Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AWB 18-4642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8 EVRM / recht op privéleven / niet in acht nemen rechterlijke uitspraak / motiveringsgebreken / beroepen gegrond / zelf in de zaak voorzien / belangenafweging / verlenen vergunningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/128 met annotatie van Stronks, M.C., Hutten, W.H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/6967 (beroep)

AWB 18/6968 (voorlopige voorziening)

AWB 18/4642 (beroep)

AWB 18/3286 (voorlopige voorziening)

V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 22 februari 2019 in de zaken tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum eiseres 1] , van Chileense nationaliteit, eiseres en verzoekster (eiseres I)

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedatum eiseres 2] , van Chileense nationaliteit, eiseres en verzoekster (eiseres II)

hierna ook samen te noemen: eiseressen

(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

AWB 18/6967 en 18/6968 (Eiseres I)

Bij besluit van 2 februari 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres I van 22 september 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Volgens verweerder is geen sprake van een rechtens te beschermen familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en bestaat geen grond voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 11 oktober 2016 ongegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 21 april 2017 het daartegen gerichte beroep gegrond verklaard en het besluit van 11 oktober 2016 vernietigd.1 Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard bij besluit van 24 juli 2017. Op 1 augustus 2018 heeft deze rechtbank het hiertegen gerichte beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 juli 2017 vernietigd.2 Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 11 september 2018 (het bestreden besluit I) vervolgens weer ongegrond verklaard.

Op 19 september 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres I ontvangen. Bij brief van dezelfde datum heeft zij de rechtbank verzocht verweerder bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden haar uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

AWB 18/4642 en AWB 18/3286 (Eiseres II)

Bij besluit van 2 mei 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres II van 17 januari 2018 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw met als doel privéleven afgewezen. Hiertegen heeft eiseres II op dezelfde datum bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht om verweerder bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden haar uit te zetten zolang nog niet op het bezwaar is beslist.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 juni 2018 (het bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

Op 21 juni 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres II ontvangen. Het verzoek van 2 mei 2018 wordt gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Alle procedures

De zaken zijn gevoegd behandeld op het onderzoek ter zitting op 17 januari 2019. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is, zoals vooraf aangegeven, niet verschenen. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten en doet in de beide zaken de onderhavige uitspraak.

Overwegingen

De situatie van eiseressen

1. Eiseressen zijn zussen. De vader van eiseressen is in 2001 Nederland ingereisd. In 2002 zijn eiseressen met hun moeder Nederland ingereisd om zich bij hun vader te voegen. Eiseressen waren toen ongeveer [leeftijd] en [leeftijd] oud. Het gezin heeft daarna in Nederland gewoond. Eiseressen zijn in Nederland naar school gegaan en hebben vervolgopleidingen gedaan. De tante van eiseressen, [naam] , woont in Nederland samen met haar gezin (echtgenoot, twee dochters en twee zoons). De tante heeft rechtmatig verblijf in Nederland en de leden van haar gezin hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseressen hebben sinds aankomst in Nederland veel contact met hen. Eiseres I had een relatie met [naam] ( [naam] ), van Nederlandse nationaliteit. Deze relatie is inmiddels verbroken. Eiseres I en eiseres II zijn inmiddels [leeftijd] respectievelijk [leeftijd] oud. Zij wonen niet meer bij hun ouders maar bij hun tante.

2. Eiseressen hebben meerdere aanvragen gedaan bij verweerder met het oog op rechtmatig verblijf in Nederland. Deze hebben niet geleid tot een verblijfsvergunning.

De procedure van eiseres I

3. Op 22 september 2015 heeft eiseres I de aanvraag gedaan waar haar beroep over gaat. Zij wil verblijf om het familieleven dat zij toen had met [naam] en nog steeds heeft met haar tante en diens gezin alsmede het privéleven dat zij in Nederland heeft opgebouwd te kunnen uitoefenen. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen omdat zij niet van het mvv-vereiste kan worden vrijgesteld op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verweerder is geen sprake van beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar tante en diens gezin. Ook heeft verweerder geen familieleven aangenomen met [naam] . Hoewel verweerder wel privéleven aanwezig acht, overstijgen volgens verweerder de in Nederland opgebouwde banden niet de gebruikelijke banden. Ook dit biedt daarom geen grond voor vrijstelling. Verweerder ziet geen andere gronden voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

4. Het bezwaar tegen het primaire besluit heeft verweerder voor het eerst ongegrond verklaard bij beslissing van 11 oktober 2016. Deze beslissing is vernietigd bij uitspraak van 21 april 2017 van deze rechtbank en zittingsplaats.3 Hoewel er geen sprake is van ‘more than emotional ties’ tussen eiseres I en haar tante en diens gezin, was de rechtbank van oordeel dat verweerder niet alle relevante omstandigheden in de belangenafweging had betrokken. Verweerder had onder andere de banden tussen eiseres I en [naam] moeten meenemen in de belangenafweging ten aanzien van het recht op privéleven, voor zover hij niet uitgaat van familieleven tussen eiseres I en [naam] .

5. Op 24 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Ook dit besluit is vernietigd door deze rechtbank en zittingsplaats. In haar uitspraak van 1 augustus 20184 was de rechtbank van oordeel dat verweerder nog altijd niet alle relevante omstandigheden in zijn belangenafweging in het kader van privéleven heeft meegenomen.

Eiseres moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben omdat zij een jongvolwassene is die hier haar vormende jaren heeft doorgebracht. De relaties met [naam] en die met haar tante en diens gezin maken deel uit van het privéleven van eiseres I en zij heeft hiermee een meer dan normaal sociaal netwerk opgebouwd. Zij hebben een grote steun geboden aan eiseres, een beschadigd kind met psychische problemen vanaf jonge leeftijd. Mede gelet op deze omstandigheden heeft verweerder met de gemaakte afweging en de motivering daarvan geen ‘fair balance’ gevonden. Verweerder heeft verder verzuimd om de medische omstandigheden mee te wegen. Eiseres I lijdt aan een dysthyme-stoornis en stemmingswisselingen. Zij heeft in het verleden psychotische klachten en suïcidale ideaties gehad, een poging tot suïcide gedaan en heeft onder (gedwongen) behandeling gestaan. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte aan eiseres I tegengeworpen dat haar ouders ervoor hebben gekozen om naar Nederland te reizen en langere tijd onrechtmatig hier te verblijven zonder geldige verblijfstitel. Eiseres I woont immers niet meer bij haar ouders maar bij haar tante en [naam] . Haar ouders kunnen geen verblijfsrecht ontlenen aan een verblijfsvergunning van hun dochter.

6. Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 1 augustus 2018. Hij heeft opnieuw beslist op het bezwaar bij het bestreden besluit en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe, zakelijk weergegeven, de volgende motivering gegeven.

6.1

Verweerder gaat wederom niet uit van beschermenswaardig familieleven tussen eiseres I en haar tante en haar gezin, noch tussen eiseres I en [naam] . Ten aanzien van het aangegane privéleven stelt verweerder zich op het standpunt dat de aangegane banden met Nederland niet zodanig zijn dat hij in het verblijf van eiseres I in Nederland moet berusten. Hoewel hij de keuzes van de ouders van eiseres om hier in weerwil van een vertrekplicht te blijven niet meer tegenwerpt, volgt uit die keuzes wel dat het privéleven van eiseres tijdens illegaal verblijf is ontwikkeld. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt dat in zulke gevallen alleen onder bijzondere omstandigheden reden bestaat om verblijf te laten voortduren op grond van artikel 8 van het EVRM. Van zulke omstandigheden is niet gebleken. Daarbij heeft verweerder het volgende van belang geacht. De sterke banden met Nederland van eiseres I zijn inherent aan langdurig verblijf hier. Er heeft nooit onduidelijkheid bestaan over het verblijfsrecht van eiseres I. Er is privéleven met tante, maar dat is onvoldoende, want er is geen sprake van ‘more than the emotional ties’. De medische situatie van eiseres I bindt haar niet exclusief aan Nederland. Dat de ouders van eiseres naar België zijn verhuisd is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De relatie van eiseres I met [naam] is volgens verweerder ook onvoldoende omdat zij niet samenwonen terwijl dat wel kan. Bovendien lijkt deze relatie te zijn verbroken. Van eiseres I mag worden verwacht dat zij terugkeert naar Chili, nu haar ouders zullen meegaan, eiseres I bekend is met taal en cultuur, zij daar familie heeft en een vervolgopleiding kan doen en omdat zij contact met klasgenoten en vriendinnen ook zonder verblijfsvergunning kan onderhouden. Verder acht verweerder van belang dat het lange verblijf van eiseres I niet aan Nederland te wijten is maar aan de ouders van eiseres I. Hoewel er sprake kan zijn van de in het door eiseres I overgelegde rapport van [naam] genoemde frustratie, verdriet en schade bij het niet verkrijgen van een verblijfsvergunning betekent dat volgens verweerder niet dat verblijf moet worden aanvaard.

De procedure van eiseres II

7. Op 17 januari 2018 heeft eiseres II de aanvraag gedaan die aan haar beroep ten grondslag ligt. Ook zij doet een beroep op familie- dan wel privéleven dat zij met haar tante en diens gezin heeft. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen in het primaire besluit II. Volgens verweerder is tussen eiseres II en eiseres I, noch tussen eiseres II en haar tante sprake van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook in het verband van het recht op privéleven heeft verweerder geen aanleiding gezien om eiseres II vrij te stellen van het mvv-vereiste, omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt.

8. Het bezwaar tegen het primaire besluit II heeft verweerder ongegrond verklaard in het bestreden besluit II. Verweerder handhaaft zijn standpunt wat betreft beschermenswaardig familieleven. Ook ziet verweerder in het bezwaar geen reden om de belangenafweging in het kader van het recht op privéleven in het voordeel van eiseres II te laten uitvallen. Daarbij heeft verweerder – samengevat – het volgende van belang geacht. Eiseres II is in 2002 Nederland ingereisd en heeft sindsdien geen rechtmatig verblijf gehad. Daarmee betreft de aanvraag een eerste toelating. Hoewel de keuze van de moeder van eiseres II om naar Nederland te komen zonder verblijfsrecht niet geheel aan haar kan worden verweten, kan dit niet op de Nederlandse staat worden afgewenteld en weegt dit element negatief mee in de belangenafweging. Dat eiseres een sterkere band heeft met Nederland dan met Chili is inherent aan langdurig verblijf. Over de rechtmatigheid daarvan heeft nooit onduidelijkheid bestaan. De banden die eiseres II met Nederland heeft opgebouwd zijn onvoldoende voor verweerder om in haar verblijf te berusten. Verder kan van haar verwacht worden dat zij naar Chili terugkeert omdat de taal en cultuur haar niet totaal onbekend zijn, zij terug zal keren samen met haar ouders en zus, zij in Chili ook verdere familie heeft en zij de contacten in Nederland kan onderhouden zonder verblijfsvergunning.

De beoordeling van de rechtbank

9. De rechtbank heeft, zoals al aangegeven, de zaken van eiseressen gevoegd behandeld op de zitting van 17 januari 2019. De rechtbank heeft er ook voor gekozen om haar beoordeling van de beide beroepen in één uitspraak op te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de zaken van beide zussen zodanig met elkaar verweven zijn dat het doen van twee afzonderlijke uitspraken in de zaken van eiseressen niet geëigend is. Los van de kwalificatie van hun band als beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zijn zij zussen, wonen zij al hun hele leven bij elkaar en vinden steun bij elkaar, zo blijkt uit het dossier en beider verklaringen op zitting. Dit wordt door verweerder ook niet betwist. Dit zijn banden die in ieder geval dienen mee te wegen in het kader van het recht op privéleven van allebei de zussen, waardoor de zaken van beide eiseressen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Ten aanzien van de griffierechten

10. Eiseressen hebben beiden verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank ziet in de overgelegde onderbouwende stukken aanleiding om deze verzoeken in te willigen.

Ten aanzien van de beroepen

11.1

Tegen de uitspraak van 1 augustus 2018 is geen hoger beroep ingesteld. Daarom moet de rechtbank eerst nagaan op welke beroepsgronden van eiseres I al door de rechtbank in de uitspraak van 1 augustus 2018 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel is gegeven. Uit de uitspraak van 1 augustus 2018 blijkt dat de rechtbank onder 7.2, naar aanleiding van de voorgedragen beroepsgronden, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat verweerder de keuzes van de ouders van eiseressen om in Nederland te blijven terwijl zij wisten dat zij moesten vertrekken ten onrechte aan eiseres I heeft tegengeworpen. Ook heeft de rechtbank naar aanleiding van de voorgedragen beroepsgronden, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud onder 7.3 van dezelfde uitspraak geoordeeld dat eiseres I in het kader van haar privéleven zeer sterke banden met Nederland heeft. De rechtbank is in de beroepsprocedure van eiseres I aan deze oordelen gebonden.

11.2

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of verweerder het bestreden besluit I in overeenstemming met de uitspraak van 1 augustus 2018 heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat niet gedaan heeft en overweegt daartoe als volgt. Verweerder erkent in het bestreden besluit I dat het de eerder genoemde keuzes van de ouders van eiseressen niet aan eiseres I mag tegenwerpen. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de keuzes van de ouders van eiseressen om in Nederland te blijven terwijl zij wisten dat zij moesten vertrekken, wederom en derhalve in strijd met het rechterlijk oordeel zoals vervat in de uitspraak van 1 augustus 2018, aan eiseres I heeft tegengeworpen. Verweerder stelt zich immers op het standpunt dat als uitgangspunt geldt dat alleen onder bijzondere omstandigheden verblijfsrecht toekomt aan een vreemdeling wanneer diens ouders konden of hadden moeten weten dat hun verblijfsrecht onzeker was, waarbij verweerder wijst op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 januari 20185 en het arrest Butt tegen Noorwegen.6 Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit I op het standpunt gesteld dat het lange verblijf van eiseres I in Nederland niet aan de Nederlandse overheid te wijten is. Verweerder verwijst daarbij naar het uitgangspunt dat van iedere vreemdeling wordt verwacht dat hij zelf meewerkt aan zijn vertrek als er een vertrekplicht bestaat. Aan deze verwachting heeft eiseres volgens verweerder niet voldaan zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. Verweerder motiveert vervolgens zijn standpunt met dat eiseres ruim tien jaren onrechtmatig verblijf heeft gehad, waarbij haar vader en moeder zich nimmer bij de autoriteiten hebben gemeld. Het onrechtmatig verblijf in Nederland van eiseres I heeft voor het grootste deel van haar leven echter voorbestaan tijdens haar minderjarigheid. In zoverre zijn de ouders daarvoor derhalve verantwoordelijk, terwijl de keuze van de ouders juist niet meer aan eiseres I mag worden tegengeworpen. Verweerder heeft verder geen onderscheid gemaakt tussen de periode dat eiseres I minderjarig was en de periode van drie jaren dat eiseres meerderjarig is. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat verweerder de keuzes van de ouders van eiseressen wederom en in strijd met het rechterlijk oordeel in de uitspraak van 1 augustus 2018 aan eiseres I heeft tegengeworpen. Reeds hierom is het beroep van

eiseres I gegrond.

12.1

In de procedure van eiseres II heeft verweerder de keuzes van de moeder van eiseressen aan haar tegengeworpen. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit II op het standpunt dat ook de acties van de ouders aan eiseres II kunnen worden toegerekend.

Eiseres II is ondanks meerdere negatieve beslissingen in Nederland gebleven. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft haar nooit kunnen spreken, omdat haar adres onbekend was. Verweerder heeft zich bij verweerschrift verder op het standpunt gesteld dat omdat er in het geval van eiseres II nog geen uitspraak door een rechtbank is gedaan, het eerdere standpunt van verweerder nog steeds aan eiseres II kan en zal worden tegengeworpen omdat er een risico is dat haar ouders gebruik zullen maken van haar verblijfspositie.

12.2

Zoals verweerder terecht stelt ligt er in de zaak van eiseres II geen uitspraak zoals in de zaak van eiseres I. Het bestreden besluit II dateert bovendien van vóór de uitspraak van 1 augustus 2018 en deze uitspraak ziet niet op eiseres II. Toch is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ook hier ten onrechte op het standpunt stelt dat de keuzes van de ouders van eiseressen aan eiseres II kunnen worden tegengeworpen. In de zaak van eiseres I kwam de rechtbank al eerder tot deze conclusie omdat in de uitspraak van 21 april 2017 al was geoordeeld dat eiseres I geen deel meer uitmaakte van het kerngezin en niet meer bij haar ouders woonde. Uit het dossier van eiseres II blijkt dat dit ook voor haar geldt. Verweerder heeft al in het primaire besluit II vastgesteld dat eiseres II geen gezinsleven met haar ouders uitoefent en bij haar tante verblijft. Hoe de ouders van eiseressen, die inmiddels meerderjarig zijn, gebruik kunnen maken van het verblijfsrecht van eiseres II ziet de rechtbank zonder nadere motivering niet in. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de keuzes van de ouders van eiseressen om in Nederland te blijven aan eiseres II kunnen worden tegengeworpen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Eiseressen hebben er terecht op gewezen dat zij meerdere terugkeergesprekken met de DT&V hebben gehad en dat zij zelf dus wel degelijk mee hebben gewerkt aan vertrek. Zij hebben dit onderbouwd met e-mails van hun regievoerder bij de DT&V. Het standpunt van verweerder dat de DT&V eiseres II nooit heeft kunnen spreken berust dus op een onjuiste feitelijke grondslag. Door de terugkeergesprekken niet mee te nemen heeft verweerder het bestreden besluit II onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Ook het beroep van eiseres II is daarom gegrond.

13.1

De vraag is vervolgens welke gevolgen deze gebreken voor de uitkomst van deze beroepsprocedures moeten hebben. Ter beantwoording van deze vraag en met inachtneming van de in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geformuleerde opdracht van de wetgever aan de bestuursrechter om geschillen zoveel mogelijk definitief te beslechten, overweegt de rechtbank het volgende.

13.2

De rechtbank ziet geen mogelijkheden om de gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De rechtbank acht het niet in acht nemen van een rechterlijke uitspraak door verweerder, zoals blijkt uit rechtsoverweging 11.2, een ernstig gebrek dat niet met toepassing van deze bepaling kan worden gepasseerd. Verder is het niet aannemelijk dat eiseressen door de gebreken niet zijn benadeeld. De onterechte tegenwerping van de keuzes van de ouders van eiseressen vormt een dusdanig belangrijk onderdeel van de weging en de motivering van verweerder, dat niet zonder meer gezegd kan worden dat zonder de gebreken de belangenafweging in het kader van het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM nog steeds in het nadeel van eiseressen was uitgevallen. De rechtbank ziet daarom geen plaats voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb en zal de bestreden besluiten vernietigen.

13.3

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag op welke wijze hij de onderhavige geschillen definitief kan beslechten. Vanwege de onder 9 genoemde samenhang tussen de zaken van eiseressen en gelet op hun onderlinge sterke band met elkaar, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak in de beide zaken dezelfde dient te zijn, opdat voor hen beiden duidelijkheid bestaat en zij ten opzichte van elkaar niet langer in onzekerheid verkeren.

13.4

De rechtbank overweegt verder dat, nu de bestreden besluiten zijn vernietigd, bij het doen van een uitspraak moet worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen tot en met het sluiten van het onderzoek ter zitting in de beide zaken. Deze stelt de rechtbank als volgt vast. Verweerder heeft vastgesteld dat eiseressen nu bij hun tante wonen. Eiseres I woonde eerst nog deels bij [naam] , maar dat is niet meer het geval. Niet in geschil is dat de relatie met [naam] is verbroken. Op zitting is duidelijk geworden uit de verklaringen van eiseressen en hun tante dat eiseres I nu volledig bij haar tante woont. Dat eiseressen beiden in hoge mate zijn ingeburgerd en veel werkzaamheden verrichten voor de [naam] is ook niet in geschil. In het geval van eiseres I staat – met de uitspraak van 1 augustus 2018 – in rechte vast dat tussen haar en Nederland zeer sterke banden bestaan. Verweerder stelt zich in het geval van eiseres II in het bestreden besluit II op het standpunt dat zij een sterke band met Nederland heeft. Naar aanleiding van het dossier van eiseres II, haar toelichting ter zitting en de verklaringen van meegebrachte toehoorders, gaat de rechtbank uit van zeer sterke banden tussen beide eiseressen met Nederland. Ten slotte hebben eiseressen, zoals hierboven overwogen, zich tijdens hun meerderjarigheid bereidwillig getoond om mee te werken aan hun vertrek.

13.5

De rechtbank ziet in het voorgaande geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van (een van) de vernietigde besluiten in stand te laten. Er zijn immers gebreken geconstateerd die niet gerepareerd zijn en niet aannemelijk is dat ondanks deze gebreken de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten dezelfde kunnen zijn en in stand kunnen blijven.

13.6

De vraag is vervolgens of de rechtbank zelf in de zaken kan voorzien. De rechtbank beantwoordt deze vraag in beide zaken bevestigd. De rechtbank ziet in het specifieke samenstel van omstandigheden in het geval van eiseressen aanleiding om zelf in de zaken te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank acht daarvoor het volgende redengevend.

13.6.1

De procedure van eiseres I loopt al vanaf september 2015. Dat is een lange tijd, zeker voor een jongvolwassene met ernstige psychische problemen. Dat deze problemen in bepaalde mate samenhangen met de duur van de verblijfsprocedure acht de rechtbank niet uitgesloten. Daarvoor biedt het door eiseressen overgelegde rapport van de [naam] aanknopingspunten. Op grond van een overtuigende weergave van de situatie door eiseres II met haar verklaringen op zitting acht de rechtbank ook aannemelijk dat een en ander psychologische gevolgen voor eiseres II heeft. Eiseressen hebben dus een groot belang bij een definitieve beslissing in deze beroepsprocedures.

13.6.2

Verweerder heeft, zo volgt uit het voorgaande, al drie keer een gebrekkig besluit op het bezwaar van eiseres I genomen. Bij het laatste besluit is dat zelfs gepaard gegaan met het niet in acht nemen van een uitspraak van de rechtbank. Dat doet geen recht aan het gerechtvaardigde belang van eiseressen om uitsluitsel te krijgen over hun verblijfspositie. De rechtbank acht het niet opportuun om verweerder een vierde keer op het bezwaar te laten beslissen. Hoewel dit anders ligt bij de zaak van eiseres II, acht de rechtbank, onder verwijzing naar wat zij al onder 13.3 heeft overwogen, het niet in het belang van eiseressen om voor de afdoeningswijze een onderscheid te maken tussen de zaak van eiseres I en eiseres II. De feiten en omstandigheden van beide zaken vertonen bovendien zoveel overlap dat de rechtbank van oordeel is dat ook om die reden een zelfde uitspraak kan worden gedaan. Zoals de rechtbank al eerder noemde, wijst de band tussen eiseressen erop dat beslissingen in beide zaken elkaar over en weer beïnvloeden.

13.6.3

Verder bieden de feiten en omstandigheden die de rechtbank onder 13.4 heeft opgesomd naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om thans zelf tot verlening van de door hen aangevraagde vergunningen over te gaan. Bovendien is de ruimte die verweerder nog heeft om tot een andere belangenafweging te komen, zeer beperkt. Vast staat dat er sprake is van zeer sterke banden met Nederland die voor het leeuwendeel zijn ontwikkeld gedurende de minderjarigheid van eiseressen. Dat dit tijdens onrechtmatig verblijf is geweest mag hen niet worden tegengeworpen. Voor zover dit tijdens meerderjarigheid is doorgegaan hebben eiseressen meegewerkt aan hun vertrekplicht. Daarmee komt hun langdurig verblijf in Nederland in de sfeer van verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. In ieder geval kan niet worden volstaan met de tegenwerping dat de banden die eiseressen met Nederland hebben inherent zijn aan langdurig verblijf. De Nederlandse overheid heeft immers ook een verantwoordelijkheid bij het waarnemen van zijn belangen bij handhaving van de vreemdelingenwetgeving.7 De banden die eiseressen met Chili hebben zijn verder beperkt. Eiseressen zijn op [leeftijd] - en [leeftijd] leeftijd naar Nederland gekomen en sindsdien niet terug geweest. Dat zij een basisniveau van Spaans beheersen en familie in Chili hebben, weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de zeer sterke banden die zij met Nederland hebben. Ten slotte blijkt uit de dossiers niet van contra-indicaties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiseressen dient uit te vallen.

13.6.4

Gelet op al de voorgaande feiten en omstandigheden zal de rechtbank in de beide zaken zelf in de zaken voorzien in die zin dat aan eiseressen vergunningen worden verleend.

Conclusie

14. De rechtbank verklaart de beroepen van eiseressen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank maakt gebruik van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb: De rechtbank zal de primaire besluiten herroepen, aan eiseressen verblijfsvergunningen verlenen voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vw onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’ voor de duur van vijf jaren met als ingangsdatum de datum van deze uitspraak en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

15. Eiseressen hebben de rechtbank verzocht om verweerder te verbieden hen uit te zetten zolang nog niet is beslist op hun beroepen. Omdat de rechtbank op de beroepen heeft beslist bestaat geen aanleiding meer om de verzoeken toe te wijzen.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.560,-- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 2 punten voor het indienen van de verzoekschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiseressen een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 18/6967 en AWB 18/4642,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten I en II;

- herroept de primaire besluiten I en II;

- verleent aan eiseressen verblijfsvergunningen in de zin van artikel 14 van de Vw onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’ met als duur vijf jaren, ingaande vanaf de datum van deze uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 18/6968 en AWB 18/3286,

- wijst de verzoeken af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 2.560,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 AWB 16/24205.

2 AWB 17/13529.

3 AWB 16/24205, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBAMS:2017:2651.

4 AWB 17/13529, niet gepubliceerd.

5 ECLI:NL:RVS:2018:73.

6 Arrest van 4 december 2012, nummer 47017/09, te raadplegen op www.echr.coe.int.

7 Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, rechtsoverweging 82; Kaplan tegen Noorwegen van 24 juli 2014, nr. 32504/11, rechtsoverweging 95 en verder en Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10, rechtsoverweging 116 (www.echr.coe.int); en de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, 201302969/1/V1, ECLI:NL:RVS:2015:1044, rechtsoverweging 5.5.