Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2276

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
NL19.1379
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Veilig land van herkomst. Algerije. Verkrachting. Gestelde toegedichte homoseksualiteit niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.1379

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 januari 2019 (het bestreden besluit).

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Algerijnse nationaliteit. Op 27 december 2018 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst.1

2. Eiser heeft aangevoerd dat ten aanzien van hem Algerije niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, omdat hij op achtjarige leeftijd is verkracht en de verkrachter nog altijd op zoek is naar hem. Eiser stelt dat de autoriteiten hem niet kunnen beschermen tegen zijn verkrachter. Zijn verkrachter zou een grote crimineel zijn met een groot netwerk. Hij kan eiser makkelijk opsporen. Verder stelt eiser dat er sprake is van toegedichte homoseksualiteit en hij om deze reden wordt gediscrimineerd in Algerije.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 8 maart 2017 geoordeeld dat de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst voldoet aan de wettelijke vereisten.2 Naar aanleiding van een herbeoordeling veilig land van herkomst heeft verweerder op 11 juni 2018 besloten dat de aanwijzing van veilig land van herkomst wordt gehandhaafd.3 Gelet hierop bestaat er een rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Algerije geen asielrechtelijke bescherming nodig hebben. Het is derhalve aan eiser om aannemelijk te maken dat Algerije ten aanzien van hem niet veilig is.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Algerije voor hem geen veilig land van herkomst is.

5. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn verkrachter een machtig persoon is in Algerije die vanwege zijn netwerk eiser overal in Algerije zou kunnen opsporen. De verkrachter is immers destijds opgepakt en veroordeeld. Eiser heeft bovendien vier jaar in Algiers kunnen wonen zonder dat hij last heeft gehad van zijn verkrachter. Niet valt in te zien dat daar nu verandering in zou komen en dat eiser bij terugkeer naar Algerije alsnog zal worden lastiggevallen door zijn verkrachter.

6. In paragraaf C2/3.2. van de Vc4 staat dat discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid merkt verweerder discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. In die paragraaf is verder vermeld dat verweerder een vreemdeling aanmerkt als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele geaardheid heeft, waaronder een homoseksuele gerichtheid.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft aangenomen dat ten aanzien van eiser geen sprake is van toegedichte homoseksualiteit, waardoor een risico voor hem zou bestaan. Verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen concrete verklaringen heeft afgelegd over verdenkingen van homoseksualiteit, afkomstig van de bevolking of van de overheid. Eiser is immers niet verder gekomen dan de mededeling dan hij werd uitgescholden en bespuugd. Eiser heeft niet onderbouwd dat in zijn geval sprake is van toegedichte homoseksualiteit. Hij heeft in zijn gehoor veilig land van herkomst stellig verklaard dat hij niet tot de LHBTI-gemeenschap behoort en niet homoseksueel is. Dat hij drie jaar met een man heeft samengewoond, waarmee hij een seksuele relatie had en seksuele diensten heeft aangeboden aan verschillende mannen in de eerste drie maanden van zijn verblijf in Algiers in ruil voor onderdak, maakt dit niet anders.

8. Voorts is niet gebleken dat eiser zich tot de Algerijnse autoriteiten heeft gewend of dat zij hem niet willen of kunnen helpen tegen treiterijen en bedreigingen van de bevolking.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser aangevoerde omstandigheden niet blijkt dat Algerije in zijn geval geen veilig land van herkomst is.

10. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:630.

3 Vreemdelingenbeleid, Kamerstukken II 19637, nr. 2392.

4 Vreemdelingencirculaire 2000.