Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2177

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
18/3448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gezinshereniging, duurzaamheid middelen, individuele omstandigheden beoordelen, Khachab en Chakroun arrest

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/84 met annotatie van Wiersma, M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18 / 3448

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Jalouqa, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2017 heeft verweerder de aanvraag van 15 november 2017 van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 7 september 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is voorts verschenen de heer [referent] (hierna: referent).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de toelichting zoals door de gemachtigde van eiseres ter zitting gegeven. Verweerder heeft op 28 september 2018 gereageerd. Eiseres heeft vervolgens op 11 oktober 2018 op het standpunt van verweerder gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek zonder het houden van een nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres is afkomstig uit Armenië en beoogt verblijf bij referent met wie zij op 12 augustus 2017 in Armenië in het huwelijk is getreden.

2. Verweerder heeft de aanvraag voor een mvv afgewezen omdat referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Referent is werkzaam bij [naam 1] B.V. Uit de gegevens van Suwinet blijkt dat het gaat om een arbeidsovereenkomst Fase A, zonder uitzendbeding met uitsluiting van loondoorbetalingsverplichting. Omdat referent een Fase A contract heeft, wordt niet voldaan aan het gestelde in artikel 3.75 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De middelen van bestaan zijn niet tenminste nog één jaar beschikbaar nu geen sprake is van een loondoorbetalingsverplichting. Ook voldoet referent niet aan het gestelde in artikel 3.75, derde lid, Vb. Uit de gegevens uit Suwinet blijkt dat referent in ieder geval over de periode van 15 december 2015 tot 15 december 2016 niet voldoende middelen van bestaan heeft verworven. Referent voldoet evenmin aan artikel 3.24b van het Voorschrift Vreemdelingen (VV), omdat, zoals al is aangegeven, de middelen niet zijn aan te merken als duurzaam. Nu sprake is van een uitzendbeding met uitsluiting van loondoorbetalingsbeding, valt niet uit te sluiten dat referent binnen afzienbare tijd na overkomst van eiseres een beroep kan gaan doen op de publieke middelen. De weigering eiseres een mvv te verlenen, levert volgens verweerder geen schending van artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op.

3.1

Eiseres voert aan, zoals toegelicht ter zitting en in de nadere reactie, dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat verweerder ten onrechte geen belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat referent in de toekomst een fase-B overeenkomst zal krijgen en ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat referent op het moment van het besluit niet zou voldoen aan het middelenvereiste. Verweerder heeft een onjuist toetsingskader toegepast bij de beoordeling of referent voldoet aan het normbedrag en of zijn middelen van bestaan duurzaam zijn. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de Gezinsherenigingsrichtlijn, het Chakroun-arrest en het Khachab-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) (van respectievelijk 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117 en 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:285). Verweerder dient op grond daarvan een individuele afweging te maken en het vooruitzicht van stabiele en regelmatige inkomsten te baseren op zes maanden voorafgaand aan het verzoek. Eiseres verwijst naar de brief van verweerder van 23 februari 2017 over de aanpassing van de toets van het middelenvereiste bij flexwerkers (TK 2016-2017, 32175, nr. 63) waarbij de norm als volgt wordt aangepast:
- verweerder kijkt maximaal 1 jaar terug en een half jaar vooruit:
- het moment van indiening van de aanvraag is voor het begin van die termijn leidend en niet de datum van het besluit;
- daarbij zal worden getoetst aan het normbedrag dat gold in het jaar waarop wordt teruggekeken.
Dat er geen doorbetalingsverplichting was, is onvoldoende om te concluderen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen, nu referent op het moment van de aanvraag al een jaar had gewerkt en nog een half jaar werkzaam zou zijn bij dezelfde werkgever. Dat impliceert immers dat hij beschikt over middelen van bestaan. Verweerder dient deze omstandigheden in het kader van de concrete beoordeling van de situatie van eiseres mee te nemen, zoals volgt uit, onder meer het Chakroun-arrest. Bovendien heeft het Hof overwogen dat gezinshereniging de norm dient te zijn en de afwijzing van een verzoek om gezinshereniging de uitzondering dient te vormen.
Subsidiair heeft eiseres gesteld, dat de toets in het bestreden besluit, waarbij ten onrechte wordt uitgegaan van een periode van 3 jaar, bovendien onjuist is toegepast, nu verweerder daarin ten onrechte de verdiende bedragen bij [naam 1] niet bij de berekening heeft betrokken. Als deze wel worden meegenomen dan voldoet referent aan de toepasselijke norm van 1 juli 2017. Eiseres heeft daartoe ter zitting een berekening overgelegd.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat nu sprake is van een motiveringsgebrek, evenmin sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd, zodat ook de in beroep overgelegde stukken in de besluitvorming worden meegenomen.

3.2

Verweerder heeft in zijn reactie van 28 september 2018 aangegeven dat ook indien bij toepassing van artikel 3.24 VV wordt uitgegaan van de datum van de aanvraag, niet wordt voldaan aan de daarin vervatte voorwaarden, nu er geen sprake was van een loonbetalingsverplichting waren de middelen op dat moment niet 6 maanden beschikbaar. Ook voldoet referent niet aan de flextoets van artikel 3.75, derde lid, Vb, nu met de inkomsten van referent bij [naam 2] en [naam 1] over de periode 15 december 2015 tot en met 14 december 2016 niet wordt voldaan aan de norm. Referent heeft ten onrechte het inkomen over de gehele maand december 2016 in de berekening meegenomen. Ook indien daarbij de per 1 juli 2015 geldende norm wordt gehanteerd (1507,80 exclusief vakantietoeslag) ligt het gemiddelde maandinkomen (1362,42 exclusief vakantietoeslag) daar onder. Door te toetsen aan de verkeerde inkomensnorm, zoals gesteld door eiseres, is eiseres dus niet in haar belangen geschaad.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.1

In het Khachab arrest heeft het Hof, voor zover van belang, als volgt overwogen.

“40. Uit het voorgaande volgt dat de mogelijkheid waarin in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 is voorzien noodzakelijkerwijs met zich brengt dat de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat op een prospectieve manier, na de datum van de indiening van het verzoek tot gezinshereniging, beoordeelt of de gezinshereniger stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten behoudt.
(…)

43. Ten slotte moet eraan worden herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat ingevolge artikel 17 van richtlijn 2003/86 verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden behandeld (arresten Chakroun, C‑578/08, EU:C:2010:117, punt 48, en K en A, C‑153/14, EU:C:2015:453, punt 60), en dat het aan de bevoegde nationale autoriteiten is om bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2003/86 en bij het onderzoek van de verzoeken om gezinshereniging, een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken (zie in die zin arrest O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 81)
(…)

45. In dit verband zij erop gewezen dat de duur van een jaar, waarin de gezinshereniger naar alle waarschijnlijkheid over voldoende inkomsten dient te beschikken, redelijk is en niet verder gaat dan noodzakelijk is om op individuele wijze het mogelijke risico te kunnen beoordelen dat de gezinshereniger na gezinshereniging ten laste van de sociale bijstand van de betrokken lidstaat komt. Deze periode van een jaar komt overeen met de geldigheidsduur van de verblijfstitel waarover de gezinshereniger ingevolge artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/86 ten minste dient te beschikken om een verzoek tot gezinshereniging te kunnen indienen. Bovendien hebben de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat ingevolge artikel 16, lid 1, onder a), van deze richtlijn de mogelijkheid om de verblijfstitel van een gezinslid van de gezinshereniger in te trekken indien de gezinshereniger gedurende het verblijf van dit gezinslid en tot het moment dat het gezinslid – volgens artikel 15, lid 1, van richtlijn 2003/86 uiterlijk na vijf jaar verblijf in deze lidstaat – een autonome verblijfstitel verkrijgt, niet meer over stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten beschikt.

(…)
48. Uit een en ander volgt dat artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 aldus moet worden uitgelegd dat het de bevoegde autoriteiten van een lidstaat de mogelijkheid biedt een verzoek om gezinshereniging af te wijzen op basis van een prospectieve beoordeling van de waarschijnlijkheid dat de gezinshereniger in het jaar dat volgt op de indiening van dat verzoek al dan niet over stabiele en regelmatige inkomsten blijft beschikken die volstaan om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat, waarbij deze beoordeling wordt gebaseerd op de ontwikkeling van de inkomenspositie van de gezinshereniger in de zes maanden voorafgaand aan dat verzoek.”

4.1.2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vervolgens bij uitspraak van 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:2588), voor zover van belang, als volgt overwogen:

“4.3.1 (…) Anders dan de vreemdeling heeft gesteld, vloeit het in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste van duurzaam beschikken over middelen van bestaan derhalve voort uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Voorts volgt uit punt 46 van het arrest dat de invulling van het begrip 'duurzaam' in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 met een duur van een jaar redelijk is.

4.3.2

De door de vreemdeling gestelde situatie op de arbeidsmarkt, waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met een duur korter dan een jaar of uitzendovereenkomsten, leidt daarom niet tot een ander oordeel, ook al omdat in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 met deze situatie rekening is gehouden. Gelet hierop en gegeven de situatie van de referent op de arbeidsmarkt, moet het beroep van de vreemdeling in haar reactie op de uit artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn voortvloeiende individuele beoordeling bij de toepassing van artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 worden beoordeeld.

Het betoog van de vreemdeling in haar reactie over het verschil tussen de Spaanse bepaling, op grond waarvan waarschijnlijk moet zijn dat de middelen van bestaan een jaar beschikbaar zijn, en artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000, op grond waarvan met een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar zeker moet zijn dat de middelen van bestaan een jaar beschikbaar zijn, wordt niet gevolgd. Een verlies van middelen van bestaan blijft ook bij een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar of langer een latent risico en met het beschikken over een zodanige arbeidsovereenkomst is dit risico dus niet uitgesloten (vergelijk punt 47 van het arrest van het Hof van 23 maart 2006, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen België, ECLI:EU:C:2006:192). Aldus komt artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 er in wezen ook op neer dat waarschijnlijk moet zijn dat de middelen van bestaan een jaar beschikbaar zijn.

4.3.3.

Het in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste doet derhalve, anders dan de vreemdeling heeft betoogd, geen afbreuk aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

(…)

4.4.

Het in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste dat de gezinshereniger gedurende een periode voorafgaand aan de aanvraag om gezinshereniging over middelen van bestaan moet beschikken is identiek aan de Spaanse bepaling die in het arrest Khachab aan de orde is. Anders dan in deze laatste bepaling bedraagt deze periode niet zes, maar 36 maanden en behoeven deze middelen niet een jaar na de indiening van de aanvraag om gezinshereniging beschikbaar te zijn.

(…)

4.4.1.

Uit punt 26 van het arrest Khachab volgt dat de doelstelling van de Gezinsherenigingsrichtlijn is de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten te bevorderen door via de gezinshereniging een gezinsleven mogelijk te maken. Uit de punten 42, 43 en 47 van dit arrest, in onderlinge samenhang gelezen, kan worden afgeleid dat het in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste niet in strijd met deze doelstelling mag zijn en dat niet alleen bij het daartoe strekkende onderzoek het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen, maar ook een individuele beoordeling is vereist.

4.4.2.

De staatssecretaris heeft zich in zijn reactie op het arrest Khachab op het standpunt gesteld dat uit dit arrest kan worden afgeleid dat de in artikel 3.75, eerste en derde lid, van het Vb 2000 gestelde vereisten in lijn zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Anders dan bij het eerste lid, kan dat standpunt bij het derde lid van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet zonder nadere motivering worden gevolgd.

4.4.2.1. De in artikel 3.75, derde lid, gestelde termijn van 36 maanden is zes keer langer dan de in de Spaanse bepaling gestelde termijn van zes maanden. De vreemdeling betoogt in haar reactie, onder verwijzing naar de richtsnoeren, terecht dat deze termijn van 36 maanden kan leiden tot een niet in de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogde extra voorwaarde en wachttijd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2120) bieden richtsnoeren, hoewel op zichzelf niet bindend, een handvat voor de interpretatie van de desbetreffende richtlijn.

4.4.2.2. De vreemdeling betoogt voorts terecht dat kan worden betwijfeld of de invulling van de beleidsregel in paragraaf B1/4.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) dat de hoogte van de in de aan de aanvraag om gezinshereniging voorafgaande 36 maanden verworven middelen van bestaan moeten voldoen aan het normbedrag op het moment van deze aanvraag, ook in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. De gezinshereniger kan immers niet van te voren weten wat op het moment dat hij de aanvraag om gezinshereniging indient de hoogte van het bedrag zal zijn op grond waarvan zal worden beoordeeld of hij voldoende middelen van bestaan heeft. Hij kan zich alleen richten op de bedragen die in de drie jaar voorafgaand aan het moment van het indienen van de aanvraag om gezinshereniging per jaar zijn vastgesteld.

4.4.2.3. Daarnaast is de hoogte van het bedrag waaraan de middelen van bestaan moeten voldoen niet zonder meer doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of de gezinshereniger over voldoende middelen van bestaan beschikt. In punt 48 van het arrest Chakroun heeft het Hof immers overwogen dat, aangezien de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kan verschillen, de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen, maar dat zij niet een minimuminkomen kunnen bepalen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan, zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager.

Hieruit volgt dat het feit dat het inkomen van referent in 2011 niet voldeed aan de voor 2014 geldende hoogte van het bedrag, voor zover deze invulling van de toepasselijke beleidsregel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, al toelaatbaar is, op zichzelf onvoldoende is om te oordelen dat de referent in 2011 niet over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. Daarnaast is een concrete beoordeling nodig van de situatie van de referent als bedoeld in dat arrest. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris in het besluit van 11 november 2014 niet heeft gemotiveerd waarom het feit dat de in 2012 en 2013 verworven middelen van bestaan wel aan de voor 2014 geldende hoogte van het bedrag voldoen niet tot een ander oordeel leidt. Bovendien is van belang dat de referent, naar niet in geschil is, in de periode 2011 tot en met 2013 geen beroep heeft gedaan op het stelsel van sociale bijstand en aldus voldoet aan het doel van het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn gestelde vereiste dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten (zie punt 46 van het arrest Chakroun).

Dat de referent ten tijde van het besluit van 11 november 2014 niet meer over middelen van bestaan beschikte, doet daaraan niet af. Indien de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om gezinshereniging met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en op basis van een concrete beoordeling van de situatie van de referent had behandeld, is niet uitgesloten dat hij tot het oordeel had kunnen komen dat de referent op het moment van het indienen van de aanvraag om gezinshereniging duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikte.

4.4.3.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geconcludeerd dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan de op hem rustende plicht tot een concrete beoordeling van de situatie van de referent en ten onrechte heeft volstaan met de vaststelling dat niet aan het in artikel 3.75, derde lid, gestelde vereiste van het Vb 2000 en aan de invulling van de beleidsregel in paragraaf B1/4.3.2. van de Vc 2000 is voldaan.”

4.1.3

In de door eiser aangehaalde brief van verweerder van 23 februari 2017 aan de Tweede Kamer naar aanleiding van deze afdelingsuitspraak staat onder meer het volgende vermeld:

“De Afdeling heeft geoordeeld dat de periode van drie jaar terugkijken te lang is. Het gedurende drie jaar beperken van de mogelijkheid tot gezinshereniging, is in strijd met de doelstelling van de Gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk het bevorderen van de integratie door via gezinshereniging een gezinsleven mogelijk te maken.1 Volgens de Afdeling kan dit leiden tot een niet in de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogde extra voorwaarde en wachttijd. Daarnaast heeft de Afdeling geoordeeld dat de beleidsregel niet deugdelijk is omdat ten aanzien van de hoogte van de inkomsten wordt getoetst aan het normbedrag dat geldt op het moment van aanvraag. Immers, de referent weet daardoor van te voren niet aan welk normbedrag hij heeft te voldoen. Deze onderdelen moeten dan ook aangepast worden.”

(…)

Omdat een terugkijktermijn van één jaar naar verwachting als een rechtens houdbare termijn zal worden beschouwd, zal het beleid zodanig worden aangepast. Bij de aanvraag zal worden getoetst aan het normbedrag dat gold in het jaar waarop wordt teruggekeken.

(…)

Naast de terugkijktermijn van één jaar wordt er in de nieuwe toets ook een half jaar vooruitgekeken. Dat wil zeggen dat de inkomsten uit arbeid van de referent in ieder geval op het moment van de aanvraag nog ten minste zes maanden beschikbaar moeten zijn.”

4.1.4

Bij Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 maart 2017, nummer 2055393, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) (Stcrt. 23 maart 2017, nr. 17314; hierna: de Regeling) is naar aanleiding van het arrest Khachab en de door eiser genoemde Afdelingsuitspraak van 21 september 2016 aan het VV 2000 artikel 3.24b toegevoegd.

Ingevolge dat artikel zijn, in aanvulling op artikel 3.75, eerste lid, van het Besluit, in het kader van verblijf als familie- of gezinslid middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog zes maanden beschikbaar zijn.

4.2.1

De rechtbank stelt voorop dat uit de hiervoor geciteerde jurisprudentie volgt dat de toepassing van de voorwaarden voor gezinshereniging niet in strijd mag zijn met de doelstelling van de Gezinsherenigingsrichtlijn om integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten te bevorderen door via de gezinshereniging een gezinsleven mogelijk te maken. Bij de beoordeling van een aanvraag voor gezinshereniging moet niet alleen het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen, maar is ook een individuele beoordeling vereist. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de besluitvorming van verweerder hier niet aan.

4.2.2

Allereerst heeft verweerder in het bestreden besluit bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag voldoet aan de in artikel 3.75 Vb gestelde voorwaarden niet de juiste inkomensnorm aangehouden. Zoals uit het voorgaande volgt, dient uit te worden gegaan van het normbedrag dat gold in de periode waarop wordt teruggekeken. Reeds daarom is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

Daar komt bij dat uit de hiervoor geciteerde overwegingen van het Hof in het Khachab arrest en de daarin opgenomen verwijzing naar onder meer het Chakroun arrest en de interpretatie daarvan door de Afdeling, volgt dat weliswaar de in artikel 3.24b VV neergelegde voorwaarden geacht kunnen worden in algemene zin in overeenstemming te zijn met de (doelstelling van de) Gezinsherenigingsrichtlijn, maar dat er altijd een evenredigheidstoets moet plaatsvinden en een afweging dient te worden gemaakt van de individuele omstandigheden. Het in het bestreden besluit en de aanvullende reactie opgenomen standpunt dat, reeds omdat in de uitzendovereenkomst van referent geen doorbetalingsverplichting is opgenomen niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de middelen nog zes maanden beschikbaar zijn, volstaat in dat opzicht niet. Getoetst dient te worden of waarschijnlijk is dat de middelen van bestaan in die periode beschikbaar zijn. Deze beoordeling dient op individuele wijze plaats te vinden om het mogelijke risico te kunnen beoordelen dat de gezinshereniger na gezinshereniging ten laste van de sociale bijstand van de betrokken lidstaat komt. Daarbij wordt de ontwikkeling van de inkomenspositie van de gezinshereniger voorafgaand aan dat verzoek betrokken.
In dit geval heeft eiseres aangevoerd dat referent nooit een beroep heeft gedaan op de publieke middelen en reeds sinds 9 juni 2011 in dienst is van [naam 1] en sinds 17 november 2016 onafgebroken voor deze werkgever arbeid heeft verricht, terwijl zijn uitzendovereenkomst die ten tijde van de aanvraag nog zes maanden geldig was, daarna zou worden omgezet in een fase-B overeenkomst. Verweerder heeft deze omstandigheden ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken.

Voorts acht ook de Afdeling de tegenwerping van verweerder dat referent niet voldoet aan de inkomensnorm (voor zover daarvan conform de toetsing aan de periode waarop wordt teruggekeken zoals door verweerder in de nadere reactie gesteld zou moeten worden uitgegaan) op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat referent niet over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. Daarbij is niet alleen de hoogte van het verschil met die norm van belang, maar tevens het feit dat referent, naar niet in geschil is, geen beroep heeft gedaan op het stelsel van sociale bijstand en aldus voldoet aan het doel van het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn gestelde vereiste dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten (zie punt 46 van het arrest Chakroun).
De beroepsgrond slaagt.

4.2.3

Uit voorgaande vloeit voort dat evenmin kan worden volgehouden dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, zodat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiseres/referent in bezwaar te horen.

4.3

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:2 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal eiseres dan wel referent voorafgaand daaraan dienen te horen en in de gelegenheid dienen te stellen het standpunt over de specifieke omstandigheden met betrekking tot de hoogte van de middelen en of deze voldoen aan het toepasselijke normbedrag nader toe te lichten, alsmede de specifieke omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling zoals hiervoor overwogen. Voorts zal verweerder de in beroep overgelegde stukken bij het nieuw te nemen besluit dienen te betrekken. De rechtbank stelt voor het nemen van dat nieuw te nemen besluit daarom een termijn van tien weken na verzending van deze uitspraak.

4.4

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

4.5

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 170,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1024,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van J. van Roode, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (middelenvereiste).

2
Uit artikel 3.75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), volgt dat de middelen van bestaan in ieder geval duurzaam zijn, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

3 Blijkens artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog beschikbaar zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld met inkomen uit arbeid in loondienst.

4 Daarnaast volgt uit artikel 3.24b, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) in werking getreden op 27 april 2017, dat, in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam zijn, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog zes maanden beschikbaar zijn.