Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2398

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
C 09/19/373 en 09/19/374
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen start minnelijk traject. Verzoek moratorium niet ontvankelijk.

Stabilisatie niet gebleken.Geen aanvang minnelijk traject.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummers: C/09/569951 / FT RK 19/373 en C/09/569952 / FT RK 19/374

vonnis van 12 maart 2019

[verzoekster],

wonende op een geheim adres

verzoekster,

advocaat: mr. D.A. IJpelaar,

heeft op 11 maart 2019 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b, eerste lid, van de Faillissementswet (Fw.) verzoekster heeft tevens een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Het verzoek voorlopige voorziening richt zich tegen:

Stichting Staedion,

gevestigd te Den Haag

verweerster,

gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.

1 Het verzoek

1.1

Het verzoek strekt ertoe dat het verweerster wordt verboden om de woning van verzoekster te doen ontruimen. De ontruiming is bij deurwaardersexploot van 5 maart 2019 aangezegd en zal geschieden op 13 maart 2019 vanaf 08:00 uur. Verzoekster stelt dat zij zich in een problematische schuldsituatie bevindt en dat zij met behulp van de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente Den Haag onderzoekt of het mogelijk is om haar schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Deze regeling bevindt zich in een beginstadium en zou door de ontruiming van de woning onmogelijk gemaakt worden.

2 De beoordeling

2.1

Op grond van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw) kan een schuldenaar een voorlopige voorziening (moratorium) vragen als er sprake is van een bedreigende situatie. Onder bedreigende situatie wordt onder meer verstaan gedwongen woningontruiming.

2.2

De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw. heeft blijkens de wetsgeschiedenis, voor zover hier van belang, tot doel om een soort adempauze te bereiken die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden. De rechtbank verwijst naar Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C, p. 5. Hieruit blijkt dat, wil artikel 287b Fw. van toepassing kunnen zijn, er met het minnelijk traject een aanvang moet zijn gemaakt.

2.3

Een redelijke uitleg van de wet brengt met zich dat met dat minnelijk schuldsaneringstraject een aanvang wordt gemaakt direct aansluitend aan de zogenaamde stabilisatiefase. Die fase heeft ten doel het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van de schuldenaar; inkomsten worden gemaximaliseerd en uitgaven tot een minimum beperkt, er is geen crisis en de beslagvrije voet wordt gegarandeerd. Tevens is die fase bedoeld om rust te creëren voor de schuldenaar, zodanig dat op gedragsverandering kan worden ingezet. Het doorlopen van de stabilisatiefase is niet alleen van belang voor het slagen van het schuldhulpverleningstraject, maar ook om voldoende aannemelijk te maken dat de voor het verlenen van het moratorium vereiste stabiliteit bereikt is. In het verzoekschrift zal dan ook moeten worden vermeld, of daaruit moet duidelijk kunnen worden afgeleid, wanneer het stabilisatietraject is aangevangen, wanneer het is afgerond en met name wat er in die fase is gebeurd en bereikt.

2.4

Niet blijkt dat de stabilisatiefase is doorlopen en wat daarin is gebeurd. Uit de bijgevoegde brief van de gemeente Den Haag van 11 januari 2018 blijkt dat verzoekster op 11 januari 2018 een verzoek heeft gedaan voor schuldhulpverlening. De bijgevoegde stabilisatie overeenkomst is echter niet ondertekend door verzoekster en de gemeente. Uit het ‘plan van aanpak budgetondersteuning’ van de gemeente Den Haag blijkt evenmin dat er een aanvang is gemaakt met het minnelijk traject. Integendeel, in een (ongedateerde) verklaring van de gemeente Den Haag staat vermeld dat het stabilisatietraject is beëindigd, en dat er geen toeleiding heeft plaatsgevonden naar het minnelijk traject. In een e-mailbericht d.d. 12 maart 2019 van de zijde van de advocaat van verzoekster staat vermeld dat verzoekster in budgetbeheer is bij de gemeente Den Haag sedert 26 oktober 2018. In het overgelegde verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling staat echter dat verzoekster pas sinds 22 januari 2019 gebruik maakt van budgetbeheer bij de gemeente Den Haag.

2.5

Gelet op de onder 2.4 genoemde gegevens - die deels tegenstrijdig zijn - staat in het geheel niet vast dat een aanvang is gemaakt met het minnelijk traject. Daarvoor is tenminste vereist dat de financiële situatie van verzoekster stabiel is en dat door toezicht van - of samenwerking met - de gemeente of een andere schuldhulpverlenende instantie die stabilisatie is gewaarborgd. Van een dergelijke situatie is in dit geval niet gebleken.

2.6

Nu niet aannemelijk is dat met het minnelijk traject een aanvang is gemaakt is verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek om ontruiming van haar woning te verbieden.

2.7

Ook in het verzoek tot het toepassen van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk verklaren. Op grond van artikel 285 lid 1 sub f Fw. dient in het verzoek te zijn opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Deze verklaring ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding verzoekster een aanvullende termijn te gunnen op grond van artikel 287, tweede lid Fw. en zal verzoekster in het wsnp-verzoek eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek om een voorlopige voorziening;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019 in tegenwoordigheid van A. van Groningen Schinkel, griffier.