Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:2142

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
09-827157-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling. Beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827157-16

Datum uitspraak: 25 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 17 september 2018 (regiezitting) en

11 februari 2019 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Kooijmans en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. W.S.A.H. Croes naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 november 2015 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een (zak)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal (met kracht) heeft gestoken in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

Op 22 november 2015 heeft in Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] (hierna: aangever). Vaststaat verder dat verdachte aangever een aantal keren van dichtbij met een mes in zijn rug heeft gestoken.2

Aangever heeft als gevolg van dit incident drie snijverwondingen aan de linker rugzijde opgelopen, te weten ter hoogte van boven- en onderzijde van het schouderblad en naast de wervelkolom ter hoogte van de bovenzijde van het bekken. Deze verwondingen waren ongeveer drie centimeter breed tot in de spier. Daarnaast heeft aangever een snijverwonding van ongeveer 2 centimeter opgelopen in de rugzijde van zijn linker hand. Er is geen sprake van inwendig letsel. De chirurg schat de totale genezingsduur in op vier weken.3

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (zoals primair tenlastegelegd) of aan een poging tot zware mishandeling (zoals subsidiair tenlastegelegd).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zwaar lichamelijk letsel. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – op de gronden zoals weergegeven in de pleitnotitie – vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot doodslag dan wel poging zware mishandeling. Daar waar dit aangewezen is, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsman is aangevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Kwalificatie

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft het slachtoffer met een mes drie keren gestoken in de rug, een kwetsbaar deel van het lichaam waarin zich veel spieren, zenuwen en grote bloedvaten bevinden. De steekwonden reikten tot in de spier. Door zo te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wordt dan ook bewezen verklaard.

Conclusie

Gelet op het voorgaande en op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling van aangever.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op of 22 november 2015 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes meermalen heeft gestoken in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van verdachte

4.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat verdachte een beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangever op verdachte af kwam rennen en een hand in zijn zak deed alsof hij iets wilde pakken. Verdachte heeft aangever toen vastgepakt, voelde in diens jaszak en heeft daaruit het mes van aangever afgepakt. Op dat moment zag verdachte veel jongens om hem heen met bivakmutsen en zag dat wapens werden uitgedeeld aan de vrienden van aangever; een zwaard, hamer, koevoet, breekijzer en een mes. Op dat moment hoorde verdachte een vriend van aangever roepen “blaas hem”, wat volgens verdachte betekent “schiet hem neer”. Toen zag hij dat aangever zijn hand in zijn zak deed en was verdachte bang dat aangever een wapen zou pakken. Verdachte vreesde voor zijn leven en dacht op dat moment dat hij beschoten zou worden door aangever. Verdachte zag in deze dreigende situatie geen andere mogelijkheid en wilde voorkomen dat aangever zou schieten. Hij was genoodzaakt zichzelf te verdedigen. Daar komt bij dat verdachte op dat moment beelden uit het verleden zag dat zijn vriend werd gestoken. Verdachte verkeerde door het gebeuren in een hevige emotionele gemoedstoestand, waarbij hij wellicht te heftig heeft gereageerd en de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient vast komen te staan dat op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, waartegen hij zich noodzakelijk moest verdedigen.

Alhoewel de precieze gebeurtenissen rondom het steekincident niet volledig duidelijk zijn geworden, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vlak vóór het moment dat verdachte het mes van aangever afpakte; verdachte en aangever waren daarvoor in een fysieke schermutseling met elkaar verwikkeld. Deze situatie was echter geëindigd op het moment dat verdachte het mes van aangever afpakte. De gedragingen van aangever na dit moment kunnen niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Immers, verdachte heeft nadat hij het mes van aangever had afgepakt, enkel de vrees voor zo'n aanranding kunnen hebben. De enkele vrees voor een aanranding is onvoldoende om te spreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Nu geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, was er dus ook geen noodzaak zich hiertegen te verdedigen

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake was van een noodweersituatie en daarmee komt verdachte geen beroep toe op noodweer en evenmin op noodweerexces.

Het beroep op putatief noodweer steunt in overwegende mate op de veronderstelling dat aangever een wapen zou trekken. Verdachte heeft daartoe gesteld dat hij aangever met zijn hand richting zijn jas zag gaan, hoorde dat iemand zei “blaas hem, blaas hem” en daaruit afleidde dat aangever een wapen zou trekken. De gedachte dat het om een wapen zou gaan, heeft verdachte in redelijkheid kunnen hebben aangezien hij voor het incident zag dat de jongens die om hem heen stonden bivakmutsen ophadden en dat wapens werden uitgedeeld, aldus de verdediging.

Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer zal de rechtbank moeten beoordelen of sprake was van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Die verontschuldigbaarheid dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. De subjectieve ervaring van aangever is daarbij niet leidend.

Er is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat aangever, naast het mes dat verdachte had afgepakt, nog een wapen bij zich droeg. Ook de verklaring van verdachte dat hij iemand hoorde zeggen “blaas hem blaas hem”, wordt niet door andere verklaringen of gegevens ondersteund.

Op het enkele feit dat aangever met zijn hand naar zijn jaszak ging, heeft verdachte niet redelijkerwijs de veronderstelling kunnen baseren dat hij werd aangevallen en hij zichzelf daartegen mocht verdedigen op de wijze zoals verdachte heeft gedaan. Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook eveneens verworpen.

Aangezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke straf dan wel een taakstraf op te leggen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

Verdachte heeft aangever meerdere keren met een mes in zijn rug gestoken, waardoor aangever letsel heeft opgelopen. Van dit alles zijn omstanders getuige geweest.

Door zijn handelen heeft verdachte op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het is algemeen bekend dat een gebeurtenis als deze grote emotionele impact heeft op het slachtoffer. Daarbij versterkt een dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid, in het bijzonder bij de personen die getuige zijn geweest van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft zich door de broer van zijn vriendin in een situatie laten brengen, waarvan hij kon voorzien dat die tot geweld zou kunnen leiden. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat uit het dossier voldoende blijkt dat hij zich in de situatie heeft begeven (mede) om die tot bedaren te brengen. Dat wordt ondersteund door de omstandigheid dat het mes waarmee hij het slachtoffer verwondde niet door hem was meegebracht. De rechtbank weegt ook mee dat het slachtoffer en degenen die hem vergezelden kennelijk uit waren op een gewelddadige confrontatie.

De persoon van verdachte

De rechtbank acht geslagen op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 januari 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het beknopte reclasseringsadvies van 27 augustus 2018. Hieruit komt naar voren dat verdachte een belastende jeugd heeft gehad, waarbij hij meerdere keren uit huis werd geplaatst. Sinds twee jaar heeft verdachte zelfstandige woonruimte en volgt hij een opleiding. Deze stagneert, omdat hij geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) krijgt. Hierdoor bouwt hij ook een studieschuld op. De reclassering acht reclasseringstoezicht met interventie op dit moment niet noodzakelijk.

In het rapport is verder vermeld dat de reclassering contact heeft gehad met de zorg- coördinator van het [school] waar verdachte een opleiding volgt. Zij is positief over de houding van verdachte en geeft aan dat verdachte zeer begaan is met ouderen, een stage in een verpleegtehuis heeft gelopen en geknipt is voor dit werk. Als hij geen VOG krijgt kan hij de opleiding niet voortzetten.

De op te leggen straf

Verdachte is op 16 maart 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM van meer dan zes en minder dan twaalf maanden en is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen gevangenisstraf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en mede gelet op het feit dat verdachte sinds het bewezenverklaarde feit - dat alweer van enige tijd geleden is - aanleiding om, in afwijking van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, géén onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank deze straf zo matigen, dat het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf wordt verhoogd tot 74 dagen.

Verdachte vreest dat een VOG na een veroordeling voor dit geweldsincident – in ieder geval de komende jaren – niet zal worden afgegeven. Hierdoor kan hij geen stage lopen in de gezondheidszorg en zijn opleiding niet afmaken. Dat leidt niet tot een andere straf.

De rechtbank merkt op dat zij niet inziet hoe de feiten en omstandigheden zoals die uit het strafdossier blijken, in het bijzonder de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheden waaronder het steekincident heeft plaatsgevonden, in de weg zouden staan aan een stage in de gezondheidszorg.

6 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde poging doodslag heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 74 (vierenzeventig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.R. Glass, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, rechter,

mr. G.H.M. Smelt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015340245, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, districtsrecherche Alphen aan den Rijn, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 209).

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 37 3e alinea.

3 Een geschrift, te weten een letselbeschrijving van P.H.C. de Vries, forensisch arts, gedateerd 4 februari 2016 (blz. 119).