Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2388

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
SGR 17/6960 SGR 17/6961 SGR 17/6962 SGR 17/6963 SGR 17/6965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het ozb-tarief voor niet- woningen is door de raad verhoogd in verband met financiele ondersteuning aan een ondernemersfonds. Het ondernemersfonds kent zelf een retributieregeling. Geen grond om de Verordening onverbindend te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/952
Viditax (FutD), 25-04-2019
FutD 2019-1179
Belastingblad 2019/215 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N 2019/40.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/6960, SGR 17/6961, SGR 17/6962, SGR 17/6963 en SGR 17/6965

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.M. Steenbergen),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Teylingen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de hierna onder 1 te noemen aanslagen onroerende zaakbelastingen (ozb) bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

De zaken van eiseres zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van [A] (SGR 17/6743), [B] (SGR 17/6977), [C] (SGR 17/6992 en SGR 17/6994), [D] (SGR 17/6995) en [E] (SGR 17/6998 en SGR 17/7002). Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de onderhavige zaken.

De rechtbank heeft op verzoek van partijen het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om de mogelijkheden voor een minnelijke schikking van het geschil te onderzoeken.

Verweerder heeft op 29 oktober 2018 een reactie ingediend en op 1 november 2018 heeft de rechtbank de reactie van eiseres hierop ontvangen.

Eiseres heeft vervolgens op 25 januari 2019, 28 januari 2019 en 4 februari 2019 nadere stukken ingediend.

De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.S.K. Joustra. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. G. Groenewegen, L. Biesbrouck en B. Nagtzaam.

Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken van [A] (SGR 17/6743), [B] (SGR 17/6977), [C] (SGR 17/6992 en SGR 17/6994), [D] (SGR 17/6995) en [E] (SGR 17/6998 en SGR 17/7002).

Eiseres en verweerder hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft bij beschikking van 31 maart 2017 aan eiseres voor het jaar 2017 onder meer aanslagen ozb eigenaar en gebruiker niet-woningen opgelegd in verband met het eigendom en gebruik van de onroerende zaken [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] te Sassenheim (de onroerende zaken), waarbij als heffingsgrondslag waarden van de onroerende zaken van respectievelijk € 1.223.000, € 1.581.000, € 2.814.000, € 1.188.000 en € 647.000 zijn gehanteerd.

2. De aanslagen ozb zijn opgelegd op grond van de Verordening onroerende-zaakbelastingen Teylingen 2017 (de Verordening), zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Teylingen (de gemeente) op 15 december 2016.

3. Bij de vaststelling van de hoogte van het ozb-tarief voor niet-woningen is rekening gehouden met het verlenen van een financiële bijdrage in de vorm van een subsidie aan het Ondernemersfonds Teylingen (het ondernemersfonds).

Geschil

4.
In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslagen ozb tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of de Verordening vanwege het vastgestelde (verhoogde) ozb-tarief voor niet-woningen, voor zover dit is geschied in verband met de financiering van het ondernemersfonds, verbindend is. De vastgestelde waarden van de onroerende zaken zijn niet in geschil.

5. Eiseres stelt - kort samengevat - dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, dat de wijze van totstandkoming van het ondernemersfonds in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat sprake is van omzeiling van de rechterlijke controle.

6. Verweerder stelt dat de gemeente vrij is in de vaststelling van de tarieven van de ozb en de wijze van aanwending van de belastingopbrengst. Daarnaast is volgens verweerder geen sprake van strijd met enig rechtsbeginsel of enige wettelijke bepaling.

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank overweegt dat de vaststelling van het ozb-tarief een zelfstandige bevoegdheid is van de gemeenteraad. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om over de tarieven te oordelen, tenzij de tariefstelling of tariefstijging in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, dan wel in strijd is met enig rechtsbeginsel (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7497).

8. Niet gebleken is dat de in de Verordening opgenomen ozb-tarieven voor niet-woningen in strijd met de relevante wettelijke bepalingen zijn vastgesteld. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een willekeurige of onredelijke belastingheffing, dan wel van strijd met enig rechtsbeginsel. Het staat de gemeente immers vrij om de opbrengsten van een algemene belasting ter verwerving van inkomsten door de gemeente, zoals de ozb, te besteden aan het ondernemersfonds (zie Gerechtshof Leeuwarden 15 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:731, rechtbank Noord-Nederland 29 april 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2308 en rechtbank Gelderland 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4534).

9. In de omstandigheid dat de tariefsverhoging van de ozb mede ziet op een financiële bijdrage aan het ondernemersfonds, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de ozb wordt geheven voor een ander doel dan inkomstenverwerving door de gemeente. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in dit geval de opbrengsten van de ozb niet direct naar het ondernemersfonds gaan, maar vervolgens als subsidie uit de algemene middelen aan het ondernemersfonds worden verstrekt. De omstandigheid dat eigenaren van bepaalde categorie niet-woningen het ondernemersfonds kunnen verzoeken om restitutie van een gedeelte van de (verhoogde) ozb, raakt de ozb-heffing niet en kan daarom niet een willekeurige en onredelijke belastingheffing tot gevolg hebben dan wel leiden tot een schending van artikel 217 van de Gemeentewet.

10. De omstandigheid dat het ondernemersfonds belast is met de uitvoering van deze retributieregeling en niet de gemeente, doet (juist) geen afbreuk aan de afzonderlijke bevoegdheid van de gemeente om een ozb te heffen ten behoeve van de algemene middelen. Zelfs niet als daarbij vaststaat dat die algemene middelen mede aangewend zullen worden voor een financiële bijdrage aan dat ondernemersfonds. Naar het oordeel van de rechtbank is met betrekking tot de onder de retributieregeling vallende categorie niet-woningen evenmin sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat ook voor deze categorie niet-woningen hetzelfde (verhoogde) ozb-tarief is toegepast.

11. Hetgeen eiseres overigens nog met betrekking tot de wijze van totstandkoming van het ondernemersfonds en de uitvoering van de retributieregeling heeft aangevoerd, kan geen grond verschaffen voor het oordeel dat de Verordening onverbindend verklaard moet worden. Het staat de gemeente vrij om een ondernemersfonds tot stand te (doen) brengen dan wel financiële middelen aan een ondernemersfonds ter beschikking te stellen. Anders dan bij de invoering van een Bedrijveninvesteringszone, is daarvoor het bestaan van draagvlak geen wettelijk vereiste. In dat verband bestaan evenmin wettelijke vereisten voor

de invoering en/of wijziging van het tarief van de ozb dan wel met betrekking tot de besteding van de verkregen algemene middelen.

12. Anders dan eiseres stelt, is in het kader van de uitvoering van de retributieregeling geen sprake van omzeiling van de rechterlijke controle door de belastingrechter. De restitutieregeling betreft immers geen belastingheffing. Dat evenmin sprake is van voor beroep vatbare besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat niet anders. Eisers beroep op artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden treft dan ook geen doel. Bij dit alles gaat eiseres er aan voorbij dat in het kader van de hier geldende rechtsbescherming altijd een beroep kan worden gedaan op de civiele rechter als zogeheten rest-rechter op grond van gesteld onrechtmatig handelen.

13. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de gemeente als regelgever dan wel als uitvoerder overigens heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

14. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om wegens de tariefstelling dan wel de tariefsverhoging de Verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend te verklaren.

15. Nu de onderhavige aanslagen ozb met inachtneming van de aan de onroerende zaken toegekende waarden en overeenkomstig de in artikel 5 van de Verordening genoemde tarieven zijn opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen aan eiseres zijn opgelegd.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

18. Voor toekenning van een schadevergoeding bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, voorzitter, en mr. M.A. Dirks en

mr. D.M. Drok, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.