Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2190

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
NL18.11898
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veilig derde land / staatloos Palestijn / artikel 1(D) Vv / arrest Alheto

Betrokkene stelt zich primair op het standpunt dat de staatssecretaris hem geen veilig derde land kan tegenwerpen, omdat hij een staatloos Palestijn is en onder de tweede alinea van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag (Vv) valt en hem van rechtswege de vluchtelingenstatus toekomt, zonder verder individuele beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest van het HvJ EU van 25 juli 2018, C-586/16, Alheto (ECLI:EU:C:2018:584), volgt weliswaar dat artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn, dat de evenknie is van artikel 1(D) van het Vv, een lex specialis is, maar dat deze bepaling dient te worden toegepast op een verzoek om internationale bescherming, op voorwaarde dat dit verzoek eerder niet is afgewezen op basis van een andere uitsluitingsgrond of een niet-ontvankelijkheidsgrond. Aangezien de asielaanvraag van eiser is afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw wordt vooralsnog niet toegekomen aan de beoordeling of betrokkene op grond van artikel 1(D) van het Vv is uitgesloten van vluchtelingschap dan wel weer onder de werkingssfeer van dit verdrag valt omdat hij direct voorafgaand aan of kort voor het indienen van zijn asielverzoek daadwerkelijk bijstand van UNRWA heeft ontvangen en die bijstand is opgehouden om redenen gelegen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen betrokkene in dit verband verder heeft aangevoerd en beoordeelt of Marokko voor hem kan worden aangemerkt als een veilig derde land.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11898


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).


Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

In de aanloop naar de zitting heeft de rechtbank op 24 juli 2018 een aantal aandachtspunten geformuleerd waar zij ter zitting in ieder geval bij zou stilstaan.

Op 26 en 27 juli 2018 heeft eiser respectievelijk verweerder hierop alvast een schriftelijke reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank op verzoek van verweerder het onderzoek aangehouden om hem in de gelegenheid te stellen een nadere reactie en motivering te geven. Daarbij is eiser gevraagd om nadere informatie te verstrekken.

Op 10 augustus 2018 heeft eiser medische informatie ingebracht en op 13 augustus 2018 heeft hij stukken overgelegd inzake zijn echtscheidingsprocedure in Nederland.

Bij bericht van 17 augustus 2018 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord en aangegeven dat hij zich uiterlijk op 17 september 2018 nog zal uitlaten over waarom Marokko in het geval van eiser als veilig derde land wordt aangemerkt.

Verweerder heeft vervolgens de rechtbank een aantal malen om uitstel verzocht, laatstelijk op 8 november 2018, welke steeds is verleend. Eiser heeft vervolgens op 29 november 2018 de beschikking ingebracht van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2018, zaaknummer C/10/557091 / FA RK 18-6674, betreffende zijn echtscheiding.

Op 4 december 2018 heeft verweerder schriftelijk uiteengezet waarom Marokko voor eiser als veilig derde land dient te worden beschouwd.

De rechtbank heeft eiser op 12 december 2018 in de gelegenheid gesteld hierop voor uiterlijk 10 januari 2019 te reageren. Op 9 januari 2019 heeft eiser bedoelde schriftelijke reactie gegeven. Op 16 januari 2019 heeft eiser bovendien (nogmaals) een internetartikel ingebracht.

Op 17 januari 2019 heeft de rechtbank verweerder verzocht om een nadere reactie. Verweerder heeft die reactie op 18 januari 2019 gegeven.

Op 24 januari 2019 heeft de rechtbank partijen ingevolge artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht haar binnen een week te berichten of zij toestemming verlenen een nadere zitting achterwege te laten. Verweerder heeft die toestemming op

24 januari 2019 gegeven. Eiser heeft op 29 januari 2019 bedoelde toestemming verleend.

Op 31 januari 2019 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat de rechtbank ernaar streeft om binnen 6 weken uitspraak te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat eiser reeds eerder, te weten op 2 mei 2017, een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft eiser, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij [naam] is, geboren op [geboortedatum] 1980 te Damascus (Syrië), van Palestijnse afkomst en van onbekende nationaliteit. Zijn echtgenote heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij is eerder met hun zoon naar Nederland gekomen en heeft eveneens een asielaanvraag gedaan. De zoon van eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en is staatloos, aldus eiser. De asielaanvraag van zijn echtgenote is afgewezen. Zij moet terugkeren naar Marokko met hun zoon. In Marokko kan eiser niet bij zijn gezin zijn. Hij krijgt geen visum om in Marokko te verblijven. In Marokko zou hij ook geen behandeling krijgen voor zijn ziekte. Eiser heeft HIV. Alleen zijn echtgenote is hiervan op de hoogte. Eiser werd destijds vanwege zijn ziekte gedwongen om de VAE te verlaten, waar hij 12 jaar voor een bedrijf heeft gewerkt. Eiser heeft meerdere familieleden in Nederland wonen, zoals zijn zus en een oom.

2. Bij besluit van 10 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep bij uitspraak van 4 september 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:6797) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd bij uitspraak van 4 oktober 2017, zaaknummers 201707317/1/V3 en 201707317/2/V3.

Huidige procedure

4. Op 29 november 2017 heeft eiser andermaal een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Blijkens het gehoor opvolgende aanvraag van 29 november 2017 heeft eiser aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom en is gedoopt. Zijn vrouw en zijn zoon zijn eveneens bekeerd tot het christendom. Niemand van de familie is hiervan op de hoogte. Alleen eiser heeft tegen zijn moeder gezegd dat hij naar de kerk gaat. Zij heeft daar geen problemen mee en heeft hem zelfs gevraagd voor haar te bidden. Eiser wil graag bij zijn gezin blijven. Hij wil niet naar Italië vanwege de goede gezondheidszorg in Nederland. Eiser heeft in Groningen twee onderzoeken laten doen en van beide onderzoeken was de uitslag negatief. Eiser gelooft dat hij zal genezen en van de ziekte zal afkomen.

5. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij in Syrië is geboren. Hij was daar vluchteling, staatloos Palestijn. Hij heeft zijn militaire dienstplicht vervuld bij het Palestijnse leger in Syrië. In 2002 is eiser afgezwaaid. Hij heeft even gewerkt in Abu Dhabi en is in 2004 overgeplaatst naar Dubai (VAE). Daar heeft hij 12 jaar gewerkt voor het Italiaanse autobandenbedrijf Pirelli. Hij heeft tot 30 januari 2016 in de VAE verbleven. Hij moest vertrekken vanwege zijn ziekte. Eiser heeft in de VAE twee of drie keer geprobeerd om een visum voor Marokko aan te vragen. De Marokkanen gaven geen visum aan Syriërs of Palestijnen vanwege het conflict in Syrië. Daar kwam bij dat eiser medisch behandeld moest worden en hij die behandeling in Marokko niet zou krijgen. Hierdoor was eiser gedwongen om met zijn gezin vanuit de VAE terug te keren naar Syrië. Het gezin van eiser voelde zich daar niet veilig. Zijn vrouw en zijn zoon zijn teruggekeerd naar Dubai. Eiser bleef achter en heeft van 30 januari 2016 tot eind december 2016 in Syrië verbleven. Uiteindelijk heeft hij Syrië met behulp van een Tsjechisch paspoort, dat was geregeld door een mensensmokkelaar, verlaten.

6. Omdat de uiterste overdrachtsdatum op 20 december 2017 was verstreken, is eiser alsnog toegelaten tot de Nederlandse asielprocedure. Verweerder heeft hem op 2 februari 2018 aanvullend gehoord. Tijdens dit gehoor heeft eiser, samengevat weergegeven, het volgende verklaard. Eiser heeft zijn vrouw ontmoet in Abu Dhabi. Ze zijn getrouwd in de rechtbank van Abu Dhabi. De vrouw van eiser heeft de huwelijksakte later laten legaliseren bij het Marokkaanse consulaat in Dubai (VAE) en bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in de VAE. Ze heeft dat gedaan voordat eiser voor de eerste keer naar Marokko ging en hun zoon een jaar oud was. Eiser is in 2011 nog een keer in Marokko geweest. Het huwelijk is ook geregistreerd in Syrië. Toen eiser uit de VAE moest vertrekken vanwege zijn ziekte, is hij naar de Marokkaanse ambassade gegaan. Hij liet daar zijn huwelijkspapieren zien voor een visum. Dit werd hem tot drie keer toe geweigerd vanwege de oorlog in Syrië. De Marokkaanse autoriteiten verstrekten om die reden geen visum meer aan Palestijnen en Syriërs. Sinds de oorlog zijn de diplomatieke banden tussen Marokko en Syrië beëindigd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser na het gehoor een aantal producties overgelegd.

Het bestreden besluit

7. Bij besluit van 19 juni 2018 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Volgens verweerder kan Marokko voor eiser als een veilig derde land worden beschouwd. Verweerder merkt op dat Marokko in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft en sinds 9 februari 2016 door verweerder is aangemerkt als veilig land van herkomst. Uit het gehoor van eiser blijkt verder niet dat er redenen zijn om te veronderstellen dat Marokko zijn verplichtingen jegens Palestijnen uit Syrië niet naleeft. Tevens blijkt uit openbare bronnen (Aljazeera 2014) dat Syrische en Palestijnse vluchtelingen uit Syrië beschermd worden tegen deportatie en dat de Marokkaanse overheid Syrische vluchtelingen wil registeren met de intentie om tijdelijke groepsbescherming te bieden. Ten aanzien van het door eiser gestelde dat er geen visa meer worden verstrekt aan Palestijnen of Syriërs wordt overwogen dat hierover geen verifieerbare bronnen zijn gevonden.

8. Voorts is verweerder van mening dat eiser een zodanige band heeft met Marokko dat het voor hem redelijk is naar dat land te gaan. Verweerder wijst erop dat eiser in 2007 is getrouwd met een Marokkaanse vrouw. Uit dit huwelijk is een zoon geboren die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Bovendien heeft eiser het huwelijk laten registeren in Syrië en heeft hij de UNRWA een kaart laten opstellen in Syrië toen hij naar dat land ging. De huwelijksakte is ook geregistreerd en gelegaliseerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Volgens eiser is het huwelijk ook geregistreerd en goedgekeurd door de Marokkaanse autoriteiten, ofschoon hij daar geen bewijs van heeft. Daarnaast is eiser tweemaal naar Marokko gereisd. Niet op voorhand is gebleken dat hij zich niet opnieuw toegang zou kunnen verschaffen tot Marokko. Aangaande het huwelijk met een Marokkaanse vrouw blijkt uit informatie van de Marokkaanse autoriteiten dat buitenlanders in Marokko, die getrouwd zijn met een Marokkaanse vrouw, aldaar kunnen verblijven als zij een ‘certificate of residence’ aanvragen en wanneer toestemming is gegeven voor het huwelijk. Eiser heeft aangegeven dat zijn huwelijk is goedgekeurd door de Marokkaanse autoriteiten. Redelijkerwijs kan worden verwacht dat eiser naar Marokko gaat, nu op grond van de wetgeving van Marokko kan worden geconcludeerd dat eiser hier toelating kan verkrijgen, en uit zijn verklaringen blijkt dat hij eerder toegang tot Marokko heeft gehad. Eiser wordt verder geadviseerd om contact op te nemen met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), nu hij heeft gesteld dat door de Marokkaanse autoriteiten aan Palestijnen geen visa worden verstrekt en aldus onduidelijk is of hij zal worden toegelaten tot Marokko. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat eiser stelt dat hij geen toegang (meer) krijgt tot Marokko geen raakvlakken heeft met vluchtelingschap of ernstige schade. Het speelt derhalve geen rol of eiser aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van de Vw 2000.

9. Volgens verweerder treft het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 december 2012, EL Kott e.a. tegen Hongarije (ECLI:EU:C:2012:826), om die reden ook geen doel. Uit dit arrest valt bovendien niet af te leiden dat bij staatloze Palestijnen niet een veilig derde land kan worden tegengeworpen. Het Handbook on the Protection of Palestinian Refugees geldt verder niet als beleid waaraan conclusies dienen te worden verbonden. De enkele verwijzing naar dit handboek is derhalve onvoldoende om te kunnen concluderen dat het tegenwerpen van een veilig derde land in dit geval niet toelaatbaar is, aldus verweerder.

De beroepsgronden van eiser

10. Eiser maakt uit het bestreden besluit op dat voor verweerder niet relevant is of hij al dan niet wordt toegelaten tot Marokko. Eiser is een andere mening toegedaan. Hij heeft een aantal stukken aan verweerder toegezonden waaruit blijkt dat aan Palestijnen geen visa worden verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten. Bovendien is in het bijzijn van een medewerker van DT&V reeds tevergeefs geprobeerd om een visum voor Marokko te verkrijgen. Eiser heeft verweerder reeds in de zienswijze verzocht hierover contact op te nemen met de DT&V. Eiser meent dat verweerder dit punt ten onrechte onbesproken laat in het bestreden besluit, evenals de stelling dat hij verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure. Eiser stelt voorts dat er in Marokko geen voorzieningen zijn.

11. Los daarvan is eiser van mening dat niet van hem kan worden verwacht dat hij zich in een derde land gaat vestigen, omdat hij een door de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) erkende staatloze Palestijn is. Volgens eiser kan hij in de huidige situatie jegens geen enkel land aanspraak maken op een verblijfsrecht, zodat hij op grond van het Vluchtelingenverdrag automatisch onder de definitie van ‘vluchteling’ valt. Eiser wijst in dit verband op artikel 1 (D) van het Vluchtelingenverdrag. Nu de United Nations Conciliation Commission for Palestine (UNCCP) en UNRWA hem geen hulp kunnen bieden, zeker niet in Syrië, had verweerder de onmogelijkheid om terug te keren nadrukkelijk dienen mee te wegen. Eiser wijst nog op de conclusie van Advocaat-Generaal Sharpston in het Bolbol-arrest van 17 juni 2010, C-31/09 (ECLI:EU:C:2010:119). Volgens Sharpston blijkt uit de bewoordingen van de tweede alinea van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag overduidelijk dat een persoon die eerder was uitgesloten van de werkingssfeer van het verdrag door de eerste alinea (eerste volzin) van het artikel, maar voor wie de door de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) verleende bescherming of bijstand is opgehouden, dan recht heeft op automatische erkenning als vluchteling. Eiser verwijst verder naar het Handbook on the Protection of Palestinian Refugees, voornoemd arrest El Kott, en een artikel van professor Susan Akram over de bescherming van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en Palestijnse vluchtelingen die onder de bescherming van de UNRWA vielen.

De beoordeling

13. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiser aldus dat hij zich primair op het standpunt stelt dat verweerder artikel 30a, eerste lid, van de Vw 2000 überhaupt niet kan tegenwerpen, omdat hij een staatloos Palestijn is en onder de tweede alinea (tweede volzin) van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag valt en hem van rechtswege de vluchtelingenstatus toekomt, zonder verdere individuele beoordeling. Zoals verweerder ook heeft gesteld slaagt naar het oordeel van de rechtbank deze beroepsgrond van eiser in dit geval niet. Uit het arrest van het HvJ EU van 25 juli 2018, C-585/16, Alheto (ECLI:EU:C:2018:584), volgt weliswaar dat artikel 12, eerste lid, onder a, van richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), dat de evenknie is van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, een lex specialis is, maar dat deze bepaling dient te worden toegepast op een verzoek om internationale bescherming, op voorwaarde dat dit verzoek eerder niet is afgewezen op basis van een andere uitsluitingsgrond of een niet-ontvankelijkheidsgrond. Aangezien de asielaanvraag van eiser is afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt vooralsnog niet toegekomen aan de beoordeling of eiser op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is uitgesloten van vluchtelingschap dan wel weer onder de werkingssfeer van dit verdrag valt omdat hij direct voorafgaand aan of kort voor het indienen van zijn asielverzoek daadwerkelijk bijstand van UNRWA heeft ontvangen en die bijstand is opgehouden om redenen gelegen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen eiser in dit verband verder heeft aangevoerd.

14. Ter beoordeling staat dus of Marokko voor eiser kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Verweerder heeft erkend dat hij die beoordeling in het bestreden besluit niet heeft verricht aan de hand van het toetsingskader zoals door de Afdeling uiteen is gezet in haar uitspraken van 13 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3378, 3379, 3380 en 3381). Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd op grond van artikel 3:46 van de Awb, dat vereist dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten, omdat verweerder alsnog afdoende heeft gemotiveerd dat Marokko voor eiser als een veilig derde land kan worden beschouwd en daarmee het gebrek heeft hersteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Band met Marokko

15. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een band heeft met Marokko. Hierbij heeft verweerder op goede gronden betrokken dat eiser op 21 maart 2007 in de VAE is gehuwd met de Marokkaanse [naam] . Hij heeft tot 2016 met haar samengewoond in Dubai. Eiser is haar na enige tijd nagereisd naar Nederland. Zij heeft hier tweemaal asiel gevraagd, te weten op 20 februari 2017 en op 2 oktober 2017, met hun op

[geboortedatum] 2008 geboren zoon [naam] . Haar beide aanvragen zijn onherroepelijk afgewezen. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:1623) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 18 januari 2018, zaaknummer NL17.14462 (ECLI:NL:RBDHA:2018:6015). Sindsdien heeft zij geen toelatingsprocedure meer gevoerd. Op 30 mei 2018 heeft de Internationale Organisatie voor Migratie verweerder weliswaar bericht dat mevrouw [naam] alsnog geen gebruik wenst te maken van de ‘Return- and Emigration of Aliens form the Netherlands’ (REAN)-regeling, maar verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de (ex-)echtgenote van eiser en hun twee kinderen op dit moment in wezen niets anders rest dan zich in Marokko te vestigen. Van de (ex-)vrouw van eiser mag ook in redelijkheid worden verlangd dat zij de nodige inspanningen verricht om met de kinderen naar Marokko te gaan. De rechtbank begrijpt bovendien uit de brief van verweerder van 18 januari 2019 dat de DT&V werkt aan de terugkeer van mevrouw [naam] en de twee kinderen naar Marokko.

16. Het feit dat bij beschikking van 26 november 2018 naar Nederlands recht tot echtscheiding op beider verzoek van eiser en mevrouw [naam] van 21 augustus 2018 is beslist, maakt niet dat eiser geen band meer heeft met Marokko. Beide ouders blijken gezamenlijk gezag te willen blijven uitoefenen over hun twee kinderen (op 30 augustus 2018 is hier te lande hun dochter [naam] geboren) en zij vinden het belangrijk dat het contact tussen kinderen en ouders zo min mogelijk door de scheiding wordt beïnvloed. De twee kinderen hebben net als hun moeder de Marokkaanse nationaliteit en verblijven zonder verblijfsvergunning in Nederland. Voorts heeft eiser naar eigen zeggen twee keer eerder (in 2009 en 2011) Marokko bezocht en is hem daarvoor een visum afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten. Bovendien beheerst eiser het Arabisch, de officiële taal van Marokko. Gezien de verklaringen van eiser en zijn (ex-)partner en het gegeven dat aan hun zoon [naam] een Marokkaanse paspoort is verstrekt, kan verweerder aannemen dat het huwelijk is geregistreerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat het huwelijk naar Marokkaans recht is ontbonden. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dus van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser een band heeft met Marokko en dat dit het (meer) aangewezen land is om het beoogde gezinsleven met zijn Marokkaanse kinderen uit te oefenen. Dat de (ex-)vrouw van eiser en hun twee kinderen momenteel nog in Nederland verblijven, doet hieraan niet af, nu zij zich ook naar Marokko zullen moeten begeven.

Toelating tot Marokko

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat aannemelijk is te achten dat de Marokkaanse autoriteiten aan eiser een visum zullen verlenen als hij daarom verzoekt. Eiser zal daarvoor in de eerste plaats moeten beschikken over een geldig reisdocument. Nu hij in het bezit is van een verlopen Syrisch vluchtelingenpaspoort en zijn huwelijk in Syrië is geregistreerd, kan worden aangenomen dat hij de geldigheidsduur van zijn vluchtelingenpaspoort kan laten verlengen bij de Syrische ambassade te Brussel. Dat van eiser niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de Syrische ambassade omdat hij is gevlucht uit Syrië, kan niet worden gevolgd. Terugkeer van eiser naar Syrië is niet aan de orde.

18. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij op de voorgeschreven wijze bij de Marokkaanse ambassade een visum heeft aangevraagd en hem dit schriftelijk is geweigerd. Niet is gebleken dat, zoals eiser stelt, hem in het bijzijn van een medewerker van DT&V een visum is geweigerd op de Marokkaanse ambassade. Verweerder is uit navraag bij DT&V namelijk gebleken dat de door eiser genoemde medewerker van DT&V voor de verkrijging van een laissez-passer voor de zoon van eiser met eiser is meegegaan naar de Marokkaanse vertegenwoordiging, maar dat zij niet mee naar binnen is geweest. De medewerker van DT&V heeft geen reden om aan te nemen dat eiser een visum zal worden geweigerd. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser in dit verband overgelegde stukken gedateerd en achterhaald zijn en deels niet zien op de situatie van eiser. Eiser heeft geen recente informatie ingebracht waaruit blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten categorisch aan staatloos Palestijnen uit Syrië de afgifte van een visum weigeren. Daarbij is de situatie van eiser als staatloos Palestijn met een Syrisch reisdocument niet zonder meer gelijk aan die van personen met de Syrische nationaliteit. Verder blijkt dat aan de 10-jarige [naam] uit Syrië een visum is verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten zodat hij herenigd kan worden met zijn vader aldaar (https://www.moroccoworldnews.com/2015/09/167393/morocco-grants-visa-to-syrian-refugee-child-haider-to-join-his-father). Het door eiser overgelegde internetartikel van

28 januari 2018 van de Action Group For Palestinians of Syria over de Palestijns-Syrische vreemdeling [naam] , leidt niet tot een ander oordeel. Uit dit artikel blijkt niet dat deze persoon een visum is geweigerd door de Marokkaanse autoriteiten nadat hij deze had aangevraagd.

19. Verweerder heeft verder onderzocht dat uit informatie van de Marokkaanse autoriteiten blijkt dat het mogelijk is als echtgenoot van een Marokkaanse vrouw een ‘certificate of residence’ aan te vragen in Marokko en wellicht ook als vader van een in Marokko woonachtig minderjarig Marokkaans kind of als erkend vluchteling. Blijkens het US State Department Morocco 2017 Human Rights Report van 20 april 2018 worden er wettelijke statussen verleend aan migranten die in uitzonderlijke omstandigheden verkeren, zoals een wettelijke status aan buitenlandse echtgenoten en kinderen van Marokkaanse burgers. Verder blijkt uit de Marokkaanse wet- en regelgeving dat vreemdelingen die een jaar getrouwd zijn met een Marokkaanse vrouw in Marokko worden beschermd en niet kunnen worden uitgezet. Dat geldt ook voor vreemdelingen waarvan kinderen in Marokko wonen en de Marokkaanse nationaliteit bezitten (http://www.refwordl.org/docid/3ae6b4ed5c.html). Marokko is voorts onder meer partij bij het Verdrag inzake de rechten van het kind (http://tbinernet.ohchr.org/layouts/TreatyBodyExternal/Treaty.aspx.). Eiser heeft deze informatie niet weersproken.

20. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat uit genoemd rapport van het US State Department blijkt dat personen met HIV in Marokko te maken hebben met discriminatie en beperkte behandelmogelijkheden. Er zijn landelijk 16 HIV/aids behandelcentra. Naar schatting woonden er eind 2016 circa 22.000 personen met HIV in Marokko waarvan 48% werd behandeld. UNAIDS werkt met de Marokkaanse autoriteiten samen om de antiretrovirale behandeling te integreren in het gezondheidssysteem. Op grond hiervan en omdat eiser weet dat hij HIV heeft, neemt verweerder aan dat ook eiser in Marokko behandeling voor zijn HIV kan krijgen. Eiser heeft dit standpunt in beroep niet weersproken.

21. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat verweerder aan de hand van informatie uit algemene bronnen afdoende heeft gemotiveerd dat aannemelijk is te achten dat eiser zal worden toegelaten tot Marokko. Eiser heeft niet aangetoond dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3380). Niet gebleken is dat eiser de nodige inspanningen heeft verricht om aan de voorwaarden voor toelating te voldoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:128).

Is Marokko voor eiser een veilig derde land?

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat Marokko in algemene zin kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Marokko is partij bij het Vluchtelingenverdrag, het Antifolterverdrag en het International Covenant on Civil and Political Rights. Marokko kent verder sinds 2003 een immigratiewetgeving (Loi no 02-03 relative à l’entrée et du sejour des étrangers au Royaume du Maroc, à l’émigration et l’immigration irrégulières). In artikel 29 van de immigratiewetgeving is vastgelegd dat erkende vluchtelingen of vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend waarover nog niet is beslist, niet kunnen worden uitgezet. Ook staat in dit artikel dat geen enkele vreemdeling naar een land kan worden overgebracht als zijn of haar leven of vrijheid aldaar wordt bedreigd of de vreemdeling aldaar blootgesteld wordt aan onmenselijke, wrede of vernederende behandelingen (http://www.refworld.org/docid/3ae6b4ed5c.html).

23. Verder wordt in een artikel van Equal Times van 6 januari 2017 gesteld dat er in Marokko geen refoulement meer plaatsvindt, maar dat er wel sprake is van gedwongen binnenlandse verplaatsingen van migranten. Ook Amnesty International meldt dat de Marokkaanse autoriteiten invallen doen, migranten en vluchtelingen oppakken en verplaatsen naar andere delen van het land. Een vertegenwoordiger van de UNHCR verklaarde volgens de krant Equal Times inzake de protectiesituatie in Marokko dat “It is not the highest standards that you may find in the world, but there’s basic protection and, certainly, a safe place for asylum seekers”

(https://www.equaltimes.or/morocco-s-imperfect-solution-toa?lang=en3.W5oinTgUmmR). Het rapport van het US State Department uit 2017 maakt verder geen melding van refoulement.

24. Daarnaast blijkt weliswaar uit informatie van de UNHCR dat er in Marokko op dit moment nog geen nationale asielprocedure bestaat, maar dat de Marokkaanse overheid samen met de UNHCR aan asielstatusbepaling doet. Het land werd voorheen enkel als transitland gezien. Nu Marokko ook wordt beschouwd als eindbestemming heeft de Marokkaanse overheid ervoor gekozen om middels ondersteuning van de UNHCR een nationale asielprocedure te gaan ontwikkelen. Volgens informatie van de UNHCR: “Pending the submission of the draft asylum law to Parliament, UNHCR registers and processes all asylum claims in Morocco. Refugee status determination is undertaken jointly with Government officials, simultaneously providing an opportunity to build the capacity of Moroccan officials. UNHCR-registered refugees are reffered to Morrocan authorities, who regularize their status by issuing them a refugee card and a residency permit. Syrians do not receive such documentation but in practical terms, they are protected from refoulement and have acces to essential services like other refugees” (http://reporting.unhcr.org/node/10331; http://www.unhcr.org/59f1d50a4.html).

25. Amnesty International schrijft in haar rapport van 22 februari 2018 over de situatie in Marokko en de Westelijke Sahara 2017/2018 nog het volgende: “Morocco did not adopt a law on asylum but maintained its policy of allowing refugees to basic rights and services, including education. The authorities issued asylum-seekers and refugees registrered by UNHCR, The UN refugee agency, with documents protecting them against refoulement – forcible return of individuals to a country where they risk serious human rights violations – without taking a decision on their definitive status” (https://www.amnesty.org/en/countries/middle-east-and-north-africa/morocco/report-morocco).

26. Daarnaast wordt in het al eerder genoemde rapport van het US State Department over het jaar 2017 over de positie van Syriërs in Marokko het volgende opgemerkt: “The government also provided temporary protection to individuals who may not qualify as refugees. On June 20, World Refugee Day, the king instructed the government to admit 28 Syrians who had been stranded between the borders of Morroco and Algeria for two months. Syrians and Yemenis benefit from “exceptional regularization” outside of the more permanent migrant regularization program.” (zie ook https://www.volkskrant.nl/buitenland/koning-marokko-neemt-alsnog-vluchtelingenop-die-onder-erbarmelijke-omstandigheden-in-woestijn-leefden).

27. Voorts wordt in het Morocco World Report 2018 van Human Rights Watch het volgende gesteld : “As of September 30, UNHCR said it had 2,995 Syrian asylum seekers in its registry. While Morocco has not formally recognized these Syrians as refugees, it allows them to reside in Morocco and to acces essential public services, such as health and education, according to UNHCR” (https://www.hrw.org/world-report/2018/country-chapters/morocco/western-sahara). Ook uit voormeld rapport van het US State Department blijkt dat erkende vluchtelingen en migranten in Marokko kunnen werken en daarnaast toegang hebben tot gezondheidszorg en onderwijs. Voor asielzoekers, die nog niet zijn erkend als vluchteling, is het echter niet altijd mogelijk om toegang te krijgen tot de Marokkaanse gezondheidszorg en ook hebben zij in mindere mate toegang tot het gerechtelijk systeem van Marokko.

28. De rechtbank is van oordeel dat, ofschoon uit voornoemde informatie blijkt dat Marokko nog geen nationale asielprocedure kent, daaruit ook volgt dat niettemin overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag bescherming wordt geboden. De UNHCR doet samen met de Marokkaanse overheid aan asielstatusbepaling en het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd. Voorts blijkt dat er toegang is tot een aantal voorzieningen zoals onderwijs en gezondheidszorg. Verweerder heeft Marokko dan ook terecht voor eiser als veilig derde land aangemerkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen, nog daargelaten dat de zaken waar eiser in dit kader een beroep op doet gaan om Syrische mannen met echtgenotes met een andere nationaliteit dan de Marokkaanse nationaliteit. De beroepsgrond van eiser dat Marokko niet als veilig kan worden bestempeld omdat er geen nationale asielprocedure bestaat, slaagt dus niet. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom Marokko in zijn geval toch niet als veilig is aan te merken. De niet onderbouwde stelling dat hij kwetsbaar is, is daartoe onvoldoende.

29. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1280,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0.5 punt voor het repliek met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: 6 maart 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.