Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
NL 18.10469 en NL 18.10470 en NL 18.10471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers (familie) zijn Gülenaanhangers. Vader heeft gewerkt als docent bij verschillende Dershana (particuliere cursussen) van de Hizmet beweging in Turkije en op verschillende Hizmet scholen in Irak. Moeder heeft als vrijwilliger gewerkt op de Gülen-scholen in Irak, voor de Hizmet-beweging en voor Kimse Yok Mu. Verweerder heeft niet alle elementen als aparte elementen genoemd en niet deugdelijk gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Verweerder dient verder nader onderzoek te verrichten naar de situatie van Gülenaanhangers in Turkije, de procesvoering en de situatie in de gevangenissen, voordat hij de zwaarwegendheid van de geloofwaardige elementen van de asielrelazen van eisers op juiste wijze kan beoordelen. Verweerder zal in de beoordeling van de zwaarwegendheid alle relevante elementen moeten betrekken. Het beroep is gegrond en verweerder zal nieuwe besluit moeten nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

Zaaknummers: NL18.10469, NL18.10470 en NL18.10471

V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , eiser

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , eiseres I

mede namens haar minderjarige kinderen:

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

en

[eiser(es)] ,

geboren op [geboortedatum] ,

en

[eiser(es)] ,

geboren op [geboortedatum] , eiseres II

allen van Turkse nationaliteit,

tezamen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. E. Arslan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 24 mei 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 10 oktober 2017 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 1 juni 2018 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 21 september 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Elias als gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig, [naam] , tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft, tezamen met de behandeling van NL18.10470 en NL18.24388, plaatsgevonden op 15 januari 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

De relazen

1.1

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft jarenlang gewerkt als docent bij verschillende Dershana (particuliere cursussen) van de Hizmet beweging. In verband met een conflict tussen de regering van Erdogan en de beweging van Gülen werden in 2013 de Dershana gesloten en zijn voor eiser in Turkije de problemen begonnen. Eiser werd werkloos en buitengesloten in de samenleving. Eiser heeft Turkije toen verlaten en is gaan werken in Irak bij diverse Hizmet scholen. Zijn kinderen hebben ook op Hizmet scholen gezeten. Verder heeft eiser verklaard dat hij rekeningen had bij [naam] . Omdat de paspoorten van zijn kinderen verliepen, moest eiser nieuwe paspoorten aanvragen in verband met de verblijfsvergunningen voor de [regio] in Irak, waar zij op dat moment verbleven. Onder druk van de Turkse regering moesten de Hizmet scholen in Irak worden gesloten en moesten eiser en zijn collega’s overgedragen worden. Uit angst hiervoor dan wel voor een ontvoering van de zijde van de MIT (Turkse inlichtingendienst) heeft eiser met zijn gezin besloten Irak te verlaten en in Nederland asiel aan te vragen.

1.2

Eiseres I heeft naast het voorgaande aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij als vrijwilliger heeft gewerkt op de Gülen -scholen in Irak, voor de Hizmet -beweging en voor Kimse Yok Mu . De minderjarige kinderen hebben zich beroepen op de asielrelazen van hun ouders.

De bestreden besluiten

2.1

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiser onderscheiden:

a. eiser heeft verklaard dat hij [eiser] is en dat hij de Turkse nationaliteit bezit;

b. eiser heeft verklaard dat hij een aanhanger van Gülen is;

c. eiser heeft verklaard dat hij in Turkije gewerkt heeft als docent bij verschillende huiswerkinstituten van de Hizmet -beweging. Hij heeft hiertoe nog verklaard dat in 2013 het huiswerkinstituut waar hij op dat moment werkzaam was, gesloten is op last van de Turkse overheid;

d. eiser heeft verklaard dat hij in juli/augustus 2013 samen met zijn gezin naar Irak vertrokken is omdat hij via een vriend daar een baan als [functie] op een zogenaamde Gülen -school kon krijgen;

e. eiser werkt van 2013 tot oktober 2017 in [plaatsnaam] , Irak. De directe aanleiding voor zijn vertrek uit Irak was dat de Gülen -scholen in Irak werden overgenomen door de overheid en leraren vervangen werden door lokale leraren;

f. eiser heeft verklaard dat het Turkse consulaat in mei 2017 geweigerd heeft om de paspoorten van zijn kinderen te verlengen. Daarnaast vernam hij van de nieuwe eigenaar van de school dat zijn naam op een lijst staat van mensen die uitgezet moesten worden naar Turkije. Eiser vreest dat hij door de Turkse veiligheidsdienst ontvoerd zou worden en besluit om Irak met zijn gezin te verlaten;

g. eiser vreest dat hij bij terugkeer in Turkije gearresteerd zal worden omdat hij aanhanger van de Gülen -beweging is en op Gülen -scholen gewerkt heeft. Daarnaast heeft hij vernomen dat zijn naam op een lijst zou staan van mensen die gezocht worden vanwege het organiseren van de poging tot staatsgreep op 15 juli 2016.

2.2

In het asielrelaas van eiseres I heeft verweerder de volgende relevante elementen onderscheiden:

a. eiseres I heeft verklaard dat zij [eiseres] is en dat zij de Turkse nationaliteit bezit;

b. eiseres I heeft verklaard dat zij een aanhanger van Gülen is;

c. eiseres I heeft verklaard dat zij in Turkije vrijwilligerswerk heeft verricht voor de Hizmet ‑beweging en voor Kimse Yok Mu . Verder heeft eiseres I verklaard dat zij in Irak eveneens op Gülen -scholen heeft gewerkt als vrijwilliger. Eiseres I heeft verklaard dat zij zich met public relations bezighield;

d. eiseres I heeft verklaard dat zij in juli/augustus 2013 samen met haar gezin naar Irak vertrokken is. Haar echtgenoot (eiser) was in Turkije werkzaam bij huiswerkinstituten van de Gülen -beweging. Toen deze huiswerkinstituten gesloten werden, kreeg haar echtgenoot via een vriend in Irak een baan als docent op een zogenaamde Gülen -school;

e. eiseres I heeft tot 4 oktober 2017 in [plaatsnaam] , Irak gewoond. De directe aanleiding voor haar vertrek uit Irak was dat de Gülen -scholen in Irak werden overgenomen door de overheid en leraren vervangen werden door lokale leraren;

f. eiseres I heeft verklaard dat het Turkse consulaat in mei 2017 geweigerd heeft om de paspoorten van haar kinderen te verlengen. Daarnaast vernam zij van het bestuur van de school waar haar man werkte dat de namen van haarzelf en haar gezinsleden op een lijst van mensen staan die uitgezet moesten worden naar Turkije. Eiseres I vreest dat zij door de Turkse veiligheidsdienst ontvoerd zal worden en besluit om Irak met haar gezin te verlaten;

g. eiseres I heeft verklaard dat zij in Irak achtervolgd werd door MIT (Turkse veiligheidsdienst);

h. eiseres I vreest dat zij bij terugkeer in Turkije gearresteerd zal worden omdat zij aanhanger van de Gülen -beweging is en als vrijwilliger op Gülen -scholen gewerkt heeft. Zij vreest dat haar hetzelfde zal overkomen als haar nicht [naam] en haar broer [naam] die eveneens gearresteerd zijn door de Turkse overheid wegens betrokkenheid bij de Gülen ‑beweging.

2.3

Verweerder acht elementen a tot en met f van eiser geloofwaardig. Zijn vrees bij terugkeer naar Turkije (element g) is onder zwaarwegendheid getoetst. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft. Hiertoe acht verweerder van belang dat eiser nooit problemen heeft ondervonden van de Turkse autoriteiten en dat niet is gebleken dat eiser gezocht wordt door de Turkse autoriteiten. De enkele omstandigheid dat Gülenisten kunnen worden onderworpen aan een onderzoek dan wel strafvervolging is onvoldoende grond om aan te nemen dat eiser bij terugkeer zal worden vervolgd, aldus verweerder. De verwijzing van eiser naar zaken van andere families leidt niet tot het oordeel dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt, omdat alle zaken op hun eigen merites worden beoordeeld. Volgens verweerder komt eiser, bezien tegen de achtergrond van de huidige politieke en maatschappelijke situatie in Turkije, dus niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

2.4

Verweerder acht de elementen a tot en met f van eiseres I eveneens geloofwaardig. Element g acht verweerder niet geloofwaardig omdat haar verklaringen hierover vaag zijn en enkel gebaseerd op vermoedens. De vrees van eiseres I bij terugkeer naar Turkije (element h) is onder zwaarwegendheid getoetst. Verweerder heeft voor eiseres I ook aangenomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel dat sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM. Volgens verweerder komt eiseres I daarom ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

Beroepsgronden eisers

3. Eisers voeren aan dat niet alle relevante elementen zijn vastgesteld. Verder doen eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel en voeren zij aan dat zij zich niet kunnen verenigen met de afwijzing van dit beroep door verweerder. Het is niet inzichtelijk op grond van welke weging verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiser zich ten tijde van zijn vertrek met zijn gezin niet in een acute vluchtsituatie bevond. Ook is niet inzichtelijk op welke nieuwe landeninformatie en op basis van welke weging verweerder tot een ander inzicht en een andere beoordeling is gekomen dan in de zaken waar eisers naar hebben verwezen. Verweerder heeft verder verwezen naar het rapport van UK Home Office van februari 2018 en zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende aanleiding is om a priori aan te nemen dat standaard sprake zou zijn van gebrek aan een eerlijk proces. Volgens eisers is dit onjuist, waarbij zij hebben verwezen naar het rapport van US State Department van februari 2018. Daarnaast voeren eisers aan dat niet inzichtelijk is dat en waarom de beschikbare landeninformatie niet heeft geleid tot het aanwijzen van de Gülenisten als een kwetsbare minderheidsgroep dan wel risicogroep. Eisers verwijzen naar verschillende berichten, twee vonnissen van personen die ook in Noord -Irak hebben gewerkt in de scholen van de Gülen -beweging, uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juli 2018 en zittingsplaats Utrecht van 28 juni 2018 en zittingsplaats Middelburg van 31 mei 2018.

Beoordeling door de rechtbank

4.1

Volgens artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 brengt de vreemdeling alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren en is het aan verweerder om in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen te beoordelen. In Werkinstructie 2014/10 heeft verweerder nader uitgewerkt hoe deze toetsing wordt verricht. Volgens paragraaf 3.1 van deze Werkinstructie is de eerste stap het identificeren en vaststellen van de relevante elementen van het asielrelaas. Een relevant element wordt in de werkinstructie gedefinieerd als een feit of omstandigheid die raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM.

4.2

Eisers hebben landeninformatie overgelegd waarin criteria worden genoemd die de Turkse overheid hanteert om te bepalen of iemand een Gülen -aanhanger is. De volgende criteria worden genoemd1:

- investing money in [naam] ;

- being a member of any Gülen affiliated organization;

- using a text messaging app;

- making donation to “ Kimse Yok Mu ,” a Gülen affiliated humanitarian aid organization;

- being profiled although it is unconstitutional;

- being active and supportive of the Gülen Movement in social media;

- attending lectures and meeting organized by this group, who have not been convicted of any crime;

- being promoted quickly, which is, in fact, observed in Erdogan supporters in the bureaucracy;

- financially supporting Gülen affiliated organizations such as secular schools in Africa;

- reliable testimonies – only according to Erdogan regime – (taken under torture);

- having relationship with detained people;

- being snitched by, for example, a colleague or a neighbor;

- subscription to any magazine or daily affiliated by Gülen .

4.3

Eisers hebben een aantal elementen naar voren gebracht die naar het oordeel van de rechtbank relevant zijn voor een goede beoordeling van het asielrelaas:

- collega’s met wie eiser heeft gewerkt in Turkije aan de huiswerkinstituten van de Hizmet ‑beweging zijn gearresteerd in verband met het aan hen toegedichte lidmaatschap van een gewapende terreurorganisatie;

- eisers hebben een bankrekening gehad bij de [naam] en zij hebben hun bankrekening na 25 december 2013 niet opgezegd;

- de kinderen van eisers hebben na 25 december 2013 op de scholen van de Hizmet ‑beweging gezeten;

- eisers hadden abonnementen op de krant [naam] en verschillende tijdschriften van de Hizmet -beweging.

4.4

Deze elementen zijn door verweerder niet ongeloofwaardig gevonden. Verweerder heeft zich hierover in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hoewel niet alle elementen als aparte relevante elementen in het voornemen zijn genoemd, dat nog niet betekent dat ze niet zijn meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag van eisers. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerders besluitvorming daar onvoldoende blijk van geeft. De rechtbank is met eisers eens dat zij mede door voornoemde elementen als Gülenaanhangers kunnen worden beschouwd en dat zij ook daarom in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zijn of kunnen komen te staan. Deze elementen raken dan ook de kern van het asielrelaas van eisers en staan daarmee in verband met vluchtelingenschap dan wel een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen deze elementen aan te merken als aparte relevante elementen en al deze elementen kenbaar bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas van eisers te betrekken. Dat heeft verweerder niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de bestreden besluiten derhalve niet deugdelijk gemotiveerd in de zin dat eisers, gelet op het geloofwaardig geachte relaas en de voorgaande genoemde elementen, niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Nu dit gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de zwaarwegendheid, zal de rechtbank al hierom het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen.

5.1

Verder overweegt de rechtbank dat uit het bestreden besluit volgt dat verweerder geloofwaardig acht dat eisers door de Turkse autoriteiten worden aangemerkt als Gülenaanhangers . Verweerder heeft dit op de zitting ook nog eens bevestigd. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en op de zitting echter op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Bovendien betekent de kans dat eisers bij terugkeer strafrechtelijk worden vervolgd en gedetineerd vanwege hun hoedanigheid van Gülenaanhangers , volgens verweerder niet dat de drempel van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin wordt gehaald. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat uit het UK Home Office Report van februari 2018 en het rapport van de Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights van 2018 blijkt dat een groot aantal van de na de couppoging gearresteerde personen weer zijn vrijgelaten, dat (vermeende) Gülenaanhangers hun ontslag kunnen aanvechten, dat een groot aantal ook weer hun baan terug heeft en dat er dus een eerlijke rechtsgang in Turkije bestaat. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat gelet op de beschikbare bronnen, waaronder de beschikbare landeninformatie, geen grond bestaat voor het aanwijzen van de Gülenisten als een kwetsbare minderheidsgroep dan wel risicogroep.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat Gülenisten in Turkije niet systematisch strafrechtelijk worden vervolgd en alleen al daarom ook niet als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder evenmin deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel en voorzienbaar risico lopen te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank wijst ter onderbouwing van haar beide oordelen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019 (www.raadvanstate.nl met nummer 201804801/1/V1) en maakt de rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.4.2 van de Afdeling in deze zaak de hare. De rechtbank voegt daar de volgende overwegingen aan toe. Uit de openbare bronnen waar eisers een beroep op hebben gedaan, komt een situatie naar voren waarin arbitraire arrestaties van Gülenaanhangers veelvuldig voorkomen, wat verweerder ook niet heeft betwist. Dat volgens verweerder sommige Gülenaanhangers ook weer worden vrijgelaten, doet niet af aan het feit dat uit algemene landeninformatie volgt dat Gülenaanhangers puur en alleen al om die reden een risico lopen te worden gearresteerd en gedetineerd.2 Ook is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd door verweerder dat sprake is van een eerlijke procesvoering in Turkije. Uit het UK Home Office Report van februari 2018, blijkt onder andere uit paragrafen 2.4.11, 9.1.1, 9.3.1 en 9.3.2 dat nog geen sprake is van een eerlijke procesvoering. Hieruit volgt onder andere dat de rechterlijke macht steeds vaker niet beschikbaar is, jonge rechters zijn benoemd die niet weten wat zij aan het doen zijn en niet de wet volgen. Ook blijkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de praktijk niet toegankelijk is, omdat er geen mogelijkheid is om alle rechtsmiddelen in Turkije uit te putten aangezien het hoogste rechtscollege in Turkije weigert zaken te behandelen. Het standpunt van verweerder dat uit het latere rapport van de Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights van 2018 blijkt dat in september 2017 effectieve binnenlandse rechtsmiddelen aanwezig waren, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om er a priori van uit te gaan dat sprake is van een eerlijk proces. Daarnaast komt uit de diverse rapporten geen eenduidig beeld naar voren over de situatie in de Turkse gevangenissen voor (gestelde) Gülenaanhangers .

Conclusie

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat nader onderzoek door verweerder nodig is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder (in elk geval) nader onderzoek dient te verrichten naar de situatie van Gülenaanhangers in Turkije, de procesvoering en de situatie in de gevangenissen, bijvoorbeeld via de weg van een nieuw algemeen ambtsbericht (het laatste dateert immers van juli 2013), alvorens hij de zwaarwegendheid van de geloofwaardige elementen van het asielrelazen van eisers op juiste wijze kan beoordelen. Verder zal verweerder in de beoordeling van de zwaarwegendheid alle relevante elementen moeten betrekken zoals is overwogen onder 4.3 en 4.4. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het onzeker is wanneer het benodigde onderzoek kan worden afgerond. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift vanwege de samenhang tussen de beroepen, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 512,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.G. Vos, voorzitter, mr. N.M. van Waterschoot en mr. A.K. Mireku, leden, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Zie onder andere het artikel ’13 criteria Erdogan regime uses to determine Gülen supporters are terrorists’ van 26 september 2016 in de Hizmet Movement News Portal.

2 Zie onder andere het rapport van US State Department van februari 2018, section 1, onder d.