Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2250

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
NL18.21979
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalische nationaliteit, intrekking asielvergunning, valse gegevens, relaas alsnog ongeloofwaardig, vestigingsalternatief, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.21979

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover van belang, de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Warsame. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] , afkomstig uit Somalië en van Somalische nationaliteit. Op 23 juni 2017 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft verweerder eiser met ingang van 23 juni 2017 een asielvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat de verklaringen van eiser geloofwaardig worden geacht.

2. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag verklaard dat hij afkomstig is uit Marka (Somalië) en als imam problemen heeft gehad met Al Shabaab. Hij is opgepakt en mishandeld door Al Shabaab. In september 2016 is hij van Marka naar Mogadishu gegaan en werd hij daar door Somalische regeringstroepen gevangengenomen, omdat hij werd gezien als lid van Al Shabaab. Hij heeft tot maart 2017 in detentie verbleven.

3. Nadat aan eiser een asielvergunning is verleend, heeft hij ten behoeve van zijn gezin een aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf. In dat kader is een onderzoek gestart op social media om gegevens te verzamelen ter ondersteuning van de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. Uit dit onderzoek blijkt dat eiser sinds februari 2015 in het bezit is van een Facebookaccount en dat hierop van eiser live video’s zijn aangetroffen in de periode dat hij stelt te zijn gevangen gehouden door de Somalische regeringstroepen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht tot 23 juni 2017 ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Aan die intrekking ligt ten grondslag dat eiser bij zijn aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden over de aard van zijn verblijf in Mogadishu, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zou hebben geleid. Verweerder acht niet langer geloofwaardig dat eiser in Mogadishu is gevangengehouden door de Somalische regeringstroepen. Verder is eiser een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

5. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken […] indien: de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen […] zouden hebben geleid;

7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)1 ligt het, indien verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw voordoet, op zijn weg aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Als verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.

Intrekking

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt omtrent de aard van zijn verblijf (detentie) in Mogadishu om zich een gunstiger uitgangspositie te verschaffen in het kader van de beoordeling van zijn asielverzoek. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op het Facebookaccount van eiser waarop live-video’s zijn aangetroffen die zijn gemaakt en geplaatst in de periode dat eiser stelt te zijn gevangengehouden door de Somalische regeringstroepen. Verweerder gelooft niet dat eiser vanuit zijn detentie die live-video’s heeft gemaakt en geplaatst. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag ook verklaard dat hij in een cel verbleef en dat daar verder niets te doen was. Niet heeft hij verteld dat hij in die cel de beschikking had over een computer en live (via Facebook) heeft uitgezonden. Verweerder heeft het niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden dat de Somalische autoriteiten hem die gelegenheid zouden hebben geboden, nu eiser stelt als vermeende aanhanger van Al Shabaab in detentie te hebben verbleven. Verweerder concludeert dat niet langer geloofwaardig is de verklaring van eiser dat hij is gevangengenomen en –gehouden door de Somalische regeringstroepen.

9. Vervolgens was het aan eiser om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen. Hierin is eiser niet geslaagd. Eiser is gehoord naar aanleiding van het voornemen van verweerder om de aan hem verleende asielvergunning in te trekken. In de zienswijze en aanvankelijk ook tijdens het intrekkingsgehoor heeft eiser ontkend dat hij de aangetroffen live-video’s op zijn Facebookaccount heeft geplaatst en dat hij niet eens weet hoe hij berichten moet plaatsen2. Later in het intrekkingsgehoor heeft eiser verklaard dat hij wél wist hoe hij met zijn mobiel live moest gaan om lezingen te geven3, dat hij via Facebook lezingen heeft gegeven en ook in Somalië af en toe live op Facebook is geweest4. Verweerder heeft gelet op deze (latere) verklaringen terecht geconcludeerd dat het eiser zelf is geweest die de live-video’s heeft geplaatst. De enkele stelling van eiser dat een verre neef ook over de inlogcodes van zijn Facebookaccount beschikt en hij mogelijk de live-video’s heeft geplaatst, heeft eiser verder niet onderbouwd en ligt ook niet voor de hand. Het betoog van eiser dat hij niet exact weet wanneer in 2016 hij in detentie heeft verbleven, slaagt evenmin. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op het aanmeldgehoor, het eerste gehoor en het nader gehoor van eiser tijdens zijn asielprocedure waarin hij gelijkluidend heeft verklaard over de periode dat hij in detentie zou hebben verbleven. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de aangetroffen live-video’s zijn geplaatst op zes verschillende data in de periode van 10 oktober 2016 tot en met 7 maart 2017, terwijl eiser heeft verklaard in september 2016 te zijn gevangengenomen en in maart 2017 te zijn vrijgelaten. Nu verweerder ervan uitgaat dat het eiser zelf is geweest die de live-video’s heeft geplaatst en niet geloofwaardig is dat dit tijdens zijn detentie is gebeurd, heeft verweerder terecht de gestelde detentie alsnog ongeloofwaardig gevonden. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om de asielvergunning van eiser in te trekken.

Veiligheidssituatie

10. Ter beantwoording lig nu de vraag of eiser naar Somalië terug kan keren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij een binnenlands vestigingsalternatief heeft in Mogadishu. Verweerder heeft hiervoor terecht van belang geacht dat eiser enkele maanden in Mogadishu heeft verbleven en daar live-video’s heeft geplaatst op zijn Facebookaccount. Dat eiser dit vanuit detentie heeft gedaan, is immers niet langer geloofwaardig. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Mogadishu in de negatieve belangstelling zal staan van de Somalische regeringstroepen en evenmin van Al Shabaab. De rechtbank wijst in dit verband nog op de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 20185 waaruit blijkt dat Al Shabaab in Mogadishu weliswaar terreinwinst heeft geboekt, maar dat Mogadishu nog steeds onder de controle staat van het Somalische leger. Uit de door eiser overgelegde stukken komt geen ander beeld naar voren dan de situatie in Mogadishu waarover de Afdeling heeft geoordeeld. De door eiser overgelegde landkaarten bevestigen dat het land verdeeld is. Ter zitting heeft verweerder er nog terecht op gewezen dat het door eiser overgelegde rapport van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van 25 september 2018 weliswaar dateert van 25 september 2018, maar dat het de veiligheidssituatie beschrijft over de periode van 1 januari 2018 tot 1 juli 2018.

Artikel 8 van het EVRM 6

11. Verweerder heeft overigens terecht geconcludeerd dat de intrekking van de asielvergunning geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert, nu geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in Nederland.

Inreisverbod

12. In artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is bepaald dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. De rechtbank constateert dat deze situatie van toepassing is op eiser.

13. Vervolgens is in artikel 66a, achtste lid, van de Vw bepaald dat verweerder om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. In dat kader heeft eiser betoogd dat het inreisverbod disproportioneel is en een schending oplevert van zijn recht op familie- of gezinsleven. Nu geen sprake is van familie- of gezinsleven in Nederland bestond er voor verweerder geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Deze beroepsgrond faalt.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3482) en 20 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:180)

2 Intrekkingsgehoor, pagina 4 van 10.

3 Intrekkingsgehoor, pagina 4 van 10.

4 Intrekkingsgehoor, pagina 5 van 10.

5 ECLI:NL:RVS:2018:1664

6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden