mdw verzekering] en de door hem ingeschakelde derde, de heer [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) van Elektroraad B.V., de desbetreffende – grotendeels verbrande – schakelkast ter plaatse onderzocht.

2.11.

Met toestemming van De Zonnebloem heeft [betrokkene 4] de schakelkast meegenomen voor nader onderzoek.

2.12.

Op 8 december 2016 heeft De Zonnebloem aan Brand Technisch Bureau B.V. (hierna: BTB) opgedragen een (tactisch en forensisch) onderzoek in te stellen naar de toedracht van de brand. Het onderzoek is uitgevoerd door de heer [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) en de heer ing. [betrokkene 6] . Directeur van BTB is de heer [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ).

2.13.

Na overleg tussen [betrokkene 5] en [mdw verzekering] is opdracht verstrekt aan Dekra Certification B.V. (hierna: Dekra) om (de restanten van) de schakelkast te onderzoeken en te vergelijken met een referentiekast, afkomstig uit dezelfde kas van De Zonnebloem.

Dit – destructieve – onderzoek is uitgevoerd door de heer [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ).

2.14.

Bij e-mail van 19 januari 2017 heeft [betrokkene 8] zijn eerste bevindingen aan [betrokkene 5] en [mdw verzekering] meegedeeld.

2.15.

Naar aanleiding hiervan heeft [mdw verzekering] bij e-mail van 28 februari 2017 aan [betrokkene 8] verzocht om een afspraak te maken voor een bezoek van [mdw verzekering] samen met [betrokkene 4] aan Dekra met het doel “het doornemen van het onderzoeksresultaat en te bepalen wat het vervolg dient te zijn.”

2.16.

In reactie hierop heeft mr. Visser per e-mail van 1 maart 2017 aan [betrokkene 8] bericht dat De Zonnebloem, kort gezegd, geen toestemming geeft voor de door [mdw verzekering] gewenste afspraak en dat [mdw verzekering] en [betrokkene 4] uitsluitend schriftelijke vragen aan Dekra konden stellen.

2.17.

Bij brief van 3 november 2017 heeft [naam B.V.] B.V. De Zonnebloem aansprakelijk gesteld voor de schade aan de planten, voorlopig begroot op € 300.000.

2.18.

In opdracht van [naam B.V.] B.V. heeft de heer [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ), werkzaam bij Troostwijk Expertise B.V. een onderzoek ingesteld naar de omvang van ten gevolge van de brand door [naam B.V.] B.V. geleden schade. Bij rapport van 17 januari 2018 heeft [betrokkene 9] de schade begroot op € 241.843,32 exclusief BTW.

2.19.

Door de genoemde deskundigen zijn rapporten uitgebracht van hun bevindingen:

- op 10 januari 2018 door [mdw verzekering] ;

- op 18 januari 2018 door [betrokkene 4] ;

- op 25 januari 2018 door [betrokkene 8] ;

- op 16 maart 2018 door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] .

2.20.

In opdracht van De Zonnebloem heeft [betrokkene 7] op 22 maart 2018 rapport uitgebracht van zijn analyse van de rapporten van [mdw verzekering] en [betrokkene 4] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[naam B.V.] B.V. B.V. vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Zonnebloem veroordeelt:

I tot betaling aan [naam B.V.] van € 241.843,32, exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 28 november 2016, althans vanaf 17 november 2017, althans vanaf 2 februari 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

II tot betaling aan [naam B.V.] van € 7.976,50, althans € 3.275, aan buitengerechtelijke advocaatkosten en € 15.813,48 aan expertisekosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2018;

III in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering legt [naam B.V.] , samengevat, het volgende ten grondslag. De tussen partijen gesloten overeenkomst dient worden gekwalificeerd als bewaarneming (artikel 7:600 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Op grond hiervan rustte op De Zonnebloem de resultaatsverbintenis om de planten in goede staat aan [naam B.V.] terug te geven, althans rustte op haar een zorgplicht hiertoe. Nu de planten als gevolg van de brand – die is ontstaan door een ondeugdelijke schakelkast – verloren zijn gegaan, is De Zonnebloem toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en daarmee schadeplichtig jegens [naam B.V.] B.V. Daarnaast is De Zonnebloem op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk nu met de ondeugdelijke schakelkast sprake was van een gebrekkige opstal. Ten slotte kan de aansprakelijkheid van De Zonnebloem worden gegrond op artikel 6:162 BW nu zij nalatig is geweest om de schakelkast te controleren.

3.3.

De Zonnebloem voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De Zonnebloem vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam B.V.] B.V. veroordeelt:

I tot betaling aan De Zonnebloem van € 88.066,60, althans tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding vast te stellen door een door de rechtbank te benoemen deskundige, althans tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat;

II in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen drie dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.6.

Aan deze vordering legt De Zonnebloem, samengevat, het volgende ten grondslag. Als gevolg van de brand is schade ontstaan aan een aantal zaken in de kas, die door De Zonnebloem wordt begroot op € 88.066,60. Voor deze schade is [naam B.V.] B.V. aansprakelijk op grond van de artikelen 6:174 jo. 6:181 BW, nu de schade is ontstaan in de bedrijfsuitoefening door [naam B.V.] B.V. Daarnaast kan de aansprakelijkheid worden gebaseerd op onrechtmatige daad, nu [naam B.V.] B.V. niet heeft voorkomen dat de schade is ontstaan. De tussen partijen gesloten overeenkomst is een huurovereenkomst. Op grond hiervan diende [naam B.V.] B.V. de kas in goede staat aan De Zonnebloem te retourneren. Die verbintenis is [naam B.V.] B.V. als gevolg van de brand niet nagekomen, zodat zij ook contractueel aansprakelijk is jegens De Zonnebloem.

3.7.

[naam B.V.] B.V. B.V. voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Nu zowel in conventie als in reconventie beoordeeld dient te worden (i) of de tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst moet worden gekwalificeerd als bewaarneming of huur en (ii) welke partij op basis van de in artikel 6:174 dan wel 6:181 BW geregelde aansprakelijkheid aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade ten gevolge van de brand, zal de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.

4.2.

Allereerst dient beoordeeld te worden hoe de tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst dient te worden gekwalificeerd. Dit is van belang voor het antwoord op de centrale vraag in dit geschil, namelijk wie de schade ten gevolge van de brand in de kas van De Zonnebloem dient te dragen. De kantonrechter maakt het door de rechtbank in het verwijzingsvonnis gegeven oordeel dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een huurovereenkomst, tot de hare. Beoordeeld dient dus nog te worden of de tussen partijen gesloten overeenkomst ook kwalificeert als bewaarneming (artikel 7:600 BW), zoals [naam B.V.] B.V. stelt. Volgens De Zonnebloem is enkel sprake van een huurovereenkomst.

4.3.

Artikel 7:600 BW bepaalt dat bewaarneming de overeenkomst is waarbij de ene

partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt een zaak

die de bewaarnemer hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven.

In deze definitie staat dus centraal het toevertrouwen van de zaak.

4.4.

Vaststaat dat De Zonnebloem niet zelf bepaalde hoe de planten van [naam B.V.] B.V. moesten worden verzorgd, maar dat zij bij de klimaatregeling in de kas en beregening van de planten uitsluitend handelde op instructie van [naam B.V.] B.V. [betrokkene 1] had immers toegang tot de kas om de teelt te volgen en beoordeelde of de beregening via de automatische beregeningsinstallatie voldoende was. [betrokkene 1] heeft de planten een aantal keren handmatig extra water gegeven. Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat partijen over de verzorging van de planten niet anders konden afspreken, omdat de klimaatcomputer van De Zonnebloem niet alleen het klimaatsysteem op de afdeling waar de planten van [naam B.V.] B.V. stonden bestuurde, maar ook de klimaatsystemen in alle andere kassen van De Zonnebloem, en [naam B.V.] B.V. geen toegang tot die klimaatcomputer had. Dit een en ander leidt de kantonrechter tot het oordeel dat de planten niet aan De Zonnebloem zijn toevertrouwd in de zin van artikel 7:600 BW. Er is dus geen sprake van bewaarneming. De Zonnebloem kan dan ook niet op grond van een tekortkoming in de nakoming van een dergelijke overeenkomst (bestaande uit het niet teruggeven van de planten in dezelfde goede conditie als waarin zij deze in ontvangst had genomen) aansprakelijk worden gehouden voor de door [naam B.V.] B.V. geleden schade ten gevolge van de brand.

4.5.

De afspraken tussen partijen over de verzorging van de planten door De Zonnebloem, zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, kwalificeert de kantonrechter als een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). De overeenkomst tussen partijen voldoet dus aan de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten van huur en opdracht, zodat sprake is van een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 BW.

4.6.

Onder deze gemengde overeenkomst brengt de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Rv) mee dat het in conventie aan [naam B.V.] B.V. is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan volgen dat de brand is te wijten aan het handelen of nalaten van De Zonnebloem. In reconventie is het in beginsel aan De Zonnebloem om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan volgen dat de brand is te wijten aan het handelen of nalaten van [naam B.V.] B.V.

4.7.

De Zonnebloem heeft geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat de brand is te wijten aan het handelen of nalaten van [naam B.V.] B.V., zodat niet kan worden geconcludeerd dat [naam B.V.] B.V. is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst met De Zonnebloem. Anders dan De Zonnebloem lijkt te betogen, brengt de enkele omstandigheid dat aan het gehuurde brandschade is ontstaan niet zonder meer mee dat [naam B.V.] B.V. daarvoor aansprakelijk is (zie artikel 7:218 lid 2 BW).

4.8.

Naast de contractuele aansprakelijkheid hebben partijen ook gewezen op de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ( [naam B.V.] B.V.) en artikel 6:181 BW (De Zonnebloem). Volgens artikel 6:174 BW is de bezitter van een opstal, die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, in beginsel aansprakelijk. In dit verband stelt [naam B.V.] B.V., samengevat, dat De Zonnebloem als bezitter van de opstal aansprakelijk is aangezien de ondeugdelijke schakelkast brandgevaarlijk was. Hiertegenover betoogt De Zonnebloem dat, als de schakelkast ondeugdelijk was – wat De Zonnebloem betwist – de aansprakelijkheid op [naam B.V.] B.V. rust nu zij de opstal heeft gebruikt in de uitoefening van een bedrijf (artikel 6:181 lid 1 BW).

4.9.

Voordat de kantonrechter toekomt aan de vraag wie als bezitter/gebruiker in de uitoefening van een bedrijf van de kas moet worden aangemerkt, dient eerst te worden beoordeeld of er sprake was van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW. De hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Rv) brengt mee dat het in conventie in beginsel aan [naam B.V.] B.V. is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan volgen dat de schakelkast – bestanddeel van de opstal – gebrekkig was, toen de brand uitbrak, zoals [naam B.V.] B.V. stelt.

4.10.

Volgens [naam B.V.] B.V. dient de bewijslast in conventie te worden omgekeerd, omdat De Zonnebloem het feitenonderzoek heeft belemmerd. Hiertoe voert [naam B.V.] B.V. aan (i) dat De Zonnebloem, zonder toestemming van [naam B.V.] B.V., alle ongerechtigheden (waaronder de verbrande planten) uit de kas heeft verwijderd en (ii) dat De Zonnebloem niet heeft toegestaan dat de deskundigen van [naam B.V.] B.V. over de resultaten van het destructieve onderzoek mondelinge vragen konden stellen aan de onderzoeker van Dekra, [betrokkene 8] , waardoor volgens [naam B.V.] B.V. niet van een gezamenlijke expertise sprake is geweest.

4.11.

Zoals in artikel 150 Rv is bepaald, kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de bewijslast anders dan volgens de hoofdregel wordt verdeeld.

Een voorbeeld hiervan is de zaak die heeft geleid tot het – door [naam B.V.] B.V. genoemde – arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat voor omkering van de bewijslast aanleiding kan zijn in het geval dat de partij die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt, in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt door toedoen van de wederpartij.

4.12.

De Zonnebloem heeft toegestaan dat de twee deskundigen van [naam B.V.] B.V., [mdw verzekering] en [betrokkene 4] , onderzoek hebben gedaan in de kas, zelfs nog voordat De Zonnebloem een eigen deskundige heeft laten komen. [mdw verzekering] was de eerste deskundige die ter plekke is geweest. Toen was de kas – zo maakt de kantonrechter op uit het rapport van [mdw verzekering] (productie 11 van [naam B.V.] B.V.) – al door De Zonnebloem ontruimd, waardoor volgens deze deskundige een volledig technisch onderzoek niet meer kon worden verricht. Niettemin kon bij [mdw verzekering] op basis van het brandbeeld wel het vermoeden rijzen dat de brand in één van de schakelkasten was ontstaan. Vervolgens is [mdw verzekering] nogmaals langsgekomen, dit keer met de door hem ingeschakelde deskundige [betrokkene 4] . Zij hebben samen de betreffende schakelkast onderzocht. De Zonnebloem heeft [betrokkene 4] toestemming gegeven de schakelkast mee te nemen voor nader onderzoek. Vervolgens heeft [mdw verzekering] samen met de door De Zonnebloem inmiddels ingeschakelde deskundige [betrokkene 5] besloten opdracht te verstrekken aan Dekra om als onafhankelijk onderzoeksinstituut te onderzoeken wat de oorzaak is van het in de brand raken van de door [mdw verzekering] geselecteerde schakelkast, waarbij het uitdrukkelijk de bedoeling was dat Dekra destructief onderzoek zou verrichten.

4.13.

Voorafgaand aan dit onderzoek hebben [mdw verzekering] en [betrokkene 5] hun vragen geformuleerd en naar Dekra gestuurd. Nadat Dekra haar eerste bevindingen met partijen had gedeeld, zijn partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen aan Dekra te stellen. Dat [naam B.V.] B.V. dit niet mondeling heeft kunnen doen, zoals zij wel wilde, neemt niet weg dat zij vragen had kunnen stellen. Dat zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dient voor haar rekening te blijven. Aan het argument van [naam B.V.] B.V. dat in een gerechtelijk onderzoek aan de deskundige mondelinge vragen kunnen worden gesteld, gaat de kantonrechter voorbij nu Dekra niet door de rechter maar door partijen is benoemd, zodat artikel 179 Rv e.v. niet van toepassing is. De omstandigheid dat [naam B.V.] B.V. geen mondelinge vragen heeft kunnen stellen brengt ook niet mee dat het onderzoek door Dekra als eenzijdig moet worden aangemerkt. Het voorgaande leidt de kantonrechter tot het oordeel dat De Zonnebloem het feitenonderzoek niet, althans niet wezenlijk, heeft belemmerd en dat [naam B.V.] B.V. niet door toedoen van De Zonnebloem in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt. Voor omkering van de bewijslast in conventie bestaat dus geen aanleiding, zodat het aan [naam B.V.] B.V. is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan volgen dat de schakelkast gebrekkig was op het moment dat de brand uitbrak.

4.14.

Dat de betreffende schakelkast gebrekkig was, zoals [naam B.V.] B.V. stelt, is niet komen vast te staan gelet op het volgende. Dekra, het door partijen aangewezen onafhankelijke instituut, heeft na destructief onderzoek geconcludeerd dat er in de schakelkast geen elektrotechnische oorzaak voor de brand is gevonden en dat dit leidt tot de conclusie dat de brand in de schakelkast is ontstaan als gevolg van een brand elders. [naam B.V.] B.V. heeft de juistheid van deze bevindingen van Dekra niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Voor zover [naam B.V.] B.V. heeft aangevoerd dat zij geen mondelinge vragen aan Dekra heeft mogen stellen, stuit dit argument af op het hiervoor in 4.13 overwogene.

4.15.

[naam B.V.] B.V. heeft (in haar conclusie van antwoord in reconventie) nog gesteld dat ook buiten de betreffende schakelkast bij De Zonnebloem sprake was van een brandgevaarlijke situatie door gebrekkige elektriciteitsvoorzieningen. De Zonnebloem heeft die stelling gemotiveerd weersproken. [naam B.V.] B.V. heeft daarop haar stelling niet nader feitelijk onderbouwd. Reeds hierom is niet komen vast te staan dat de brand is veroorzaakt door andere (gebrekkige) elektriciteitsvoorzieningen van De Zonnebloem dan de betreffende schakelkast.

4.16.

Nu niet is gebleken dat de brand is ontstaan door een gebrekkige schakelkast en/of andere gebrekkige elektriciteitsvoorzieningen in de kas van De Zonnebloem en niet is gesteld of anderszins is gebleken door welke andere oorzaak de brand is ontstaan, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de vraag wie als bezitter/gebruiker in de uitoefening van een bedrijf van de kas als bedoeld in de artikel 6:178 jo. 6:181 BW moet worden aangemerkt (zie 4.8).

4.17.

Nu de oorzaak van de brand niet kan worden vastgesteld, kan ook niet worden geconcludeerd dat De Zonnebloem onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam B.V.] B.V. dan wel dat [naam B.V.] B.V. onrechtmatig heeft gehandeld jegens De Zonnebloem. De slotsom luidt dan ook dat de vorderingen in conventie en in reconventie moeten worden afgewezen.

4.18.

Deze uitkomst brengt mee dat [naam B.V.] B.V. in conventie en De Zonnebloem in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten begroot de kantonrechter in conventie aan de zijde van De Zonnebloem op € 1.922 aan salaris gemachtigde (2 punten à € 961). In reconventie worden de proceskosten van [naam B.V.] B.V. begroot op € 1.442 aan salaris gemachtigde (2 punten à € 721). Anders dan in conventie, is in reconventie niet verzocht de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [naam B.V.] B.V. in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van De Zonnebloem begroot op € 1.922;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

wijst het gevorderde af;

5.5.

veroordeelt De Zonnebloem in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [naam B.V.] B.V. begroot op € 1.442.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C. Kranenburg, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.

type: 1554