Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
09-827220-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer mishandeld met een mes, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Geen aanknopingspunten voor het door de verdediging aangevoerde scenario dat het slachtoffer zichzelf met het mes heeft gesneden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827220-18

Datum uitspraak: 25 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende, [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 17 september 2018 (regiezitting) en

11 februari 2019 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.K. Schoep en van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw mr. M.M. Vié naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 22 april 2018 te 's-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadigde zenuw en/of een doorgesneden pees en/of beschadigde bloedvaten in de linker arm van die [slachtoffer] , heeft toegebracht door met (een) mes(sen) meermalen (met kracht) in die arm te snijden en/of te steken en/of te hakken en/of te slaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Verdachte wordt - zakelijk weergegeven - verweten dat zij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zwaar heeft mishandeld met een mes. Verdachte ontkent dat zij dit heeft gedaan. Volgens haar heeft verdachte zichzelf gesneden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde zware mishandeling met een mes, waarbij de pees in de linkerarm van [slachtoffer] is doorgesneden, en verdachte vrij te spreken van datgene wat meer is ten laste gelegd. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – op de gronden zoals weergegeven in de overgelegde pleitnotitie – vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde zware mishandeling. Daar waar dit van belang is, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Zwaar lichamelijk letsel

Op 22 april 2018 heeft [slachtoffer] twee grote snijwonden opgelopen in zijn linker onderarm.2 [slachtoffer] is opgenomen in het ziekenhuis en geopereerd aan zijn linker arm, waarbij bloedende vaten zijn onderbonden en enkele doorgesneden pezen zijn gehecht. De duur van revalidatie wordt geschat op enkele maanden.3 Ook wordt een “zeer klein takje van de n. radialis” [zenuw in de onderarm, toevoeging rechtbank] gevonden.4

De arm en duim van [slachtoffer] zijn nog gevoelloos en hij is nog steeds onder behandeling bij een fysiotherapeut.5

Op grond van het bovenstaande staat vast dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen aan zijn linker onderarm, het herstel van het letsel meer dan zes maanden duurt en hij nog steeds onder behandeling is van een fysiotherapeut voor zijn herstel. De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen dan ook als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

Toebrengen letsel

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat verdachte dit letsel heeft toegebracht.

Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

De verklaring van verdachte over het toebrengen van dit letsel staat lijnrecht tegenover de verklaring van [slachtoffer] . Zodoende is het aan de rechtbank om vast te stellen welke lezing van de feiten juist is. De rechtbank kijkt bij de beoordeling en de vaststelling van deze feiten naar de consistentie, logica en daarmee ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van enerzijds [slachtoffer] en anderzijds verdachte. Daarbij is met name van belang of het relaas van een van beide door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund of ontkracht.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 22 april 2018 omstreeks 02.00 uur samen met verdachte in haar woning aan de [adres] te Den Haag was. Zij hadden Vodka en een paar biertjes op en verdachte bestelde nog meer drank bij een bierkoerier.6

[slachtoffer] en verdachte hadden SM-seks, waarbij [slachtoffer] verdachte had vastgebonden en haar onder meer twee tikken in het gezicht heeft gegeven.7

Verdachte zei op een gegeven moment dat [slachtoffer] haar pijn had gedaan, omdat hij meerdere keren op haar nieuwe piercing had geslagen en dat [slachtoffer] nooit naar haar luisterde. Verdachte begon te schreeuwen en met haar armen te zwaaien. [slachtoffer] pakte verdachte beet en toen kreeg hij drie klappen van haar op zijn neus. Verdachte liep weg en [slachtoffer] bleef op het bed zitten. Verdachte pakte toen een van de messen uit het keukenblok met “chef’s messen” dat op de koelkast rechts van de wasbak in de kamer van verdachte stond. Verdachte schreeuwde dat [slachtoffer] haar huis uit moest, gooide het mes op de tafel en kwam op [slachtoffer] af.

[slachtoffer] duwde verdachte op het bed en verdachte liep daarna naar de tafel en pakte het mes. Zij kregen weer “hommeles”. Verdachte had het mes in haar rechterhand en wees met de punt naar [slachtoffer] . [slachtoffer] liep naar verdachte toe om het mes af te pakken en toen “hakt ze dat ding” vol in de onderarm van [slachtoffer] . Verdachte heeft twee keer “geslagen, geprikt, gehakt, weet ik het”. [slachtoffer] duwde verdachte weg en zij maakte met het mes een steekbeweging van de zijkant, die vlakbij zijn andere wond terecht kwam.

[slachtoffer] is naar de gang gerend, heeft de deur van de kamer van verdachte dichtgedaan en deze een paar minuten vastgehouden. Hij zag in de keuken een wc-rol liggen en heeft wc-papier om zijn arm gewikkeld. Daarna is hij naar beneden gelopen en kwam hij op straat een Zweedse man [getuige [getuige] , toevoeging rechtbank] tegen, die hem hielp zijn wond te verzorgen.8

Naar aanleiding van een melding van een steekincident zijn meerdere agenten naar de woning van verdachte gegaan. In de keuken zagen verbalisanten meerdere druppels/spetters/vegen bloed op de koelkast, voor de koelkast, op de deur van de kamer van verdachte en voor het bed in de kamer van verdachte. In de wasbak in de kamer van verdachte (links van de deur) lag een groot mes besmeurd met bloed. Van dit alles zijn foto’s gemaakt.9

Getuige [getuige] , die geen Nederlands spreekt, maar wel Engels, heeft verklaard dat hij in zijn tuin zat en op een gegeven moment een meisje om hulp hoorde roepen en nadat hij de politie had gebeld een man in zijn huis zag met een bloedende arm. Deze man zei tegen hem “the bitch stabbed me”.10

Verdachte heeft verklaard dat zij en [slachtoffer] op de avond van 22 april 2018 veel alcohol hadden gedronken, hadden geblowd en dat ze SM-seks hadden, waarbij het de bedoeling was dat ze elkaar zouden snijden en elkaars bloed zouden drinken.

Zij heeft een paar keer het stopwoord gebruikt en toen zijn ze even gestopt, maar bij de vierde keer dat ze het stopwoord riep, luisterde verdachte niet en raakte verdachte in paniek en werd zij boos. Zij kregen ruzie en het werd schreeuwen en vechten en zij sloeg [slachtoffer] overal waar zij kon. Zij riep ook om hulp. Verdachte is toen van haar af gegaan. Opeens was overal politie. Zij is haar kamer niet uitgegaan.11

Verdachte heeft in haar derde verhoor verklaard dat op haar koelkast een messenblok met messen staat en dat het mes met bloed dat in de wasbak in haar kamer is gevonden uit het messenblok komt.12

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat de keukenmessen op de koelkast in haar kamer lagen en dat deze niet bij de seks zijn gebruikt. De koelkast staat in haar kamer naast de wastafel. Zij weet niet hoe de messen van de koelkast zijn gekomen.13

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet, anders dan de raadsvrouw, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever. De rechtbank acht de verklaring betrouwbaar, omdat deze voor wat betreft datgene wat is voorafgegaan aan het incident grotendeels overeenstemt met datgene wat verdachte hierover heeft verklaard.

De verklaring van [slachtoffer] dat verdachte hem in haar kamer heeft gesneden met een mes, vindt verder steun in de bloedsporen die zijn aangetroffen in de keuken, in de kamer van de verdachte en op de deur van de kamer van verdachte. Deze passen bij de verklaring van verdachte dat hij in haar kamer geraakt is en dat hij de deur van de kamer van verdachte dicht heeft gehouden en naar de keuken is gelopen om keukenpapier om zijn bloedende arm te doen.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Uit dit oordeel van de rechtbank volgt dat zij de door verdachte geschetste toedracht van het letsel – namelijk dat [slachtoffer] het mes uit het messenblok heeft gepakt en hij daarmee in de keuken in zijn linkerarm heeft gesneden – niet aannemelijk. Ook overigens bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt dat dit scenario ondersteunt.

Door [slachtoffer] met een groot scherp mes meerdere keren in zijn arm te snijden en of te steken en/of te hakken en/of te slaan, acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat verdachte hierbij onder invloed van alcohol en drugs was, maakt dit oordeel niet anders.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande en op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] , zoals hierna bewezen is verklaard.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft (voorwaardelijk) verzocht om onderzoek te verrichten naar het letsel van [slachtoffer] , indien de rechtbank niet tot een vrijspraak komt. De rechtbank wijst dit verzoek van de verdediging af. De rechtbank gaat er vanuit dat een expert in het voor verdachte meest gunstigste geval zal rapporteren dat het mogelijk is dat [slachtoffer] met een mes de snijwonden zelf heeft toegebracht. Over de vraag wie het letsel heeft toegebracht zal de deskundige (verder) niets kunnen rapporteren. Nu, zoals hierboven reeds is geoordeeld, de lezing van verdachte niet aannemelijk is en voor dat scenario geen enkel aanknopingspunt bestaat, acht de rechtbank een onderzoek naar het letsel van [slachtoffer] niet noodzakelijk voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. De rechtbank acht zich op basis van het dossier voldoende voorgelicht. Hiermee is de grondslag aan het door de verdediging verzochte onderzoek komen te ontvallen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

zij op 22 april 2018 te 's-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een beschadigde zenuw en een doorgesneden pees en beschadigde bloedvaten in de linker arm van die [slachtoffer] , heeft toegebracht door met een mes meermalen met kracht in die arm te snijden en/of te steken en/of te hakken en/of te slaan.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 193 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vier jaren en als bijzondere voorwaarden, een meldplicht bij GGZ Reclassering Fivoor, opname in een zorginstelling voor de duur van maximaal 12 maanden, ambulante behandeling bij een forensische polikliniek of een polikliniek van GGZ en meewerken aan schuldhulpverlening.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die niet langer is dan de duur van het voorarrest gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel met de bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een klinische opname van maximaal 4 maanden en daarna ambulante behandeling. Verdachte wil graag schemagerichte cognitieve therapie volgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

Verdachte heeft [slachtoffer] zwaar mishandeld met een mes, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer] is in het ziekenhuis beland en heeft een operatie aan zijn arm moeten ondergaan. Daarna heeft hij moeten revalideren en is hij nog steeds onder behandeling bij een fysiotherapeut.

Door haar handelen heeft verdachte op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en heeft zij hem de nodige angst aangejaagd. Het is algemeen bekend dat een gebeurtenis als deze grote emotionele impact heeft op een slachtoffer.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het op naam van verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie van 18 januari 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadviezen van 20 juli 2018 en

25 april 2018 (voorgeleiding) en de voortgangsverslagen toezicht van 14 september 2018 en 8 februari 2019.

Hieruit komt naar voren dat verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft en destructief in haar gedrag is, hetgeen zich uit in excessief middelengebruik (alcohol en speed) en door middel van automutilatie. Jarenlange pogingen om verdachte te behandelen tijdens plaatsing in diverse instellingen hebben niet geleid tot afname van dit gedrag. De reclassering schat de kans op recidive en het risico op letselschade in als hoog. De kans op het onttrekken aan voorwaarden is gemiddeld.

Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht bij GGZ Reclassering Fivoor, opname in een zorginstelling voor de duur van maximaal 12 maanden, ambulante behandeling bij een forensische polikliniek of een polikliniek van GGZ en meewerken aan schuldhulpverlening.

In het voortgangsverslag van 8 februari 2019 is vermeld dat verdachte is afgewezen voor behandeling bij forensische zorgspecialisten van De Waag en dat zij daarna in behandeling is gekomen bij de forensische polikliniek van Fivoor. Zij lijkt onmogelijk te behandelen te zijn, omdat geen continuïteit zit in afspraken en verdachte fors middelen blijft gebruiken.

Op 21 december 2018 is zij ter detoxificatie opgenomen bij De Brijder, maar is daar op

1 januari 2019 niet van planning teruggekomen. Zij komt haar afspraken op school ook niet meer na en het verzuim is zeer groot.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op twee Pro Justitia rapportages over verdachte van 9 juli 2018 en 10 juli 2018, opgesteld door drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, respectievelijk B.J.H. van der Hoeven, psychiater (supervisor).

Zowel de psycholoog als de psychiater schrijven dat verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is ook sprake van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van een stoornis in het gebruik van alcohol en hoge verslavingsgevoeligheid. Beide stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit.

De psycholoog kan vanwege de ontkennende verklaring van verdachte geen uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid, maar schrijft dat bij een bewezenverklaring het wel voorstelbaar is dat, vanuit de problematiek van verdachte, het ten laste gelegde haar niet volledig toe te rekenen is. Het risico op fysiek gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog.

De psychiater kan ook geen uitspraak doen over de toerekenbaarheid en de kans op recidive. Wel is volgens de psychiater - als gevolg van de combinatie van de verslaving van verdachte en de posttraumatische en persoonlijkheidsproblematiek - sprake van een hoog risico dat verdachte, bij gelijkblijvende omstandigheden, gewelddadig gedrag zal vertonen.

Zowel de psychiater als de psycholoog kunnen vanwege de ontkennende verklaring van verdachte geen advies geven over een eventueel op te leggen straf.

De psycholoog geeft aan dat bij een bewezenverklaring bij een voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd: een behandeling bij een dubbele diagnose-instelling (Brijder of Centrum voor dubbele problematiek van Fivoor) en reclasseringstoezicht.

De psychiater beveelt vanuit zorgpunt een intensief behandeltraject aan, bestaande uit (dubbele diagnose) behandeling met een outreached karakter (bemoeizorg) in combinatie met woonbegeleiding.

De op te leggen straf

De rechtbank is met de psycholoog van oordeel dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (borderline persoonlijkheidsstoornis) en de ziekelijke stoornis van de geestesvermogens (alcohol- en drugsgebruik) enigszins een rol hebben gespeeld bij het bewezenverklaarde feit en zal dit meewegen bij de op te leggen straf.

Alles overwegende ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om - in afwijking van de oriëntatiepunten voor straftoemeting - géén (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In plaats daarvan zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 193 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaar. Het voorwaardelijke strafdeel met een ruime proeftijd strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken en om verdachte te motiveren om de noodzakelijke klinische behandeling, met de duur van maximaal 12 maanden, en ambulante behandeling te blijven ondergaan. Verdachte kan op deze manier bovendien aantonen dat zij echt gemotiveerd is om haar leven een andere wending te geven.

De rechtbank zal, in het licht van de door de reclassering vastgestelde verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en het hoge recidiverisico zonder behandeling, aan die voorwaardelijke gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarden, ook een aantal bijzondere voorwaarden verbinden. Die bijzondere voorwaarden bestaan uit een meldplicht bij GGZ Reclassering Fivoor, opname in een zorginstelling voor de duur van maximaal 12 maanden en ambulante behandeling bij een forensische polikliniek of een polikliniek van GGZ.

De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast op te leggen dat verdachte moet meewerken aan schuldhulpverlening, nu dit geen verband houdt met het bewezenverklaarde feit.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [slachtoffer] .

Gelet op de persoonlijkheidsstoornis van verdachte en haar middelengebruik is de rechtbank van oordeel dat ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Zodoende wordt bewerkstelligd dat verdachte direct kan worden opgenomen en behandeld.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 5.220,79, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit materiële

(€ 3.727,04) en immateriële schade (€ 1.493,75). Hij heeft daarbij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de materiële kosten toe te wijzen tot een bedrag van in totaal € 413,48 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag voor verlies arbeidsvermogen

(€ 3.303,56), omdat dit deel van de vordering te ingewikkeld is om in de strafprocedure te behandelen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd deze volledig toe te wijzen. Daarnaast heeft hij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat gelet op de bepleite vrijspraak de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de materiële kosten voor het bedrag van € 413,48 voldoende zijn onderbouwd en toewijsbaar zijn. Het gevorderde bedrag voor verlies arbeidsvermogen (€ 3.303,56) is te ingewikkeld om in de strafprocedure te behandelen en de benadeelde partij moet voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De immateriële schade kan, gelet om het aandeel dat [slachtoffer] zelf heeft gehad bij het incident, slechts tot een bedrag van € 625,-- worden toegewezen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De gevorderde materiële kosten voor het bedrag van € 413,48 zijn niet betwist en voldoende onderbouwd door de benadeelde partij, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post verlies arbeidsvermogen (€ 3.303,56), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de overgelegde berekening te veel vragen oproept en de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag € 1.250,-- als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar.

[slachtoffer] heeft zijn vordering verminderd met 25%, met het oog op een gedeeltelijke betwisting wegens eigen schuld. Dat deel van de eigen schuld is tussen partijen dan ook niet in geding. Voor een aannemen van een groter deel eigen schuld, zoals bepleit, is geen grond. De rechtbank zal het totaal toe te wijzen bedrag van € 1.663,48 dan ook verminderen met 25% en derhalve toewijzen een bedrag van in totaal € 1.247,61. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 22 april 2018 is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.247,61, vermeerderd met de wettelijk rente daarover vanaf

22 april 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer] .

8 Het inbeslaggenomen goed

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 2 vermelde, niet bij het plegen van het bewezenverklaarde feit gebruikte mes met kartelrandjes.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 193 (honderddrieënnegentig) dagen;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 180 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na heden meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende twaalf maanden van de proeftijd, of zoveel korter als haar behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat diagnosticeren en opnemen in een intramurale instelling, of soortgelijke forensische instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een forensische polikliniek of een polikliniek van de GGZ, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor haar psychische problematiek en middelengebruik;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] een bedrag van € 1.247,61, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 april 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 310,11 als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 937,50,- als vergoeding voor immateriële schade;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.247,61, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 april 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 310,11 als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 937,50,- als vergoeding voor immateriële schade;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder 2 vermelde mes met kartelrandjes.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, rechter,

mr. D.R. Glass, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal - de Zoeten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018104929, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, Distritsrecherche Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 152).

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 71.

3 Een geschrift, te weten de geneeskundige verklaring van de afdeling heelkunde, locatie Westeinde, J.M. Hoogendoorn, traumachirurgchirurg, gedateerd 26 april 2018, blz. 152.

4 Een geschrift, te weten een operatieverslag van S. Verhage, traumachirurg, gedateerd 23 april 2018, als bijlage gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer] .

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 147 en een geschrift, te weten een verslag van R.B. Groeneveld, fysiotherapeut, gedateerd 5 februari 2019, als bijlage gevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer] .

6 Proces-verbaal verhoor van aangever, blz. 38 laatste alinea en blz. 39, 1e alinea.

7 Proces-verbaal verhoor van aangever, blz. 66 5e alinea.

8 Proces-verbaal verhoor van aangever, blz. 39 en 540.

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 96 en de foto’s op blz. 99 en 100.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 107.

11 Proces-verbaal verhoor van verdachte, blz. 131, 132

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 37 en de foto op blz. 40.

13 Verklaring van verdachte, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 25 april 2018, onder punt 4.