Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2484

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
NL19.3374
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Finland ongegrond mondeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage


Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.3374


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Dalloesingh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3375, plaatsgevonden op 5 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Abdiqadir. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.

Eiser heeft op 22 november 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat

eiser op 20 september 2015 en 27 september 2018 in Finland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Finse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). De

Finse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 12 december 2018 op grond

van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel

er in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Finland zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Finse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Finland een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat er eerder twee keer een afwijzing van zijn asielaanvraag in Finland is gevolgd is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken, zoals betoogt door eiser, dat er gebreken waren in de werkwijze van de tolk en de advocaat van eiser in de asielprocedure in Finland. Dit is niet nader onderbouwd en niet is gebleken dat hij daarover niet kan klagen bij de Finse autoriteiten. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat Finland niet de benodigde medische zorg voor de gestelde psychische problemen van eiser kan bieden of dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser daarvoor te behandelen.

Ten aanzien van het betoog dat eiser vanwege zijn gestelde psychische problemen afhankelijk is van zijn zus die in Nederland woont en verweerder daarom op grond van artikel 16 van de Dublinverordening zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen, overweegt de rechtbank dat zowel de gestelde problemen als de afhankelijkheid onvoldoende zijn onderbouwd. De enkele stellingen van eiser en de ondersteunende schriftelijke verklaring van zijn zus zijn daartoe onvoldoende. Evenmin is voldoende onderbouwd dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die voor

verweerder aanleiding zouden kunnen zijn om op grond van artikel 17 van de

Dublinverordening het verzoek van eiser in behandeling te nemen.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat verweerder bij het claimverzoek heeft nagelaten de Finse autoriteiten te informeren over dat zijn zus in Nederland verblijft, van wie eiser stelt afhankelijk te zijn. Uit artikel 23, vierde lid, van de Dublinverordening volgt dat het terugnameverzoek de relevante elementen uit de verklaringen van de vreemdeling moet bevatten aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of zij op grond van de criteria in hoofdstuk III van de Dublinverordening verantwoordelijk zijn. Artikel 16 valt niet onder de criteria genoemd in hoofdstuk III. Verweerder heeft derhalve informatie over het verblijf van eisers zus in Nederland niet als relevant hoeven aan te merken voor het terugnameverzoek.

Ter zitting hebben partijen verder besproken dat als er medische verklaringen kunnen worden overgelegd, waaruit blijkt dat sprake is van psychische problematiek en daarmee samenhangend van een bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en zijn zus, het eiser vrij staat in dat kader een aanvraag/verzoek in te dienen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. Tempelman, griffier, op 5 maart 2019.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.