Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2207

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
NL 19.1046 en 19.1047
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Derde asielaanvraag, waarvan tweede met gestelde homoseksuele geaardheid.

De vorige procedure dateert van voor de aanpassing van het beleid nav het artikel van Remkens. Herbeoordeling gebeurt alleen als de vorige beoordeling uitsluitend zag op het bewustwordingsproces/zelfacceptatie.

Dat is hier niet het geval. Verder blijkt niet dat de afwijzing is gebaseerd op een stereotype beoordeling zoals bedoeld in het rapport Trots of Schaamte van Sabine Jansen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.1046 en NL19.1047


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).


Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat hij niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [naam 1] , tolk Arabisch.

Overwegingen

1.1

Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op

[datum 1] zijn huidige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft tweemaal eerder een asielaanvraag in Nederland ingediend.

1.2

Aan zijn eerste asielaanvraag van [datum 2] heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in Irak werd bedreigd door de groepering Thaar Allah. Verweerder heeft de aanvraag in het besluit van 21 mei 2018 afgewezen omdat hij de verklaringen van eiser over die problemen niet geloofwaardig vond. Dat besluit staat in rechte vast, want eisers beroep en hoger beroep daartegen is ongegrond verklaard.

1.3

Eiser heeft op [datum 3] een tweede asielaanvraag ingediend waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij het besluit van 13 februari 2018 omdat verweerder de gestelde seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig vond. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht heeft het beroep dat eiser tegen verweerders besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard bij uitspraak van

6 maart 2018.

1.4

Een maand later, op [datum 4] , heeft eiser zijn huidige, derde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft in het gehoor verklaard dat er in zijn situatie sinds de vorige procedure niets is veranderd, maar dat uit inmiddels gepubliceerde artikelen en een aanpassing in het beleid van verweerder blijkt dat zijn gestelde seksuele gerichtheid in de vorige procedure niet goed is beoordeeld.

1.5

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag, als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000.

1.6

Eiser is het niet eens met dat besluit vanwege samengevat de volgende redenen:

1. Verweerder gebruikt, om een stereotype beoordeling te voorkomen, de termen bewustwordingsproces en zelfacceptatie niet meer. Deze aanpassing van het beleid is onder meer het gevolg van een artikel van cultuurpsycholoog [naam 2] hierover. In eisers vorige procedure is expliciet gesteld dat het zwaartepunt van de beoordeling ligt op de antwoorden op vragen over het bewustwordingsproces en zelfacceptatie. Die beoordeling was daarom onjuist.

2. Uit het rapport van [naam 3] , ‘Trots of Schaamte?’, van juni 2018 volgt verder dat verweerder eiser ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende verklaart over zijn relaties. De gedachte dat een relatie gepaard gaat met diepgaande emoties is stereotiep.

3. Verweerder houdt onvoldoende rekening met eisers beperkte cognitieve vaardigheden. Dat is weliswaar niet met stukken onderbouwd, maar het is voor een ieder duidelijk dat eiser veel zaken niet begrijpt.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) beoordeelt deze gronden als volgt.

Aanpassing beleid na artikel [naam 2]

2.1

Bij brief van 12 december 20181 heeft verweerder laten weten de termen bewustwordingsproces en zelfacceptatie te schrappen bij de beoordeling van de seksuele gerichtheid in asielaanvragen. De nadruk in het gehoor ligt voortaan op vragen over persoonlijke ervaringen en betekenisgeving. Verweerder heeft dit bedoeld als verbetering, maar niet als beleidswijziging. Oude zaken worden niet standaard opnieuw beoordeeld. Of herbeoordeling aan de orde is, hangt af van de manier waarop de zaak in de eerdere procedure is beoordeeld. Een aanvullend gehoor of besluit kan nodig zijn als de overwegingen uitsluitend zagen op het bewustwordingsproces of de zelfacceptatie of als er vrijwel geen vragen zijn gesteld over de persoonlijke beleving.

2.2

In de vorige procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht in eerdergenoemde uitspraak van 6 maart 2018 overwogen dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser vaag, summier en soms ontwijkend heeft verklaard over zijn privéleven. De rechtbank is daarbij uitgebreid ingegaan op zowel het proces van bewustwording en zelfacceptatie als de door eiser gestelde gebeurtenissen in Irak en de verklaringen die hij over zijn verschillende relaties heeft afgelegd. In die procedure heeft een nader gehoor plaatsgevonden van 29 pagina’s waarin uitgebreid is ingegaan op alle aspecten. Het grootste deel van de vragen ging over de persoonlijke ervaringen van eiser en dat is ook betrokken in de beoordeling. De rechtbank is het daarom eens met verweerder dat de overwegingen uit de vorige procedure niet uitsluitend zagen op het bewustwordingsproces of de zelfacceptatie. Niet blijkt daarom dat een aanvullend gehoor of besluit nodig is.

Rapport van [naam 3] / verklaringen over relaties

3. Over het rapport ‘Trots of schaamte?’ van [naam 3] van juni 2018 heeft eiser aangevoerd dat hieruit volgt dat de suggestie dat altijd sprake zou moeten zijn van diepe gevoelens bij LHBTI-relaties blijk geeft van een stereotype beoordeling. Dat eiser vaag verklaart over zijn relaties mocht verweerder hem in de vorige procedure daarom niet tegenwerpen, aldus eiser. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat niet het ontbreken van diepe gevoelens is tegengeworpen maar het ongerijmd verklaren over de relaties. Zo heeft verweerder hem in de vorige procedure tegengeworpen dat hij van de ene kant maar weinig weet te verklaren over zijn vroegere vriend [naam 4] , terwijl hij van de andere kant stelt dat dit een serieuze relatie was en hij zelfs diens naam op zijn arm heeft laten tatoeëren. Ook heeft verweerder erop gewezen dat hij weinig weet te verklaren over zijn huidige partner, hoewel zij volgens eiser sinds mei 2016 samen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de vorige procedure tegengeworpen dat eiser vaag, summier en ongerijmd verklaard over feitelijke gebeurtenissen en blijkt niet dat de afwijzing is gebaseerd op een stereotype beoordeling. Eisers betoog slaagt daarom niet.

Beperkte cognitieve vaardigheden

4. Eiser heeft ten eerste niet onderbouwd dat bij hem sprake is van beperkte cognitieve vaardigheden. Verder heeft eiser aan de huidige aanvraag ten grondslag gelegd dat uit rapporten en een aanpassing van het beleid blijkt dat de beoordeling in de vorige procedure niet goed is gegaan. Eiser heeft in de huidige procedure geen inhoudelijke verklaringen afgelegd. Voor zover eiser met deze grond wil betogen dat in de vorige procedure onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkte cognitieve vaardigheden ligt dat hier niet ter toetsing voor: dat had hij in die procedure naar voren moeten brengen.

Conclusie

5. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank, in de zaak NL19.1046, verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak NL19.1047, wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Brief van verweerder aan de Tweede kamer van 12 december 2018, onderwerp: Werkinstructie 2018/9 ten aanzien van LHBTI-asielzoekers