Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2333

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
AWB 18/4519, AWB 18/448 en AWB 18/2886
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(adequate en beschikbare) Opvang aan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen. Artt. 3 & 8 EVRM. Geen gehoor gegeven aan eerdere uitspraken. Beroep gegrond, rechtbank voorziet zelf en draagt verweerder op eiser te plaatsen.

De rechtbank heeft verweerder meermalen opgedragen, althans in ieder geval de gelegenheid gegeven, om nader onderzoek te verrichten naar de vraag of de VBL een adequate opvangvoorziening voor eiser is gezien zijn medische beperkingen en of verweerder daarom – in het licht van de artikelen 3 en 8 EVRM – met het aanbod tot opvang aldaar kan volstaan. Verweerder heeft dat nader onderzoek niet verricht en ook in deze procedure heeft hij zich niet bereid verklaard onmiddellijk gehoor te geven aan de oproep noodzakelijk onderzoek te verrichten.

Bij die stand van zaken moet de rechtbank ervan uitgaan dat verweerder de stellingen van eiser over de voorwaarden die aan de opvang van eiser moeten worden verbonden, niet langer bestrijdt en niet langer betwist dat opvang in de VBL van eiser in het licht van de artikelen 3 en 8 EVRM niet kan worden gevergd. Verweerder heeft niet bestreden dat opvang in de opvanglocatie Daalburgh van het Leger des Heils in Amsterdam voor eiser wel een adequate vorm van opvang is. Eiser behoeft stante pede adequate opvang. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank geen andere oplossing dan op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb zelf in de zaak te voorzien door verweerder op dragen eiser onmiddellijk op verweerders kosten op te vangen in opvanglocatie Daalburgh. Indien plaatsing daar feitelijk onmogelijk blijkt, dient verweerder eiser onmiddellijk opvang te bieden of te doen bieden in een vergelijkbare voorziening elders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/4519, AWB 18/448 en AWB 18/2886 (gevoegde zaken)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 januari 2019 in de zaken tussen

[eiser] , ook geschreven als: [eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van (gestelde) Iraakse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Kallenbach, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

AWB 18/4519:

Op 14 juli 2016 heeft verweerder geweigerd aan eiser opvang te bieden in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL).


Bij besluit van 15 september 2016 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2017 (AWB 16/22607) heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moest nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Bij uitspraak van 22 augustus 2017 (201702775/1/V1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bij besluit van 25 september 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en bepaald dat aan hem onderdak zal worden verleend in de VBL in afwachting van nader medisch onderzoek dat verweerder zal (laten) verrichten.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 september 2017.

Bij uitspraak van 23 november 2017 (AWB 17/14603) heeft deze rechtbank en zittingsplaats eisers beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 25 september 2017, gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 25 september 2017 vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuw besluit diende te nemen op het bezwaar van eiser.

Het door verweerder tegen die uitspraak bij de Raad van State ingediende hoger beroep is op 26 januari 2018 (201710361/1/V1, 201710361/2/V1 en 201710361/3/V1) ongegrond verklaard.

Op 15 februari 2018 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar.

Bij uitspraak van 29 maart 2018 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep (AWB 18/1116) tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen alsnog een besluit te nemen op het bezwaar binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak. Ook heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.

Bij besluit van 8 juni 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser primair niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 25 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

AWB 18/448:

Op 23 oktober 2017 heeft eiser aan verweerder verzocht om toegang tot beschermd wonen.

Op 30 oktober 2017 heeft verweerder eiser bericht dat hij eiser geen toegang tot beschermd wonen kan geven, maar dat eiser zich wel kan melden bij de VBL in Ter Apel.

Eiser heeft op 6 november 2017 tegen dat bericht bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 januari 2018 heeft verweerder eisers bezwaar van 6 november 2017 kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

AWB 18/2886:

Bij brief van 5 maart 2018 heeft eiser verweerder verzocht hem in verband met (vervolg)opvang mee te delen welke redelijke en kenbare eisen verweerder aan hem stelt om tot een duurzame oplossing voor eisers verblijfsprobleem te komen.

Op 6 maart 2018 heeft verweerder de ontvangst van de brief van eiser bevestigd.

Op 6 april 2018 heeft eiser verweerder aangemaand om een besluit op zijn verzoek van 5 maart 2018 te nemen.

Op 18 april 2018 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Verweerder heeft op 1 juni 2018 een verweerschrift ingediend.

Op 5 juni 2018 heeft eiser, in reactie op het verweerschrift, aanvullende gronden van beroep ingediend.

Bij brief van 5 juli 2018 heeft verweerder, in antwoord op het verzoek van eiser van 5 maart 2018, eiser informatie verstrekt over zelfstandige terugkeer naar Irak, gewezen op de mogelijkheid om te verzoeken om medisch noodzakelijke zorg op grond van artikel 10 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag buiten schuld en/of artikel 64 Vw.

Eiser heeft deze reactie van verweerder opgevat als besluit op zijn verzoek van 5 maart 2018, althans een voor bezwaar vatbare handeling, en heeft hiertegen op 23 juli 2018 bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de reactie van verweerder en het bezwaar van eiser op de voet van artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in onderhavige procedure betrokken.

Verweerder heeft op 25 juli 2018 een tweede verweerschrift ingediend.

In alle zaken:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Gelijktijdig zijn ter zitting behandeld twee zaken waarin eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: b&w) partij zijn (zaaknummers AWB 16/27930 en AWB 18/1322). Die zaken hadden betrekking op opvang door de gemeente Amsterdam. B&w werden vertegenwoordigd door mr. T.F. Baars en mr. T.G. Waal, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Ter zitting heeft de rechtbank:

- de zaken AWB 18/4519, AWB 18/448 en AWB 18/2886 gevoegd op de voet van 8:14 Awb zodat alle in de verschillende zaken ingebrachte stukken in één beoordeling worden betrokken;

- op verzoek van eiser en buiten bezwaar van verweerder in afwachting van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (in de zaak met zaaknummer 17/7775 WMO15) het onderzoek ter zitting geschorst tot maandag 3 december 2018; en

- eiser opgedragen zich uiterlijk op die dag uit te laten over het gewenste vervolg van de procedure.

Eiser heeft zich op 9 augustus 2018 uitgelaten.

Verweerder heeft zich op 10 september 2018 uitgelaten. Eiser heeft daar op 12 september 2018 op gereageerd.

Op 5 oktober 2018 heeft eiser de rechtbank bericht.

Op 1 november 2018 heeft verweerder zijn reactie ingestuurd.

Op 7 januari 2019 heeft de rechtbank – nadat partijen hadden laten blijken geen nadere zitting te wensen – besloten dat een tweede zitting achterwege zal blijven en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. De rechtbank heeft eiser op grond van betalingsonmacht vooralsnog vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Verweerder heeft er in zijn brief van 10 september 2018 op gewezen dat eiser inmiddels over vermogen beschikt, omdat verweerder aan eiser € 7.260,- aan dwangsommen heeft toegekend. Eiser heeft dat niet bestreden. Dat betekent dat eiser niet langer voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking komt. De rechtbank zal de griffier daarom opdragen van eiser griffierecht na te heffen tot een bedrag van € 170,-, zijnde het tarief ten tijde van het indien van het eerste beroep. Aangezien de zaken zijn gevoegd, is eiser slechts eenmaal dat bedrag verschuldigd.

  2. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij met de beroepen beoogt dat aan hem – gezien zijn beperkingen – passende opvang wordt verstrekt door verweerder. Hij heeft bevestigd dat hij in wezen (uitsluitend) de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 8 juni 2018 ter beoordeling aan de rechtbank wil voorleggen. In dat besluit heeft verweerder, aldus eiser, zijn eerdere weigering gehandhaafd om aan hem in zijn ogen passende opvang te verstrekken. Eiser heeft voorts verzocht al hetgeen hij in de onderscheiden gevoegde dossiers heeft aangevoerd als onderbouwing van zijn beroep tegen het bestreden besluit aan te merken en als zodanig in de beoordeling te betrekken. Voor zover in de beroepen al andere voor bezwaar vatbare besluiten of handelingen ter beoordeling aan de rechtbank zijn voorgelegd, hoeft daarop, aldus eiser ter zitting, niet meer te worden beslist. De rechtbank begrijpt daaruit dat eiser geen belang meer heeft bij afzonderlijke beoordeling van het besluit van 30 januari 2018, het bericht van 5 juli 2018 en het beroep tegen niet tijdig beslissen van 18 april 2018, zodat de rechtbank over de rechtmatigheid van die (mogelijke) besluiten of (voor beroep vatbare) handelingen niet meer afzonderlijk hoeft te beslissen. De rechtbank zal hierna dan ook uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 8 juni 2018 beoordelen en daarbij – voor zover de rechtbank daar aan toe komt – alle relevante gronden en verweren betrekken die in de onderscheiden dossiers over en weer zijn aangevoerd, dan wel de correspondentie in de zaken voor zover die op het verzoek om opvang betrekking hebben als nadere standpunten van partijen over het bestreden besluit aanmerken.

  3. Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraken van 7 maart 2017, 23 november 2017 en 29 maart 2018. Samengevat heeft de rechtbank in die uitspraken het volgende vastgesteld. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser is op en af dakloos. Hij lijdt aan meerdere ernstige psychische stoornissen. Hij vertoont ernstig zelfbeschadigend gedrag. Hij is waarschijnlijk zwak begaafd en er is sprake van verslavingsproblematiek. Een steunnetwerk voor eiser ontbreekt. Eiser is aangewezen op een vorm van begeleid wonen in een beschermde woonomgeving met passende ondersteuning en structuur. Over eiser heeft de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) Amsterdam op 14 september 2017 een indicatie-advies uitgebracht. Het Forensisch Psychiatrisch Centrum [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft in een ontslagbrief van 1 september 2017 zijn bevindingen over eiser neergelegd. [naam 1] maakt onderdeel uit het Centrum voor Transculturele Psychiatrie ( [naam 1] / [naam 2] ).

  4. Eiser verbleef ten tijde van het bestreden besluit in de door de gemeente Amsterdam in het kader van het zogenoemde Programma Vreemdelingen georganiseerde en gefinancierde opvangvoorziening Daalburgh. De opvang aldaar wordt feitelijk verzorgd door het Leger des Heils. Op 1 augustus 2018 heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring gesteld. Eiser is vervolgens overgeplaatst naar [naam 1] . Ambtshalve is de rechtbank bekend met een verzoek om voorlopige voorziening dat eiser op 18 januari 2019 heeft ingediend. In dat verzoek stelt eiser dat hij op 15 januari 2019 uit detentie is ontslagen en op straat is gezet.

5. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser bij brief van 30 april 2018 heeft aangegeven dat hij op dat moment in opvanglocatie Daalburgh verblijft en de juiste zorg krijgt. Subsidiair heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, omdat eiser geen toestemming geeft voor medisch onderzoek. Verweerder stelt zich in beroep daarnaast nog op het standpunt dat eiser kennelijk noch onderdak in de VBL noch in [naam 1] / [naam 2] ambieert. Daarnaast is eiser, aldus verweerder, evenmin bereid mee te werken aan een medisch onderzoek teneinde inzicht te krijgen in zijn huidige gezondheidssituatie. Verweerder concludeert dat eiser geen onderdak van verweerder wenst. Daarom is verweerder van mening dat eiser geen procesbelang heeft bij het onderhavige beroep.

6. Eiser voert, voor zover thans nog van belang, aan dat hij wel degelijk belang heeft bij een inhoudelijke beslissing op zijn bezwaar (en beroep). Eiser mag, op basis van een crisis-indicatie van de GGD, slechts tijdelijk in opvanglocatie Daalburgh verblijven in afwachting van de beslissing van verweerder over opvang. In een brief van 8 augustus 2018 aan verweerder, die verweerder op 10 september 2018 heeft overgelegd, wijst eiser op het volgende. Door de inbewaringstelling maakt eiser geen gebruik meer van de opvang in Daalburgh. Als eiser niet alsnog voor eind augustus 2018 van de opvang daar gebruik maakt, is die voorziening niet meer beschikbaar. Het belang, dat er sinds 14 juli 2016 is, bestaat, aldus eiser, nu nog steeds. Met betrekking tot verweerders subsidiaire standpunt in het bestreden besluit van 8 juni 2018 voert eiser aan dat in het dossier genoeg informatie aanwezig is om te beslissen. Het standpunt van verweerder is al eerder aan deze rechtbank voorgelegd. Bij de uitspraak van 29 maart 2018 beroep (AWB 18/1116) heeft deze rechtbank en zittingsplaats bepaald dat nadere besluitvorming en eventueel onderzoek plaats diende te vinden op basis van de reeds beschikbare medische informatie.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat er reeds drie beroepsprocedures zijn gevoerd bij deze rechtbank en zittingsplaats, waarbij aan de orde is gekomen de rechtsvraag (ruim verwoord) of verweerder (terecht) heeft geweigerd om aan eiser (adequate) opvang te verlenen.


Zo heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 7 maart 2017 (AWB 16/22607), welke is bevestigd door de Raad van State bij uitspraak van 22 augustus 2017 (201702775/1/V1), onder meer het volgende overwogen:

2.4

De Afdeling 1 heeft in de uitspraak van 26 november 2015 ook overwogen dat verweerder uit het oogpunt van zorgvuldigheid rekening moet houden met het feit dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waaronder hij aan het bieden van onderdak niet bij voorbaat de voorwaarde mag verbinden dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor, indien uit hetgeen die vreemdeling aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid, althans voorlopig, niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan die vreemdeling om aan zijn verzoek zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen. Het voorgaande laat voormelde op die vreemdeling rustende plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten evenwel onverlet.

2.5

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij zijn eigen handelen niet kan overzien heeft eiser een lijvig patiëntendossier van GGD Amsterdam overgelegd waarin de medische geschiedenis van eiser van 18 februari 2013 tot en met 14 juni 2016 wordt beschreven. Uit dit patiëntendossier blijkt onder meer dat hij op en af dakloos is, dat hij aan meerdere ernstige psychische stoornissen lijdt, dat hij ernstig zelfbeschadigend gedrag vertoont, dat hij waarschijnlijk zwak begaafd is, dat er sprake is van verslavingsproblematiek en dat een steunnetwerk ontbreekt. Zonder nadere motivering van verweerder rechtvaardigt deze medische problematiek niet de conclusie dat in dit geval geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 2.4. De beroepsgrond slaagt.

3. (…) De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Immers, in zijn verweerschrift noch ter zitting heeft verweerder alsnog een deugdelijke motivering gegeven waarom in geval van eiser, gelet op de ingebrachte medische informatie, geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het niet meewerken aan zijn vertrek.

Vervolgens heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 november 2017 (AWB 17/14603), welke bevestigd is door de Raad van State bij uitspraak van 26 januari 2018 (201710361/1/V1, 201710361/2/V1 en 201710361/3/V1), onder meer het volgende overwogen:

7.2 (…)

Gelet op het voorgaande rust op verweerder, in het licht van de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 en 8 EVRM, de verplichting te onderzoeken of de VBL, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, voor hem een adequate vorm van opvang is die hem voldoende ondersteuning biedt om zijn fysieke en psychische integriteit te waarborgen. Daarbij zal hij in het bijzonder rekening moeten houden met de medische informatie die over verzoeker beschikbaar is. Het standpunt van verweerder dat in de VBL medisch noodzakelijke zorg beschikbaar is, is niet zonder meer voldoende voor de conclusie dat het onderdak in de VBL daarmee voor verzoeker ook een adequate vorm van opvang is, gelet op de door verzoeker overgelegde verklaringen van de GGD en [naam 1] , waaruit volgt dat hij is aangewezen op een vorm van begeleid wonen in een beschermde woonomgeving met passende ondersteuning en structuur.

(…)

7.5

Uit het voorgaande volgt dat thans nog niet duidelijk is of de opvang die verweerder voorlopig aan verzoeker heeft aangeboden in de VBL voor hem adequaat is in het licht van de medische verklaringen van de GGD en [naam 1] , of dat plaatsing in [naam 1] is aangewezen. Verweerder heeft in dit geval dan ook ten onrechte zonder nader onderzoek volstaan met het aanbod van onderdak in de VBL. Verweerder zal nu eerst door de medisch deskundigen van [naam 1] moeten laten onderzoeken, op basis van de reeds beschikbare medische informatie over verzoeker, of het bieden van onderdak in de VBL voor hem geschikt is of dat plaatsing in [naam 1] is aangewezen. Voor zover zij tot de conclusie komen dat de VBL voor verzoeker geen geschikte vorm van opvang is, en voor zover plaatsing van verzoeker in [naam 1] niet mogelijk is, zal verweerder nader moeten onderzoeken welke adequate vorm van opvang voor verzoeker wel beschikbaar is, en moeten bewerkstelligen dat hij daar ook feitelijk wordt toegelaten. Het standpunt van verweerder dat het aan verzoeker is om het aangeboden onderdak in de VBL te aanvaarden indien plaatsing in [naam 1] niet tot de mogelijkheden behoort, kan daarom niet zonder meer worden gevolgd.

Hierna heeft deze rechtbank en zittingsplaats, in de uitspraak van 29 maart 2018 (AWB 18/1116), in verband met het tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar ingestelde beroep, onder meer het volgende overwogen:

10. In eerdergenoemde uitspraak van 23 november 2017 van deze rechtbank en zittingsplaats wordt in overweging 7.5 onder meer het volgende overwogen.
“Verweerder zal nu eerst door de medisch deskundigen van [naam 1] moeten laten onderzoeken, op basis van de reeds beschikbare medische informatie over verzoeker, of het bieden van onderdak in de VBL voor hem geschikt is of dat plaatsing in [naam 1] is aangewezen. Voor zover zij tot de conclusie komen dat de VBL voor verzoeker geen geschikte vorm van opvang is, en voor zover plaatsing van verzoeker in [naam 1] niet mogelijk is, zal verweerder nader moeten onderzoeken welke adequate vorm van opvang voor verzoeker wel beschikbaar is, en moeten bewerkstelligen dat hij daar ook feitelijk wordt toegelaten.”

11. Uit voorgaande overweging leidt de rechtbank af dat het nader onderzoek diende plaats te vinden op basis van de reeds beschikbare medische informatie waarvoor verweerder zes weken de tijd is gegund. Voorts zijn sinds de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2018 ruim twee maanden verstreken. Gelet hierop heeft verweerder reeds meer dan zes weken en inmiddels ruim drie maanden de tijd gehad om een besluit op bezwaar te nemen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding een andere termijn te stellen dan de termijn van twee weken als genoemd in artikel 8:55d, eerste lid, van de . (…)

8. Het meest verstrekkende geschilpunt is of eiser procesbelang heeft bij het onderhavige beroep. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat dat belang ontbreekt, omdat eiser geen opvang van verweerder (in de VBL of in [naam 1] / [naam 2] ) zou wensen. Daarvoor is redengevend dat eiser steeds bestreden heeft dat de VBL voor hem, gezien zijn medische beperkingen en problemen, een passende vorm van opvang kan zijn. Er is, bij gegrondbevinding van die bezwaren van eiser tegen die opvang, geen sprake van onwil maar van onmacht, terwijl verweerder in wezen voortdurend alleen de VBL als opvangvoorziening aan eiser heeft aangeboden. Ten aanzien van [naam 1] / [naam 2] heeft verweerder tot heden ook nog steeds niet nader onderzocht of die vorm van opvang wel adequaat en beschikbaar is voor eiser. Tot op heden heeft eiser daar alleen op basis van vrijheidsontnemende maatregelen verbleven. Dat eiser er steeds op heeft gewezen en heeft aangevoerd dat het niet zijn voorkeur heeft om op basis van vreemdelingrechtelijke vrijheidsontnemende maatregelen of gedwongen opname op grond van de Wet bijzondere opneming psychiatrische patiënten daar te verblijven, rechtvaardigt niet de conclusie dat eiser de door verweerder geboden opvang, die voor hem adequaat zou zijn, niet wenst te aanvaarden. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 november 2017. Daarin is geoordeeld dat, voor zover geconcludeerd wordt dat de VBL voor eiser geen geschikte vorm van opvang is en plaatsing van eiser in [naam 1] niet mogelijk is, verweerder nader zal moeten onderzoeken welke adequate vorm van opvang voor eiser wel beschikbaar is en moeten bewerkstelligen dat hij daar ook feitelijk wordt toegelaten. Gelet daarop kan thans niet gezegd worden dat eiser onwillig is om de door verweerder aangeboden passende en voor hem als adequaat aangemerkte opvang, te accepteren. In het licht van het voorgaande en gelet op hetgeen eiser beoogt met deze beroepsprocedures zoals is uiteengezet onder rechtsoverweging 2, heeft eiser, een toereikend belang bij beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.

9. Ten aanzien van eisers beroep voor zover dat is gericht tegen het primaire standpunt van verweerder in het bestreden besluit, te weten de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder, bij de uitspraak van 23 november 2017, inzake de opvang van eiser heeft geoordeeld, rust, in het licht van de artikelen 3 en 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), op verweerder – en niet een ander bestuursorgaan – de verplichting aan eiser als niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, in het licht van zijn persoonlijke omstandigheden, noodzakelijke en adequate opvang te bieden om zijn fysieke en psychische integriteit te waarborgen (vgl. ook de uitspraken van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3415 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834). Die verplichting rust derhalve niet op de gemeente Amsterdam. Het argument van verweerder dat eiser geen belang heeft bij opvang door verweerder, omdat eiser opvang wordt verleend door de gemeente Amsterdam, is dan ook niet steekhoudend. Dit geldt temeer nu de opvang die de gemeente Amsterdam aan eiser bood in de opvanglocatie Daalburgh, zoals van die zijde ter zitting ook is bevestigd, voorwaardelijk was in afwachting van de beslissing van verweerder over (passende) opvang voor eiser. Verweerder heeft dus ten onrechte het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepsgrond slaagt.

10. Ten aanzien van eisers beroep voor zover dat is gericht tegen het subsidiaire standpunt van verweerder, namelijk de ongegrondverklaring van het bezwaar omdat eiser geen toestemming zou hebben gegeven voor medisch onderzoek, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de twee voornoemde uitspraken van 23 november 2017 en 29 maart 2018 volgt dat verweerder nog noodzakelijk geacht nader onderzoek diende te (laten) verrichten (door bijvoorbeeld de medisch deskundigen van [naam 1] ) op basis van de reeds beschikbare medische informatie over eiser. Verweerders standpunt dat eiser hem geen ondertekende toestemmingsverklaring heeft doen toekomen en dat het derhalve voor verweerder niet mogelijk was om nader onderzoek te verrichten, kan om die reden niet worden gevolgd. Ook in zoverre slaagt het beroep.

11. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit gelet op het voorgaande vernietigen. Verweerder heeft de artikelen 3:2, 7:12 en 8:72, vierde lid, Awb geschonden.

12. De rechtbank zal hierna onderzoeken of zij zelf in de zaak kan voorzien.

13. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank verweerder meermalen heeft opgedragen, althans in ieder geval de gelegenheid heeft gegeven, zoals blijkt uit de hiervoor onder rechtsoverweging 7 weergegeven uitspraken, om nader onderzoek te verrichten naar de vraag of de VBL een adequate opvangvoorziening voor eiser is gezien zijn medische beperkingen en of verweerder daarom – in het licht van de artikelen 3 en 8 EVRM – met het aanbod tot opvang aldaar kan volstaan. Verweerder heeft dat nader onderzoek niet verricht. Bij die stand van zaken moet de rechtbank ervan uitgaan dat verweerder de stellingen van eiser over de voorwaarden die aan de opvang van eiser moeten worden verbonden, niet langer bestrijdt en niet langer betwist dat opvang in de VBL van eiser in het licht van de artikelen 3 en 8 EVRM niet kan worden gevergd. Verweerder heeft ook niet onderzocht of onderbouwd dat opvang van eiser in [naam 1] /VBL mogelijk is en in het licht van de artikelen 3 en 8 EVRM een adequate opvang voor eiser kan vormen. Dat eiser daar bij wijze van detentie ondergebracht is geweest, betekent nog niet dat [naam 1] / [naam 2] voor hem een adequate vorm van opvang is. Daarbij is van belang dat verweerder bij het bestreden besluit een brief van [naam 1] / [naam 2] van 23 maart 2018 heeft gevoegd. In die brief geeft [naam 1] / [naam 2] aan dat aanmelding en onderzoek voor plaatsing in [naam 1] / [naam 2] via het MOO Amsterdam verloopt. Die route heeft verweerder ook niet bewandeld.

14. Verweerders standpunt in zijn brief van 1 november 2018 dat eiser zelf een zorgverlener zou moeten bewegen tot het bieden van een woonomgeving die voor eiser gelet op zijn medische toestand adequaat is, brengt nog niet mee dat verweerder niet gehouden is aan eiser een vorm van opvang te bieden in het licht van de artikelen 3 en 8 EVRM. Uitgangspunt is immers dat eiser in deze zaak van verweerder adequate opvang wenst en niet om zorgverlening verzoekt.

15. Verweerder heeft niet bestreden dat opvang in de opvanglocatie Daalburgh van het Leger des Heils in Amsterdam voor eiser wel een adequate vorm van opvang is. Verweerder heeft meermalen geen gehoor gegeven aan hetgeen hem bij uitspraken van deze rechtbank was opgedragen. Ook in deze procedure heeft hij zich niet bereid verklaard onmiddellijk gehoor te geven aan de oproep noodzakelijk onderzoek te verrichten. Eiser behoeft stante pede adequate opvang. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank geen andere oplossing dan op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb zelf in de zaak te voorzien door verweerder op dragen eiser onmiddellijk op verweerders kosten op te vangen in opvanglocatie Daalburgh. Indien plaatsing daar feitelijk onmogelijk blijkt, dient verweerder eiser onmiddellijk opvang te bieden of te doen bieden in een vergelijkbare voorziening elders.

16. Verweerder dient op grond van 8:74 Awb het van eiser nageheven griffierecht aan hem te vergoeden.

17. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.048,- (1 punt per beroepschrift (3 beroepschriften totaal) en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- draagt de griffier op van eiser een bedrag van € 170,- aan griffierecht te heffen;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2018;

- draagt verweerder op eiser onmiddellijk op zijn kosten te plaatsen in de opvanglocatie Daalburgh van het Leger des Heils te Amsterdam, of – indien dat (feitelijk) niet mogelijk blijkt – eiser onmiddellijk op verweerders kosten in een vergelijkbare andere opvangvoorziening te plaatsen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- voor zover het beroep niet was gericht tegen het bestreden besluit van 8 juni 2018, verklaart de rechtbank het beroep, zoals onder rechtsoverweging 2 overwogen, bij gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk;

- draagt verweerder op het griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 2.048,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van Y.D. Ancion, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Bedoeld wordt: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.