Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/09/526331 / FA RK 17-797
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorziening. Netwerkberaad voor verdeling zorg- en opvoedingstaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-797 (scheiding) / FA RK 18-845 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/526331 (scheiding) / C/09/547449 (verdeling)

Datum beschikking: 28 februari 2019

Scheiding

Beschikking op het op 31 januari 2017 ingekomen verzoek van:

[X]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.A.M. Oranje-Jorna te ’s-Gravenhage (voorheen mr. M.P.LM. Buijsrogge).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. P. Vellekoop te Honselersdijk, gemeente Westland.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift, tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens wijzigingsverzoek;

- de brief van 24 juli 2018 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 28 november 2018 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 6 december 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief van 7 december 2018, met bijlagen, van de zijde van vrouw;

- het F9-formulier van 11 december 2018 van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 12 december 2018 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 12 december 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 13 december 2018, met bijlage, van de zijde van vrouw.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Op 18 december 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [medew. van de RvdK] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd met bijlagen 1 tot en met 8. Van de zijde van de man zijn ook pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het F9-formulier van 25 januari 2019 van de zijde van de man, met als bijlage een door beide partijen ondertekend echtscheidingsconvenant;

- de brief van 31 januari 2019 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 31 januari 2019 van de zijde van de man.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

1. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw;

2. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals subsidiair verzocht in het verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens wijzigingsverzoek van 29 november 2017 en uitgewerkt in een zorgregeling die als bijlage 38 bij brief van 7 december 2018 in het geding is gebracht;

3. vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van primair € 508,-- per maand per kind, subsidiair € 423,-- per maand per kind, althans een bedrag als de rechtbank juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag waarop de beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, vermeerderd met iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of andere regelingen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal of kan worden verleend;

4. bepaling dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de alimentatiebeslissingen voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden;

5. opname en waarmerking van het echtscheidingsconvenant in de beschikking;

6. bepaling dat de man, met ingang van de datum waarop de woning, die partijen in onverdeelde mede-eigendom toebehoort, staande en gelegen aan de [echtelijke woning] te [plaats ew] in eigendom wordt overgedragen aan de vrouw, zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.000,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander overeenkomstig hetgeen partijen in artikel 1.2 van het tussen hen op 24 en 25 januari 2019 gesloten echtscheidingsconvenant met elkaar zijn overeengekomen;

7. veroordeling van de man om binnen 31 dagen na ondertekening van het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant aan de vrouw uit te betalen de somma van € 100.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde vanaf de eerste dag dat de hierboven omschreven betalingstermijn is verstreken tot aan de dag waarop de betaling geheel heeft plaatsgevonden;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man kan zich vinden in de door de vrouw verzochte echtscheiding en opname van het convenant. De man heeft verweer gevoerd tegen de overige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

1. bepaling dat de minderjarige [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft en de minderjarige [minderjarige 2] bij de vrouw;

2. vaststelling van de zorgregeling voor de minderjarige [minderjarige 2] zoals verzocht onder punt 8 van het verweerschrift;

indien de rechtbank de verzoeken van de vrouw onder punt 6. en punt 7. toewijst:

3. bepaling dat de vrouw binnen 31 dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking dient te regelen dat de Rabobank de man ontslaat uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheekschuld;

4. bepaling dat partijen binnen 31 dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking opdracht geven aan de notaris om een notariële akte te verlijden waarbij de onroerende zaak aan de [echtelijke woning] te [plaats ew] aan de vrouw wordt geleverd;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdag] 2006 te [huwelijksplaats]

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] .

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

- Deze rechtbank heeft op 22 december 2017 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende:

- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

- dat de man met ingang van 15 november 2017 voorlopig zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 816,-- per maand en tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 244,-- per maand per kind.

Voorts zijn partijen in het kader van de echtscheidingsprocedure naar de bij hen bekende mediator verwezen om te trachten hun geschil ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling door middel van mediation tot een oplossing te brengen.

Beoordeling

Ouderschapsplan

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
De vrouw heeft gesteld dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over het ouderschapsplan. Nu de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Echtscheiding

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Hoofdverblijfplaats [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

De ouders zijn het er ter zitting over eens geworden dat [minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en dat [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Ter zitting en uit de stukken is naar voren gekomen dat op 28 september 2017 een incident heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige 1] en de vrouw en dat de verhouding tussen [minderjarige 1] en de vrouw en ook die tussen de vrouw en de man sindsdien ernstig verstoord is geraakt. De vrouw heeft [minderjarige 1] in 2018 ongeveer negen keer gezien en de laatste maanden is er niet tot nauwelijks meer contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw.

Ter zitting is verder gebleken dat tussen de man en de vrouw sprake is van veel oud zeer, dat zij het verleden feitelijk nog niet hebben verwerkt en dat zij ook niet in staat zijn geweest om daarover met elkaar te praten. Weliswaar zijn zij in 2017 in mediation geweest, maar dit heeft geen verbetering opgeleverd. Ter zitting hebben de man en de vrouw aangegeven nogmaals in mediation te willen. Zij willen in mediation praten over de laatste jaren van hun relatie en de verbreking daarvan en bezien of zij kunnen komen tot meer begrip voor elkaar, zodat zij met het oog op de toekomst een stabiele basis kunnen vormen voor hun kinderen. De rechtbank ziet hierin aanleiding de ouders te verwijzen naar de voor hen bekende mediator als na te melden.

Duidelijk is geworden dat beide ouders ook contactherstel willen tussen [minderjarige 1] en de vrouw. Het lukt de ouders echter niet om dit contactherstel tot stand te brengen. In dit kader is ter zitting met de ouders en de Raad gesproken over de mogelijkheid van het inzetten van een netwerkberaad bij de Raad. Hierbij wordt een gezamenlijk gesprek met het netwerk van het kind en de ouders gevoerd om het netwerk actief mee te laten denken over een oplossing, waarbij het belang van het kind als uitgangspunt wordt genomen. In het netwerkberaad kan bezien worden of de ouders met het oog op de toekomst concrete afspraken met elkaar kunnen maken daarbij rekening houdend met de belangen van de kinderen. De ouders zullen weer op een lijn moeten komen en moeten leren weer met elkaar te communiceren over de kinderen. Zolang de ouders onderling niet goed kunnen communiceren, zal het voor [minderjarige 1] lastig zijn om onbevangen contact te hebben met haar moeder. De ouders beseffen dit en hebben zich bereid verklaard om mee te werken aan het beleggen van een netwerkberaad. De mediation kan intussen gebruikt worden om de ouders alvast dichter bij elkaar te brengen, hetgeen de kans op slagen van het netwerkberaad vergroot. Ook het feit dat de ouders, zoals hierna vermeld, in de loop van de procedure overeenstemming hebben bereikt over de financiële afwikkeling van de echtscheiding zal hieraan bijdragen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de Raad verzoeken een netwerkberaad te organiseren. Indien het netwerkberaad niet leidt tot de gewenste doelen kan alsnog een regulier onderzoek worden gestart naar de vraag welk zorgregeling in het belang van de kinderen is.

De ouders zijn het erover eens dat tot het moment dat begonnen zal worden met het netwerkberaad de huidige zorgregeling zoals die tot nu toe tussen de ouders gold, zal worden gehandhaafd. De man heeft toegezegd zich te zullen inzetten om het contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw van in ieder geval één keer per maand te herstellen. De co-ouderschapsregeling ten aanzien van [minderjarige 2] zal doorlopen.

De rechtbank zal de verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot 1 september 2019 pro forma, in afwachting van de voortgang van het netwerkberaad en/of het rapport en het advies van de Raad.

Kinderalimentatie

Behoefte kinderen

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen ten tijde van het huwelijk te worden bepaald, waarvan bij het bepalen van dat eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen.

Partijen zijn het erover eens dat ten tijde van het huwelijk (partijen gaan uit van het jaar 2016) het NBI ten minste € 6.000,-- per maand bedroeg.

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert een tabelbedrag op van € 1.440,-- per maand. De vrouw gaat uit van een bedrag van € 1.670,-- per maand. De vrouw heeft echter niet beargumenteerd waarom van een hoger bedrag dan het tabelbedrag zou moeten worden uitgegaan, zodat de rechtbank de vrouw hierin niet zal volgen. Partijen zijn het erover eens dat het tabelbedrag van 2016 geïndexeerd moet worden. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2019 € 1.522,-- per maand, of wel € 761, per maand per kind. De rechtbank zal hier van uitgaan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen de ouders moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 950)].

Draagkracht man

In geschil is het inkomen van de man. De man is zelfstandig ondernemer en als directeur grootaandeelhouder (DGA) in loondienst bij de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V. De man heeft gesteld dat zijn inkomen € 7.500,-- bruto per maand of wel € 90.000,-- bruto per jaar bedraagt.

De vrouw heeft gesteld dat de man naast genoemd inkomen in staat is, zoals hij ook in het verleden altijd heeft gedaan, een inkomen van in totaal € 115.000,-- te verwerven. In het verleden heeft hij zich bijvoorbeeld jaarlijks dividend uit laten keren dan wel heeft hij op andere wijze zijn inkomsten uit zijn dienstbetrekking met afgerond € 25.000,-- vermeerderd.

De man heeft gewezen op de nieuw ontstane situatie, nu hij bijvoorbeeld zijn belang in [bedrijfsnaam 2] exploitatie heeft verkocht. Daarnaast dat hij geen dividend meer kan uitkeren, nu er gereserveerd zal moeten worden om de bestaande (hoge) rekening-courant schuld af te lossen.

De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij naast zijn loon uit zijn dienstbetrekking zijn inkomen niet met een bedrag van € 25.000,-- kan verhogen. Uit de overgelegde stukken volgt dat jarenlang vanuit de rekening-courant opnames zijn gedaan ten behoeve van partijen en dat de man deze schuld zal moeten afbouwen. Derhalve ligt het niet voor de hand dat er in de nabije toekomst nog dividenduitkeringen kunnen plaatsvinden, zeker niet nu ook zijn belang in [bedrijfsnaam 2] is verkocht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat van de kant van de vrouw, na betwisting, onvoldoende duidelijk is aangevoerd op grond waarvan uitgegaan moet worden van de extra inkomsten van € 25.000,--. De rechtbank zal derhalve uitgaan van genoemd inkomen van € 90.000,-- per jaar. De rechtbank zal rekening houden met een arbeidskorting van € 43,-- per jaar. Aldus berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.161,-- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan volgens bovenstaande formule € 1.374,-- per maand.

Draagkracht vrouw

De vrouw gaat in de door haar overgelegde draagkrachtberekeningen uit van een inkomen van € 52.920,-- bruto per jaar, vermeerderd met 8% vakantietoeslag ad € 4.234,-- en eindejaarsuitkering ad € 3.572,--, in totaal derhalve van € 60.726,-- bruto per jaar. Nu de man dit inkomen niet heeft weersproken zal de rechtbank hier van uitgaan. De pensioenpremie bedraagt volgens de vrouw € 275,-- per maand. De rechtbank zal hiermee rekening houden. De rechtbank zal daarnaast rekening houden met de algemene heffingskorting ad € 570,--, de arbeidskorting ad € 1.997,-- en de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 2.835,--. De rechtbank zal geen rekening houden met kindgebonden budget, nu de vrouw hier naar het zich laat aanzien gelet op haar vermogen na de verdeling van de huwelijksgemeenschap, geen aanspraak op zal kunnen maken. Aldus berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.437,-- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan volgens bovenstaande formule € 1.019,-- per maand.

Gezamenlijke draagkracht

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt derhalve in totaal € 2.393,-- per maand.

Draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de ouders de behoefte van kinderen overschrijdt, dient een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.374 / 2.393 x 1.522 = € 874,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.019 / 2.393 x 1.522 = € 648,--

samen: € 1.522,--

Derhalve komt van de totale behoefte van de kinderen een gedeelte van € 874,-- per maand ofwel (afgerond) € 437,-- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 648,-- per maand ofwel (afgerond) € 324,-- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

[minderjarige 1]

Nu partijen het erover eens zijn dat [minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en dat, zoals hierboven is overwogen, het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] op dit moment nog marginaal is, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] afwijzen, nu de man feitelijk geheel in de zorg over [minderjarige 1] voorziet.

[minderjarige 2]

Zorgkorting

De rechtbank zal, nu de man op dit moment gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 2] , voor haar een zorgkorting in aanmerking nemen van 35%. Nu de behoefte van [minderjarige 2] € 761,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 266,-- per maand. De door de man te betalen maandelijkse bijdrage voor [minderjarige 2] wordt derhalve als volgt berekend: € 437,- -/- € 266,-- = € 171,--. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] vaststellen op genoemd bedrag van € 171,-- per maand.

Aanhechten draagkrachtberekening

De rechtbank hecht de berekeningen van het NBI van partijen ter bepaling van hun draagkracht aan deze beschikking.

Opname convenant

Partijen hebben in de loop van de procedure overeenstemming bereikt over de scheiding en deling van de gemeenschap van goederen. Zij zijn het eens geworden over het bedrag waarvoor de man ter zake die verdeling is overbedeeld en het bedrag dat de man ter zake daarvan aan de vrouw dient te betalen en de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Zij hebben hetgeen zij zijn overeengekomen neergelegd in een convenant.

Partijen hebben (naar de rechtbank begrijpt) eensluidend verzocht de door hen getroffen onderlinge regeling, vastgelegd in het door de man overgelegde convenant, in de beschikking op te nemen. Dit verzoek kan als op de wet gegrond worden toegewezen.

Het verzoek om het aan deze beschikking (in fotokopie) te hechten convenant te waarmerken wordt als niet op de wet gegrond afgewezen.

Daarnaast hebben partijen over en weer verzocht delen van het convenant, waaronder door de vrouw hetgeen zij zijn overeengekomen met betrekking tot de partneralimentatie, afzonderlijk op te nemen in de beschikking. Nu de vrouw belang heeft bij haar verzoek in verband met een executoriale titel, zal de rechtbank haar verzoeken dienaangaande toewijzen als na te melden. Gelet hierop zal de rechtbank ook de verzoeken van de man dienaangaande toewijzen als na te melden.

Kosten van tenuitvoerlegging

Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de alimentatiebeslissingen voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden, zal worden afgewezen, omdat de met executie gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn voor zover zij in redelijkheid zijn gemaakt hetgeen niet op voorhand is te beoordelen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdag] 2006;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man,

en bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw,

en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 171,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor [minderjarige 2] zal of kan worden verleend, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte met betrekking tot de kinderalimentatie;

*

neemt op de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte convenant en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek van partijen om het aan deze beschikking (in fotokopie) te hechten convenant te waarmerken;

*

bepaalt dat de man, met ingang van de datum waarop de woning, die partijen in onverdeelde mede-eigendom toebehoort, staande en gelegen aan de [echtelijke woning] te [plaats ew] in eigendom wordt overgedragen aan de vrouw, zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.000,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander overeenkomstig hetgeen partijen in artikel 1.2 van genoemd echtscheidingsconvenant met elkaar zijn overeengekomen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

veroordeelt de man om binnen 31 dagen na ondertekening van genoemd echtscheidingsconvenant aan de vrouw uit te betalen een bedrag van € 100.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde vanaf de eerste dag dat de hierboven omschreven betalingstermijn is verstreken tot aan de dag waarop de betaling geheel heeft plaatsgevonden en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de vrouw binnen 31 dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient te regelen dat de Rabobank de man ontslaat uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheekschuld, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat partijen binnen 31 dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand opdracht geven aan de notaris om een notariële akte te verlijden waarbij de onroerende zaak aan de [echtelijke woning] te [plaats ew] aan de vrouw wordt geleverd, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de alimentatiebeslissingen voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden;

*

verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten hun onderlinge verstandhouding en communicatie door middel van mediation te verbeteren;

*

verzoekt de Raad om een netwerkberaad te organiseren zoals hiervoor omschreven en bij de Raad bekend;

verzoekt de Raad, indien het netwerkberaad niet tot resultaat heeft geleid, een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad zal toesturen;

houdt de behandeling ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 september 2019 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk de uitkomsten van het netwerkberaad en/of zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van de uitkomsten van het netwerkberaad en/of van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de Raad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, J.M. Vink en P. van der Zanden, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2019.