Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2299

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AWB 17-10969 en 18-794 en 17-10970 en 18-795
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Discretionaire bevoegdheid / schrijnendheid / vaste gedragslijn / leugenachtige verklaringen / gelijkheidsbeginsel / Butt / ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/10969 en AWB 18/794 (beroepen)

AWB 17/10970 en AWB 18/795 (voorlopige voorzieningen)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 1 maart 2019 in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum ] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,

mede namens haar minderjarige kinderen,

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum ]

V-nummer: [V-nummer] , en

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedatum ] ,

V-nummer: [V-nummer] ,

allen van Armeense nationaliteit,

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

alsmede

[eiser 3] ,

geboren op [geboortedatum ] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

alias

[eiser 3] ,

geboren op [geboortedatum ] ,

van Armeense nationaliteit,

(gemachtigde: mr. A. Berends),

allen tezamen: eisers,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 6 april 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overige humanitaire redenen’ buiten behandeling gesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 mei 2017 (het bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

Op 24 mei 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers tegen dit besluit ontvangen. Eisers hebben daarbij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft bij brief van 17 oktober 2017 laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.

Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep en het verzoek van eiseres en haar minderjarige kinderen is behandeld op de zitting van 29 mei 2018. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om eisers te horen. Op 21 juni 2018 heeft verweerder eiseres en eiser afzonderlijk gehoord. Verweerder heeft op 21 augustus 2018 twee aanvullende besluiten genomen. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege betrekking op deze aanvullende besluiten. Het besluit ten aanzien van eiseres en de kinderen zal worden aangeduid als bestreden besluit II en die van eiser als bestreden besluit III.

Verweerder heeft op 21 november 2018 een nieuw verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft vervolgens de beroepen en verzoeken van eisers gevoegd behandeld op 31 januari 2019. Eiser en eiseres zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden, en de kinderen zijn bij gemachtigde verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook zijn verschenen [naam] en [naam] als tolken in de Armeense taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting vervolgens gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van de griffierechten

1. Eisers hebben een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierechten. Eisers hebben daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015,1 is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eisers vrijgesteld zijn van de verplichting tot het betalen van griffierecht in zowel de verzoeken om voorlopige voorziening als de beroepen.

Ten aanzien van de beroepen

Wat vooraf ging aan de beroepen

2. Eiser en eiseres verblijven sinds 2005 in Nederland. Zij zijn nimmer gehuwd geweest en hun relatie is ongeveer vijf jaar geleden geëindigd. Eiseres en eiser hebben op 28 september 2005 een asielaanvraag ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning heeft geleid. De kinderen van eiseres en eiser zijn geboren in [geboortejaar] en [geboortejaar] . In 2008 heeft verweerder een laissez-passer (lp) aangevraagd voor eisers bij de Armeense autoriteiten. De Armeense autoriteiten zijn niet overgegaan tot afgifte van een lp, omdat eisers niet bekend waren onder de naam die zij hadden opgegeven. In 2009 zijn eisers uit de opvang (vrijheidsbeperkende locatie) gezet en is de opvang geëindigd. Sinds

5 maart 2009 staan eisers niet meer ingeschreven bij een Nederlandse gemeente. Bij besluit van 23 juli 2013 is de aanvraag van eisers voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van de “definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen” afgewezen en is aan eisers een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd. In de brief van de [naam] van 17 juni 2014 alsmede het verzoek van de [naam] van 9 september 2015 heeft verweerder geen aanleiding gezien om een verblijfsvergunning te verlenen. Voorts heeft verweerder bij brief van 1 februari 2016 kenbaar gemaakt geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen. Op 2 februari 2016 hebben eisers verzocht om een “verklaring schrijnendheid”. Op 31 maart 2016 is hierop geantwoord. In december 2016 is er een gedragswetenschappelijke onderzoeksrapportage opgesteld door de [naam] . Op 21 juni 2018 geeft eiseres vervolgens openheid van zaken over de werkelijke identiteit van eiser almede ten aanzien van haar familie in Armenië. Eiseres heeft verklaard dat haar moeder nog in Armenië verblijft alsmede twee broers en een zus. Ook heeft zij verklaard dat zowel aan haar als aan eiser door de Armeense autoriteiten een nationaal paspoort is afgegeven.

3. Op 6 april 2016 doen eisers de aanvraag waar dit beroep over gaat. Eisers verzoeken verweerder om een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid af te geven. Zij doen een beroep op vrijstelling van leges op grond van artikel 3.34a, onder k, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000. Daarbij stellen zij dat sprake is van een schrijnende situatie. Op 21 juni 2018 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Op deze hoorzitting heeft eiseres onder andere verklaard dat zij maandelijks contact heeft met haar moeder en dat de kinderen hun oma ook één keer telefonisch hebben gesproken. Verder stellen eisers dat hun jongste zoon [naam] beperkt Armeens spreekt. Op de zitting van 31 januari 2019 heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij Armeens sprak met de kinderen toen hij nog deel uitmaakte van het gezin.

4. Verweerder heeft in eerste instantie afgezien van het horen, maar heeft eiseres en eiser later alsnog gehoord. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in eerste instantie ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres en eiser. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I dan ook gegrond. De rechtbank zal onderzoeken of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand te laten en zal in dit kader ook de overige gronden bespreken.

5. Eisers hebben de volgende schrijnende omstandigheden aangevoerd: eisers verblijven al sinds 2005 in Nederland, de twee kinderen zijn hier geboren en getogen, eiseres heeft sterke sociale banden met Nederland, is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en eiseres heeft medische problemen. Eiser heeft sinds de verbreking van zijn relatie met eiseres omgang gehad met zijn kinderen.

6. Verweerder heeft de aanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij geen leges hebben betaald en zij hier niet van kunnen worden vrijgesteld. In de situatie van eisers wordt immers geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning te verlenen. Er is – kort gezegd – geen sprake van een samenstel van omstandigheden dit een schrijnende situatie oplevert. Het bezwaar heeft verweerder in het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

7. De gemachtigde van eiseres heeft bij faxbericht van 24 januari 2019 verzocht om verdaging gelet op de politieke discussie over de uitbreiding van het zogenoemde “kinderpardon”. Ten tijde van de zitting was duidelijk dat het kinderpardon verruimd zal worden. Verweerder heeft zich verzet tegen verdaging. Volgens verweerder komen eisers weliswaar in aanmerking voor een herbeoordeling, maar het is nog niet bekend wanneer die herbeoordeling kan plaatsvinden en of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van die herbeoordeling. Verweerder wijst daarbij op de contra-indicaties in dit dossier. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze zaak aan te houden, omdat het niet duidelijk is op welke termijn de herbeoordeling zal plaatsvinden. De rechtbank zal daarom de onderhavige beroepen afdoen.

8. Eisers voeren aan dat verweerder niet draagkrachtig heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een schrijnende situatie. Zij stellen – kort gezegd – dat verweerder niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken en dat hij niet tot een juiste afweging daarvan is gekomen.

De regels voor het toepassen van de discretionaire bevoegdheid

9.1.

Bij aanvragen zoals de aanvraag die hier ter beoordeling ligt, is het volgende juridisch kader van toepassing.

9.2.

Uit artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 volgt dat verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling kan verlenen onder een andere beperking dan de beperkingen die in het eerste lid van dat artikel staan vermeld. Dit is de zogeheten discretionaire bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die niet op andere gronden voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt.

9.3.

In de Nota van Toelichting2 bij het Vb 2000 staat dat verweerder terughoudend van de discretionaire bevoegdheid gebruik zal maken. Omdat het hier om bijzondere onvoorziene gevallen gaat, zal de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag nadrukkelijk moeten aangeven waarom de verblijfsvergunning naar zijn mening moet worden verleend en de aanvraag met de nodige gegevens en bescheiden moeten onderbouwen.

9.4.

Verweerder geeft in de praktijk toepassing aan zijn discretionaire bevoegdheid als sprake is van omstandigheden die maken dat de situatie van een vreemdeling schrijnend is.

9.5.

In beginsel moet iedere vreemdeling leges betalen om een reguliere verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden kan de vreemdeling hiervan worden vrijgesteld. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 oktober 20163 is hierover het volgende overwogen. Een vreemdeling kan bij een aanvraag om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning met toepassing van de discretionaire bevoegdheid verzoeken om vrijstelling van het betalen van leges op grond van artikel 3.34a, onder k, van het Vreemdelingen Voorschrift 2000. In het kader van deze vrijstellingsverzoeken worden de schrijnende omstandigheden waar de vreemdeling zich op beroept ten volle beoordeeld. De leges-eis wordt niet tegengeworpen als verweerder tot de conclusie komt dat de schrijnende omstandigheden van de vreemdeling aanleiding geven om met toepassing van de discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning te verlenen.

Wanneer geeft verweerder toepassing aan zijn discretionaire bevoegdheid?

10. In de uitspraak van 6 april 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats,4 die in zoverre in hoger beroep is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 september 2018,5 is vastgesteld dat verweerder bij de toepassing van het eerder genoemd juridisch kader een vaste gedragslijn hanteert. Deze gedragslijn houdt het volgende in. Voor de toepassing van verweerders discretionaire bevoegdheid zijn de omstandigheden van langdurig verblijf en worteling in Nederland op zichzelf onvoldoende. Er dient sprake te zijn van een uniek samenstel van aanvullende factoren. Juist omdat het moet gaan om een uniek samenstel van factoren kan niet limitatief worden aangegeven welke omstandigheden daarbij van belang kunnen zijn, of welke omstandigheden daarbij een doorslaggevende rol spelen. Alle omstandigheden die de aanvrager in het kader van schrijnendheid aanvoert worden betrokken in de weging, waarbij sommige omstandigheden zwaarder wegen dan andere omstandigheden. Ook contra-indicaties worden in de weging betrokken. Deze vaste gedragslijn is neergelegd in een praktijkdocument die als bijlage bij de uitspraak van

6 april 2018 is gevoegd. Een aantal bij deze aanvragen veel voorkomende factoren alsmede contra-indicaties wordt daarin (niet-limitatief) opgesomd en uitgewerkt. Er wordt geen vast gewicht aan de factoren toegekend. Uit de beschrijving van de factoren in het praktijkdocument blijkt dat het gewicht dat aan een bepaalde factor wordt toegekend van geval tot geval kan verschillen.

Wat moet de rechtbank beoordelen?

11. Mede gelet op deze gedragslijn is de rechterlijke toetsing van de toepassing door verweerder van zijn discretionaire bevoegdheid tweeledig. Ten eerste moet worden getoetst of verweerder alle door de vreemdeling aangedragen omstandigheden in zijn besluitvorming heeft betrokken. Dat moet de rechtbank vol toetsen. Ten tweede moet de rechtbank de weging van de omstandigheden toetsen. Daarbij is van belang dat verweerder bij de weging van de omstandigheden beslissingsruimte heeft. Dat betekent dat de rechtbank moet toetsen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien niet maken dat er sprake is van een schrijnende situatie.

Mocht verweerder vinden dat geen sprake is van een schrijnende situatie?

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle door eisers aangevoerde omstandigheden in zijn besluitvorming heeft betrokken. Verweerder is ingegaan op de belangen van de kinderen,6 het rechtmatig verblijf van eisers, de medische omstandigheden, de aangevoerde gendergerelateerde omstandigheden, en het maatschappelijk belang.7 Ook heeft verweerder hierbij de situatie betrokken nadat eiseres openheid van zaken heeft gegeven.8 Voor zover eisers stellen dat verweerder ten onrechte de belangen van de kinderen niet voorop heeft gesteld en dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar het welzijn van de kinderen en de gevolgen die een “ontworteling” met zich mee zal brengen volgt de rechtbank dit betoog niet. Het is aan eisers om aan te tonen dat sprake is van schrijnende omstandigheden. In de overgelegde wetenschappelijke gedragsrapportage ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewijslast bij verweerder te leggen. Daartoe is relevant dat het rapport gedateerd is, want opgemaakt in december 2016. Bovendien is het rapport gebaseerd op leugenachtige verklaringen van eisers. In het rapport wordt bijvoorbeeld gesteld dat eisers geen familie in Armenië hebben en daar geen toekomst zien. Inmiddels is duidelijk geworden dat niet alleen de moeder van eiseres nog in Armenië woont, maar ook twee broers en een zuster met, zoals ter zitting is gesteld, een groot gezin. Dat eiseres zich door eiser gedwongen heeft gevoeld om de waarheid te verzwijgen, doet er niet aan af dat het rapport is gebaseerd op onjuiste gegevens en daarmee niet betrouwbaar is. Verder is niet duidelijk geworden of eiser ook nog familie in Armenië heeft. Eiser heeft weliswaar gesteld dat dit niet het geval is, maar hij heeft die stelling op geen enkele verifieerbare wijze onderbouwd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de niet onderbouwde verklaringen van eiser weinig betekenis kan worden toegekend, nu hij ruim dertien jaar lang heeft gelogen over zijn identiteit, het aan hem versterkte Armeense paspoort en de familie van eiseres in Armenië. Gelet op het voorgaande faalt het beroep van eisers dat verweerder niet alle omstandigheden in zijn besluitvorming heeft betrokken.

13.1.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien niet maken dat er sprake is van schrijnende omstandigheden.

13.2.

Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat de individuele omstandigheden onvoldoende gemotiveerd zijn. Ook zijn de omstandigheden niet in samenhang bezien met de “richtsnoerenbrief” uit 2007 en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op zorgvuldige wijze is onderzocht en beoordeeld. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op de gendergerelateerde omstandigheden als eiseres moet terugkeren naar Armenië. Als alleenstaande vrouw komt zij er alleen voor te staan, terwijl zij hier in Nederland hulp kan krijgen van diverse instanties. Weliswaar heeft eiseres familie daar, maar die zou haar niet kunnen helpen. Bovendien heeft eiseres daar geen werk en vreest eiseres dat eiser de kinderen bij haar zal weghalen.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden in samenhang bezien geen uniek samenstel van aanvullende factoren opleveren waardoor sprake is van een schrijnende situatie. Zoals hiervoor besproken volgt uit de vaste gedragslijn van verweerder niet hoe bepaalde omstandigheden moeten worden gewogen. De bijlage bij de richtsnoerenbrief, waarin wel een weging werd beschreven, is niet van toepassing op aanvragen van na 18 maart 2005.9 Hoe verschillende omstandigheden worden gewogen kan van geval tot geval verschillen. De stellingen van eisers dat bepaalde omstandigheden niet volgens het praktijkdocument zijn gewogen, slagen daarom niet. Verweerder heeft verder deugdelijk gemotiveerd hoe hij de aangevoerde omstandigheden heeft gewogen. Ten aanzien van de gendergerelateerde omstandigheden heeft verweerder kunnen concluderen dat niet is aangetoond dat eiseres zich als alleenstaande moeder niet staande zou kunnen houden in Armenië. De stelling van eiseres dat de mogelijkheid bestaat dat eiser de kinderen zal claimen is volstrekt niet onderbouwd en niet valt in te zien dat het contact tussen eiser en zijn zonen in Armenië niet op de huidige wijze zal worden voortgezet. Evenmin heeft eiseres onderbouwd dat haar familie haar niet kan beschermen of kan helpen bij het opbouwen van een nieuw bestaan. Verweerder heeft in dit kader voldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen.

Gelijkheidsbeginsel

15. Eisers hebben verder een beroep gedaan op 73 geanonimiseerde minuten van zaken waarin verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Eisers voeren aan dat verweerder het beroep op deze minuten onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting expliciet verwezen naar twee uitspraken van

23 oktober 201710 van deze rechtbank en zittingsplaats waarin volgens de vorige gemachtigde van eiseres sprake was van gelijke omstandigheden.

16.1.

De rechtbank volgt eisers niet in dit standpunt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet beoordeeld kunnen worden of de individuele omstandigheden van het geval overeenkomen. Uit de 73 - grotendeels weggelakte - minuten blijkt slechts in beperkte mate welke individuele omstandigheden in onderlinge samenhang bezien voor verweerder aanleiding hebben gegeven om een zaak te beoordelen als voldoende schrijnend voor toepassing van de discretionaire bevoegdheid. De rechtbank is reeds om die reden niet gebleken dat de volle omvang van de individuele omstandigheden in één of meer van die zaken overeenkomen met die van eiseres.

16.2.

Ten aanzien van het beroep op de uitspraken van 23 oktober 2017 overweegt de rechtbank als volgt. De enkele stelling van de huidige gemachtigde van eiseres dat de vorige gemachtigde bekend was met de feiten in die zaak en dat die van mening was dat sprake was van gelijke gevallen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Niet duidelijk is namelijk of bijvoorbeeld in die zaak ook sprake was van contra-indicaties. Ook is niet duidelijk wat het tijdspad is geweest in die zaak en of de weging van omstandigheden hetzelfde is geweest. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

17. Voor zover eisers hebben willen betogen dat het de kinderen niet valt te verwijten dat hun ouders het gezinsleven van meet af aan hebben gebaseerd op leugenachtige verklaringen omtrent hun identiteit, de aan hen afgegeven paspoorten en familie in het land van herkomst, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de ouders in dit geval aan de kinderen moet worden toegerekend, nu eiser en eiseres gebruik maken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien eiser en eiseres de juiste gegevens niet hadden verzwegen, dan was het gezin immers waarschijnlijk al in 2008 met een lp naar Armenië vertrokken. In dit verband verwijst de rechtbank naar het arrest Butt tegen Noorwegen van het EHRM van 4 december 2012,11 waaruit kan worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruik maken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

18. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand te laten. Het beroep gericht tegen de bestreden besluiten II en III zal de rechtbank ongegrond verklaren.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

19. Eisers hebben de rechtbank verzocht om verweerder te verbieden uit te zetten zolang nog niet is beslist op hun beroepen. Omdat de rechtbank nu op de beroepen heeft beslist bestaat geen aanleiding meer om dit verzoek toe te wijzen.

Ten aanzien van de beroepen en het verzoeken om een voorlopige voorziening

20.1.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers in bezwaar en beroep gemaakte kosten.

20.2.

Deze kosten stelt de rechtbank ten aanzien van eiseres vast op € 2.048,-

(0,5 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 29 mei 2018 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 31 januari 2019, in totaal 4 punten met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

20.3.

Ten aanzien van eiser stelt de rechtbank deze kosten vast op € 1.792,-

(0,5 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 29 mei 2018 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 31 januari 2019, in totaal 3,5 punten met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

20.4.

Terugbetaling van het griffierecht is niet aan de orde, vanwege de verleende vrijstelling.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummer: AWB 17/10969 en AWB 18/794:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de bestreden besluiten II en III, ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,-;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser tot een bedrag van € 1.792,-;

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummer: AWB 17/10970 en AWB 18/795:

- wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:CRVB:2015:282.

2 Staatsblad 2000, 497, p. 94.

3 JV 2017/55 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

4 Op het beroep geregistreerd onder nummer AWB 17/2491, ECLI:NL:RBDHA:2018:7514.

5 Hoger beroep geregistreerd onder nummer 201803855/1/V1, ECLI:NL:RVS:2018:3090.

6 Pagina 5 van het bestreden besluit I.

7 Pagina 4 van het bestreden besluit I.

8 Pagina 2 tot en met 5 van het bestreden besluit II en III.

9 Zie eerder genoemde uitspraak van 6 april 2018

10 AWB 17/13116 en AWB 17/10994

11 ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709.